Welstand in de niet-stand

Al stukadorend zijn er heel wat weken verstreken. Daarin zijn we ook bezig geweest met een minder leuk aspect van ons project: de vergunningen. Hier een update.

Op 6 september hebben we de aanvraag voor de bouwvergunning voor het nieuwe huis ingediend. We verwachtten weinig problemen. We hebben immers begin dit jaar al ‘vooroverleg’ gehad met de gemeente. Toen wees de welstandscommissie erop dat volgens de welstandsnota gevels van woongebouwen ‘een stenig karakter’ moeten hebben, terwijl wij potdekselplanken toepassen. Daar hebben we het toen uitgebreid over gehad en we kregen als advies:

‘Wel merken we op dat het ontwerp wringt met de richtlijn van steenachtig voor de gevel. Ten aanzien van dit aspect verwachten we dat hier in de uitwerking nadere aandacht wordt besteed en eventueel op andere wijze wordt voorzien in het door de gebiedscriteria beoogde bebouwingsbeeld.’

In het gesprek hebben we het toen gehad over toevoeging van een dakkapel, een duidelijk verschil in de hoeveelheid glas en meer detaillering van de goten.  Dat zou zorgen voor meer onderscheid tussen een ‘woon-‘en een ‘stal-‘gedeelte, zoals dat bij boerderijen gebruikelijk is. En dat advies hebben we opgevolgd.

Op 11 oktober ontvingen we bericht van de welstand:

‘Op grond van de ingediende gegevens deelt de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit u mee dat het plan, getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria, niet geheel voldoet aan redelijke eisen van welstand. De kritiek betreft het plan op zichzelf en in relatie tot de omgeving en is op het volgende gericht. 

[…] Het metselwerk is onvoldoende betekenisvol toegepast. 

De woning is hierdoor in strijd met de criteria die in hoofdzaak steenachtige gevels voorstaan. Door de voorgevel (zuidwestgevel) uit te voeren in metselwerk en dit metselwerk overhoeks door te zetten tot het eerste raam kan hier aan tegemoet worden gekomen.’

Dat is vreemd… hier hebben we toch het al eerder over gehad? Wij willen juist geen metselwerk toepassen, omdat dat een hoge milieu-impact heeft en minder dampopen is. Door de kalkhennep te omhullen met metselwerk zou zich ‘leefvocht’ gaan ophopen in de constructie. Dat hebben we bij het vooroverleg ook uitgelegd. Opnieuw bellen. De behandelend ambtenaar zou er achteraan gaan bij de welstandscommissie.

Het was natuurlijk voor onszelf ook weer aanleiding om even na te lezen hoe het ook alweer zat. En hé: in de welstandsnota staat bij gebiedstype ‘Landelijk Gebied’:

In beide gebieden [van de gemeente] is sprake van evenwijdig aan de Linde en Tjonger gelegen bebouwingsassen in een hele lage dichtheid. Op sommige plaatsen zijn deze bebouwingsassen verdicht tot kleine lintdorpjes of – gehuchten. Voor het overige komen verspreid liggende boerderijen veelvuldig voor. Voor de beschrijving van deze boerderijen en de daarbij behorende welstandscriteria wordt verwezen naar de objectgerichte criteria.

Boerderij… zijn wij een boerderij? In een lintdorpje of gehucht wonen we in elk geval niet. De welstandsnota geeft als definitie: Boerderij – gebouw of gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij horende woonhuis waaronder de stolp, kop-hals-romp en andere typen

Een voormalige boerderij is dus ook een boerderij. Het huidige huis is een oud boerderijtje, dat is zeker. En het nieuwe gebouw krijgt ook het karakter van een boerderij, juist omdat we op een streekeigen wijze willen bouwen. Dus misschien moeten we toch even kijken naar de objectgerichte criteria voor boerderijen. Die zijn een stuk recenter (uit 2011) dan de welstandsnota (uit 2004). En daarin staat dat voor nieuwe boerderijen ook ‘andere gevelbekledingen’ mogelijk zijn. Dat heb ik  direct aangegeven aan de behandelend ambtenaar. En afwachten maar.

Op 17 oktober weer een mailtje van de gemeente:

‘Ik heb even naar deze criteria gekeken en kom tot de conclusie dat deze criteria gelden voor nieuwe boerderijen en agrarische bedrijfsgebouwen op agrarische erven en niet over nieuwbouw boerderijen op een woonbestemming.

Daarnaast heb ik zoals afgesproken contact gehad met de persoon van hus en hiem die bij het eerste gesprek gezeten heeft.

Zijn verhaal is het volgende:

“In het gesprek van de 17e januari is door ons aangegeven dat we beoordelen aan de hand van de richtlijnen en dat het dus van belang is dat de woning een steenachtige expressie krijgt. Dit hoeft niet te betekenen dat de woning geheel in steen wordt opgetrokken maar wel dat er op de juiste plaatsen in de gevels gebruik wordt gemaakt van metselwerk. Natuurlijk kwam de afgezonderde locatie ter sprake en was er een discussie over houten woningen in het buitengebied die vaker aan de orde is. Daarom hebben we toen de zinssnede over aanpassing van de criteria aan het advies toegevoegd.

Het advies van mijn collega is in lijn met het eerdere vooroverleg en conform de nog steeds geldende criteria. De suggestie is een suggestie en we staan open voor alternatieven, die echter wel het resultaat moeten opleveren dat de indruk ontstaat dat we met een steenachtige woning te maken hebben.”

Ik heb ook nog even navraag gedaan over het eventueel afwijken van het welstandsadvies.

De gemeente is niet bereid om af te wijken van het welstandsadvies.

Ik wil u adviseren om samen met uw architect te zoeken naar een oplossing, die een steenachtig karakter heeft en toch werkbaar is voor jullie.’

Dit wordt vreemd. Ik zie namelijk nergens dat het zou moeten gaan om agrarisch bestemde gebouwen. Het woord ‘bestemming’ of ‘bestemd’ komt niet eens in de welstandsnota voor.

Bovendien horen we nu echt iets anders dan bij het eerste welstandsgesprek.  Toen ging het om ‘wringen met een richtlijn‘, waar ‘eventueel op andere wijze aan tegemoet gekomen kon worden’. Nu is het ineens  ‘van belang dat de woning een steenachtige expressie krijgt‘. En wat is eigenlijk ‘een steenachtige expressie’?  Moet het baksteen zijn? Natuursteen? Lokale veldkeitjes? Marmer? Gestuukt met een cementgebonden mortel? Gepleisterd met een kalkmortel? Met leem?

Er gaan nu allerlei zaken door elkaar heen spelen. Waarom zijn de objectgerichte criteria voor boerderijen (die andere gevelbekleding toestaan) niet van toepassing, waarom geeft de welstandscommissie tegenstrijdige adviezen, wat wil de welstand nu eigenlijk en waarom vindt de gemeente het welstandsadvies belangrijker dan de klimaatambities die ze zo nadrukkelijk benoemt in de Omgevingsvisie en  het recente Coalitieakkoord? Een halve dag later stuur ik een uitgebreide mail met deze vragen terug.

Daarna… weer radiostilte. Tot 26 oktober.  Weer mail. Met het langverwachte positieve bericht? Helaas:

‘Naar aanleiding van uw mail heb ik overleg gehad met mijn leidinggevende. In dit overleg heb ik aangegeven dat u ‘bedenkingen’ heeft m.b.t. het welstandsadvies. Ook heb ik aangegeven dat u niet bouwt volgens de traditionele manier, maar dat u andere materialen en technieken gebruikt. 

Hij heeft op zijn beurt overleg gehad met de wethouder over uw aanvraag. Hieruit is gekomen dat de gemeente vasthoud aan het welstandsadvies wat er nu ligt en dat er niet afgeweken gaat worden van dit advies. Ik wil u dan ook vragen om uw aanvraag aan te passen, zodat deze wel voldoet aan het welstandsadvies.’

De vragen uit mijn vorige mail worden niet beantwoord. Dus maar weer bellen.

De reden die de behandelend ambtenaar geeft voor haar conclusie dat de ‘objectgerichte criteria voor boerderijen’ niet moeten worden toegepast, blijkt te zijn dat in de inleiding van die notitie staat:  ‘Het beleid is gericht op beheer en versterking van compacte agrarische erven met een goede landschappelijke inpassing‘. Volgens haar betekent dit, dat deze criteria alleen bedoeld zijn voor boerderijen met een agrarische bestemming volgens het bestemmingsplan.

Tja… er staat ook: ‘Verspreid over het gemeentelijk grondgebied komen […] historische boerderijen voor‘,‘Daarnaast blijkt dat veel agrarische bedrijven zijn beëindigd.’  en ‘Verwacht mag worden dat het aantal agrarische bedrijven zal afnemen waardoor functiewijzigingen en bijkomende verbouwingen zich zullen aandienen.’ En de definitie van boerderijen spreekt niet voor niets van gebouwen met een (oorspronkelijk) agrarische functie.  Daar kan je net zo makkelijk uit afleiden dat de objectgerichte criteria voor boerderijen juist ook op niet-agrarisch bestemde boerderijen van toepassing zijn. Dat wordt een welles-nietes verhaal.

Volgens het eigen voorwoord moet de welstandsnota ‘leesbaar, begrijpelijk en opwekkend zijn voor verschillende gebruikers’. Dat wordt bevestigd in het kersverse Coalitieakkoord (juni 2018): ‘Wij willen een gemeente zijn met zo weinig mogelijk beperkende regels. De regels die er zijn moeten transparant en duidelijk zijn.’ Maar blijkbaar is de nota toch voor meerdere uitleg vatbaar, evenals het advies van de welstandscommissie uit het vooroverleg.

Met de welstandscommissie is intussen geen aanvullend contact geweest; dat vond de leidinggevende niet nodig. En heeft de wethouder nu daadwerkelijk een inhoudelijke afweging gemaakt over energiezuinig bouwen en zwarte potdekselplanken versus een stenen ‘voor’gevel? Of is er alleen maar gevraagd: ‘Wilt u afwijken van een welstandsadvies?’? Dat wordt ook niet duidelijk.

Intussen hebben wij wel een probleem. De termijn voor vergunningverlening verloopt op 1 november en de gemeente werkt heel eenvoudig: als op dat moment niet alle seinen op groen staan wordt de vergunning  niet verleend. Maar dan zijn wij wèl de leges voor behandeling (ettelijke duizenden euro’s!) verschuldigd. En wat de gemeente betreft staat het sein voor welstand nog duidelijk op rood.

We voelen ons behoorlijk machteloos. En ook gefrustreerd en teleurgesteld. Wij hebben júist ernaar gestreefd om, bij een energieneutrale woning met een superlage milieu-impact, te komen tot een bebouwingsbeeld wat past bij de streek en de locatie. Voor afmetingen, vorm, dakhelling, oriëntatie op de kavel en bouwvolume zijn we uitgegaan van het bescheiden boerderijtje wat er nu staat. Daardoor hebben we enige concessies moeten doen aan functioneel te gebruiken ruimte en behoorlijk ons best moeten doen om tot onze gewenste energieprestatie te komen. Maar wat we hier zo mooi vinden is het afwisselende landschap met open weilanden, houtwallen en bosjes, waar je de typerende Friese schilddaken bovenuit ziet steken. Dan moet je geen grote, opvallende cataloguswoning of knalwitte villa gaan neerzetten, zoals je (helaas) toch veel ziet gebeuren.

 Wij hebben met zwarte potdekselplanken gekozen voor een ‘streekeigen’ materiaal met een zeer ingetogen karakter wat functioneel is voor onze wijze van damp-open en energiezuinig bouwen en past binnen het streven om te bouwen met hernieuwbare materialen. En naar aanleiding van het vooroverleg en het welstandsadvies wat daaruit voortkwam hadden we ook echt de indruk dat de welstandscommissie erin meeging dat ook op andere wijze een ‘voorgevel’ gesuggereerd kon worden.

Moet zo’n nota dan letterlijk worden toegepast? Nee, in de inleiding van de welstandsnota staat: ‘Veel liever zien we bouwplannen waarbij de welstandscriteria worden gebruikt als opstapje, als middel om na te denken over de schoonheid van het bouwwerk in zijn omgeving. In zo’n geval kan het zelfs voorkomen dat de gebiedsgerichte en de objectgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn.

Tja, dat hebben wij dus juist gedaan. Onbegrijpelijk.

Nu mág de gemeente afwijken van het advies van de welstandscommissie. Bijvoorbeeld vanwege zwaarwegende maatschappelijke of inhoudelijke redenen. Klimaatverandering en de energietransitie zijn behoorlijke maatschappelijke opgaven. Als je het Coalitieakkoord 2018 leest, zou je dan ook verwachten dat de gemeente een bouwplan als dit  toejuicht:

‘Initiatieven, die van belang zijn voor de samenleving worden gestimuleerd en gefaciliteerd.

Er is een klimaatakkoord waarin de ambitie is opgenomen om in 2050 in Nederland zo goed als energieneutraal te zijn. Onze gemeente ondersteunt dit en draagt er aan bij om dit waar mogelijk te stimuleren of te versnellen.

 We willen

  • een gemeente zijn die duurzaamheid omarmt en stimuleert; 
  • stappen zetten om te voldoen aan de (landelijke) doelstellingen op het gebied van energieneutraal worden en het verminderen van afval (circulaire economie);
  • samen met de netwerkbeheerder(s), corporaties en andere direct betrokkenen komen tot een plan van aanpak voor het nagenoeg energieneutraal maken van ons woningenbestand.

En bovendien staat er:

‘Wij vinden dat bouwvoorschriften helder geformuleerd moeten zijn en uit moeten gaan van kansen in plaats van beperkingen. In dat kader is de rol van een welstandscommissie beperkt tot een adviserende rol.

Onze ambtelijke organisatie heeft een houding die open, benaderbaar en meedenkend is.  Er wordt opgave gericht gewerkt en de organisatie zoekt naar de ruimte om op creatieve wijze de vragen op te lossen. Er wordt gedacht vanuit mogelijkheden, afspraken die gemaakt worden komen we na en kwaliteit staat centraal.’

Met deze teksten in gedachten hebben we verzocht om een verlenging van de termijn. We willen in gesprek met de welstandscommissie en de verantwoordelijk wethouder. Van beiden willen we weten waarom er niet op een integrale manier naar het bouwplan wordt gekeken. Voor welstand betekent een integrale beoordeling: materiaalgebruik in combinatie met het algehele karakter, de ingetogen kleurstelling, vorm, afmetingen en ligging op de kavel. (Natuurlijk willen we ook uitleg waarom de ‘objectgerichte criteria voor boerderijen’ niet van toepassing zijn.) En voor de gemeente (dus de wethouder): de welstandsaspecten in combinatie met de extreem lage milieubelasting van de gebruikte bouwmaterialen en de extreem hoge energieprestaties.

We geven de moed nog niet op!

 

 

 

Uitgeleemd

Na vijf weekends hard stukadoren is het gelukt: alle wanden van de werkplaats zijn gestuukt. En dus donkerbruin. Best een mooie kleur bruin, eigenlijk. Maar toch wat donker voor een werkplaats. Daarom komt er witte leemverf overheen.

Op basis van eerdere ervaringen met ‘natuur’verf ging ik er vanuit dat de meest witte kleur nog helemaal niet zo wit zou zijn. Maar dat is-ie wel: de kleurnaam ‘Dover’ van Tierrafino is goed gekozen: de verf droogt krijtwit op – iets witter dan we bedoeld hadden. In combinatie met de afgeronde randjes rond de (kleine) ramen en het nog wat ruige stucwerk doet het me enigszins denken aan witgekalkte mediterrane kerkjes of het soort Zweedse huisjes waarvan afbeeldingen staan in het boek ‘de gebroeders Leeuwenhart’ van Astrid Lindgren. (Althans – dat laatste dacht ik. Mijn eigen exemplaar staat nog altijd in een doos bij Anneke op zolder en op internet kan ik niet het plaatje vinden wat ik zoek.)

Best aardig, al is het niet helemaal het effect wat ik beoogde…. Nou ja, hoe witter hoe lichter, dat compenseer weer voor de iets te klein uitgevallen raampjes.

Nu nog de tussenwand afmaken, een pelletkacheltje erin en dan kunnen we het kantoor verhuizen naar het nieuwe bijgebouw!

 

Poel

Geen nieuwe updates de laatste weken, want het is, in één woord samengevat, DRUK!

De afgelopen drie weekends ben ik non-stop aan het leemstuken geweest. Het resultaat wordt steeds mooier (al vallen de gedroomde afgeronde hoeken rond de ramen nog niet mee…) maar mijn elleboog gaat wel zeer doen.  Daarom is het niet zo erg dat ik het door de week erg druk met kantoorwerk heb. Joris heeft het natuurlijk ook heel erg druk, met een baan van 40 uur plus zo’n 12 uur reistijd en diverse nevenactiviteiten. “Na november komt er weer lucht in de agenda” houden we onszelf voor.  Hoewel ik vandaag weer gebeld werd voor een klusje…. zou de economie soms weer aantrekken of zo?

Tussendoor oefen ik met Aska voor een wedstrijd schapendrijven, werkt Joris overal elektriciteitskabels door de werkplaats, moeten  we iedere dag minstens anderhalf uur (!) met Aska fietsen en wandelen (mijn hemel wat een energie heeft dat beest!), moet ik regelmatig naar de Randstad (dat is een dagreis, waarbij Aska vaak de avond tevoren al met logeerpakketje bij onze fantastische buren wordt afgeleverd), hebben we een officiële zwoegerziekte-vrij-status voor de schapen bereikt en hopelijk een ram geregeld om ze eind dit jaar te laten dekken, is het gras weer een keer gemaaid (toch weer drie sneden dit jaar), vergader ik met de groencommissie van het dorp, moet mijn gebit binnenkort weer in de steigers zodat ik de nodige vooroverleggen daarover met kaakchirurg en orthodontist heb (alles is een eind rijden!), zorgde het koffiezetapparaat voor kortsluiting (en toen ik een nieuw kocht via Marktplaats bleek dat bij de ouders te zijn van een architecte die het ‘ruilverwonings-project’ hier in de De Hoeve heeft begeleid), is er iets raars met mijn enkel wat een operatie in Sneek ! of all places) noodzaakt, was er een avond over ‘wat voor dorp willen we zijn?’ in het dorpshuis en belde Landschapsbeheer Friesland eind september dat ze aanstaande maandag de poel zouden komen aanleggen.

In het kader van een landschapsherstelproject mogen wij zomaar gratis een poel laten aanleggen, de houtwallen herstellen en worden er ook nog eiken langs de sloot geplant!

Maar, wacht even. Maandag ben ik er niet! Dan moet ik naar Utrecht! En ik wil er wel bij zijn!

Na wat heen-en-weer gepraat kwamen we op 8 oktober. Vanmorgen om half acht arriveerde een indrukwekkende graafmachine. Ik vroeg me af of hij wel ons pad over zou kunnen. Dat ging, maar hij durfde niet over de Ratellaan, daar zou hij waarschijnlijk de randen van het asfalt kapot rijden. Gelukkig mocht hij van de buurman over diens veld rijden.

Gisteren had Hans alvast het hoge gras en pitrus gemaaid, zodat de boomkikkers die we regelmatig spotten (!) hopelijk weg zouden kruipen.

Met een grote freesmachine werd de zode kapot gefreesd. En toen begon het Grote Graven. Een enorme happening, waarbij ook Omrop Fryslan en de pers langs kwamen.

Wat een hoop grond komt er uit zo’n poel!

Aska is zo onder de indruk van alle werkzaamheden dat ze helemaal vergeet om er vandoor te gaan

Je kon prachtig de opbouw van de bodem zien. Onder de vruchtbare bouwvoor zat een laagje uitgespoeld zand, daaronder veen, daaronder ijzerrijk zand en daaronder leem. Alleen niet overal precies zo of op dezelfde hoogte. Dus het was beste wel een beetje zoeken om het zo uit te voeren dat er zoveel mogelijk interessante biotopen voor amfibieën zouden ontstaan. . Gelukkig begeleidde Hans de uitvoering; die heeft daar voldoende ervaring mee en weet precies waar je op moet letten.

De bodemopbouw is goed te zien
Steeds meer mensen…

Firma van de Meulen uit Suwald voert het keurig uit!

Er kwam jammer genoeg weinig leem uit, het was vooral humeus zand en venige grond. Pas helemaal onderin zit leem die mogelijk geschikt zou zijn om mee te bouwen. Maar dieper hoeft de poel ècht niet…

De vrijgekomen grond is verwerkt in een wal aan de westkant. Dit najaar wordt die beplant.  Hopelijk hebben we dan wat minder wind uit die hoek…

Met de vrijgekomen grond wordt de dubbele houtwal aan de westkant van het land weer hersteld.
En het resultaat! Nu is de natuur aan zet.

Dus nu hebben we… een groot gat. Als het gaat regenen een mooie poel. Maar voorlopig mag het best nog even droog blijven, tot we eindelijk de pannen op het dak van de werkplaats hebben liggen of zo.

De randen zullen groen worden, onderin moet water komen te staan. En nu maar wachten op de orchideeën, boomkikkers, heide, vlinders, salamanders, ringslangen…

Leem

Joris heeft hard gewerkt aan de tussenwand tussen kantoor en werkplaats. De elektriciteitsbuizen en stopcontacten zitten op hun plaats. Tijd om de stukadoor in mijzelf los te laten! Lang geleden heb ik een cursus stuken gedaan, maar dat was ‘gewoon’ met gips, van die zakken roodband en geelband van Knauf. In ons nieuwe huis willen we ‘natuurlijk’ leem gebruiken.

Aska vindt dat we veel teveel bezig zijn met saaie dingen, in plaats van met haar te wandelen

Dan valt er nog heel wat te kiezen: leem is te verkrijgen in allerlei kwaliteiten en verschillende kleuren. Met, uiteraard, ook verschillende prijsklassen. Gelukkig geeft Geert de Bock van  de Leemshop uitstekend advies.  Eigenlijk was ik wel gecharmeerd van het idee van witte basisleem (dan kan je er nog eens een stukje af stoten zonder dat het opvalt). Maar die is duur, (nog) niet verkrijgbaar in de sterkteklasse die je nodig hebt voor de onderste laag en komt bovendien van ver weg. Daarom kozen we voor goedkope Nederlandse basisleem. Het wordt bij Emmen gewonnen en zon- en wind-gedroogd: een mooi ‘oer’-product met hele lage milieubelasting dus.

Het enige wat nóg milieuvriendelijker zou zijn, is onze eigen leem hier uit de grond halen. Dat wil ik ook nog wel eens proberen, maar  de proefjes die ik tot nu toe heb gedaan suggereren dat er teveel zand in de leem hier zit. Misschien ga ik het nog wel een keer proberen, als we een grote voorraad hebben, bijvoorbeeld van het graven van de poel.

Al overleggend met de Leemshop bleek dat Geert ook workshops geeft; eigenlijk een dagdeel begeleiding om je op weg te helpen met het stuken. Dat leek me wel een goed idee, tenslotte zijn er heel wat muren te gaan. Hans vond het ook leuk en sloot aan. Dus hebben we afgelopen vrijdag uitgebreid les gekregen.

Omdat de houtvezelplaten iets kunnen werken ten opzichte van elkaar (bijvoorbeeld bij harde wind) gebruik je een wapeningsnet in de leem. Het meest ecologisch is jute, maar dat schijnt erg lastig te verwerken te zijn, zeker rond kozijnen en vensterbanken enzo. Dus toch maar gekozen voor glasvezel.

Joris met even na of de muur nog wel recht staat

De eerste stap is de netten precies op maat te knippen. Vervolgens de leem op de muur smeren. Met een kamspaan met tanden van 1 x 1 cm verdeel je de leem totdat er overal gemiddeld ongeveer precies een halve cm leem op de muur zit. Wapeningsnet ertegenaan hangen, met de hand een beetje in de leem drukken en met de spaan het net goed vast en glad strijken. Dat is de eerste laag, later komt er nog een halve cm leem overheen. Simpel toch?

het glasvezel wapeningsnet geeft ook een leuk visueel effect bij flitslicht…

 

Nee natuurlijk, de leem kwam er aan alle kanten weer vanaf. Vooral boven de ramen. Het maken van de mooie afgeronde hoekjes rond de kozijnen viel ook helemaal niet mee: de leem bleef meer aan de spaan plakken dan aan de muur.  Ondanks dat ik van tevoren de houtvezelplaat had voorgestreken met een speciaal damp-open hechtmiddel voor leemstuc.

mooi afgerond hoekje

Maar oefening baart kunst, en na een heel weekend stuken ben ik niet ontevreden over de eerste paar muurtjes. Het wordt niet superstrak, maar  een klein beetje organisch effect valt binnen onze tolerantiegrens. De eerste laag mag nu drogen (deze week heb ik het te druk met kantoorwerk). Daarna komt er een tweede laag leem overheen. En dan nog drie(!) lagen leemverf, want die Nederlandse basisleem is wel vrij donker van kleur.

Het voorstrijkmiddel maakt de muren meteen wat lichter
Helaas is de leem zelf erg donker van kleur
Maar het begint al te drogen…

Zolder en kelder

De werkplaats is nog niet helemaal af. Maar we hebben besloten de zolder alvast in gebruik te nemen, nog vóórdat hij af is. Dat wil zeggen, we tapen de naden van de OSB-platen aan de binnenkant niet helemaal af. Aan de buitenkant is het dak wel helemaal kierdicht, want er moet natuurlijk geen vocht in komen. Maar dat beetje tocht doordat de naden aan de binnenkant niet kierdicht zijn nemen we voor lief. Misschien is het zelfs wel gunstig voor een beetje ventilatie als het straks vol staat met al onze zooi.

We zijn vast begonnen om het één en ander naar boven te verplaatsen. Zo heb ik eindelijk mijzelf gedwongen de kelder van het oude huisje leeg te halen. Daar stonden maar liefst 54 prachtige oude weckpotten, dik onder het stof, zand, spinnewebben, dode pissebedden en andere viezigheid  – waarschijnlijk al zo’n 45 jaar. Op basis van de oude kranten die we vonden in de bedstee bóven de kelder schatten we dat het kelderluik sinds de vroege jaren ’70 niet meer open is geweest. Het is natuurlijk niet een helemaal waterdichte datering – de kranten kunnen ook later naar de bedstee verplaatst zijn.  De rubber ringen heb ik maar weggegooid: de weckpotten vullen weer twee dozen voor de zolder.

Wel een opluchting om zaken naar een ‘schone’ ruimte  te kunnen verplaatsen. In een doos met kampeerspullen en in verschillende dozen  met (antiek) porselein hebben muizen huisgehouden. Misschien nog van vóórdat we de katten hadden, want die dozen hadden we al uit Amersfoort verhuisd en in de stal gezet vóór onze eigen verhuizing. Verpakkingsmateriaal is aangeknaagd (en onze lakenzakken, opblaaskussentjes en het grondlaken voor de tent ook 🙁 ) en alles zit vol poep en pies. Getver! Alle dozen moeten dus gecontroleerd en zo nodig uitgepakt, de inhoud afgewassen en opnieuw ingepakt.

Beneden is inmiddels de hele muur van de werkplaats met warme houtvezelplaat bekleed. Nog ‘even’ de elektriciteit aanleggen en dan kan de leemstuc erop.

Pannendak

Afgelopen weekend kwamen Wies en Robert met de kleine meisjes logeren; wij vormden een handige  uitvalsbasis om naar de reuzen in Leeuwarden te gaan kijken. Bart en Willemien kwamen ook en Karali bood aan om ook langs te komen. Zoveel helpende handen was een goede gelegenheid om eindelijk een begin te maken met het dakdekken, want er lijkt nu toch wel echt een einde aan het mooie weer te zijn gekomen.

Maar zoals het altijd gaat: vóór je iets kunt doen moet je eerst nog iets anders doen. In dit geval: het schoonmaken van de stapels dakpannen die van de oude schuur af kwamen, en die sinds oktober vorig jaar op stapels in een hoek van het erf lagen.

En tijdens het schoonmaken zag ik weer, dat het weliswaar allemaal donker geglazuurde ‘oude holle’ pannen zijn, maar wel van verschillende partijen. Die allemaal nèt ietsje anders zijn. Soms duidelijke verschillen, soms héle subtiele, die je eigenlijk pas gaat zien als je er een stuk of 1000 door je handen hebt gehad. Dat is niet gunstig voor de waterdichtheid. Een pannendak sluit het mooist als de pannen zo uniform en maatvast mogelijk zijn.

De aangewezen methode zou dus zijn: eerst alle (>1000) pannen zorgvuldig op soort sorteren, bepalen hoeveel je van elke soort hebt en welke het best op elkaar aansluiten en vervolgens het dak dekken diagonaal vanuit één hoek met opeenvolgende reeksen pannen.

En daar kwam het gat tussen theorie en praktijk: toen ik eenmaal enigszins een idee had van wat de kenmerken waren van de verschillende partijen was het al zaterdagmiddag. Bovendien wisten we niet precies hoeveel pannen er in de lengterichting van de werkplaats zouden komen te liggen.

Dus als het niet kan zoals het moet dan moet het maar zoals het kan: we hebben de meest herkenbare soorten eruit geselecteerd en zijn daarmee begonnen. Met zoveel handen konden we een mooi ‘treintje’  maken. Lotis werkte dapper mee. We moeten toch maar op zoek naar werkhandschoenen maatje XXS want met je blote handen dakpannen doorgeven vonden wij voor een vierjarige wel erg hardcore (zelf vond ze dat ze ook best wel twéé dakpannen tegelijk kon doorgeven.)

 

Met hulp van het vogelaarsoog van Bart (getraind op het herkennen van kenmerk-combinaties) en het timmermansoog van Willemien (die van een afstand aanwijzingen gaf of we wel recht gingen) lukte het toch nog redelijk om het dak te dekken met rechte rijen. Over sommige plekken zijn we niet helemaal tevreden.  Nu maar hopen dat het voldoende water- en stormvast ligt…

Hier was Willemien dus koffie aan het zetten. Ook fijn, maar zonder het wakend timmermansoog gingen de rijen toch enigszins slingeren  
Van een afstand ziet het er best redelijk uit

Er komt nog een overstek langs de lange zijden. Daarvoor moeten eerst nog dragers worden aangebracht. De einden van de daksporen die uit de overgang muur-dak  steken liggen immers ónder de dakisolatie en de daklatten en panlatten die daarop zijn bevestigd, terwijl de panlatten van het overstek direct op de sporen bevestigd kunnen worden. Op de daksporen moeten dus dragers voor het overstek worden aangebracht. Dat heeft als voordeel dat we ook een klein knikje in de dakvoet kunnen aanbrengen, wat er net wat levendiger uitziet.  En natuurlijk komen er ook nog dakgoten.

Binnen is Joris bezig de stucplaten aan te brengen. Ook moet er nog een tussenwand geplaatst, de elektriciteit moet aangelegd en dan kan ik de binnenzijde stuken. Nog veel werk en we krijgen haast. Want pas als de binnenkant af is kunnen we de spullen uit de boerderij overbrengen en de boerderij gaan afbreken. En dan hebben we eindelijk de pannen voor de ándere zijde van het dak….

Op de boerderij liggen de ‘oude holle’ pannen wel redelijk strak. Hopelijk is dit één (maatvaste) partij.

Eindelijk regen!

En daar kwam het dan eindelijk: de langverwachte regen. Als het NOS-journaal opent met de woorden “Het regent in Nederland!” weet je zeker dat er iets bijzonders aan de hand is…

Wij kregen zomaar, in drie dagen achter elkaar, 72 mm! En schoven daarmee van de categorie gebieden met het ernstigste neerslagtekort naar het op één na kleinste neerslagtekort.

Het gras in het weiland begint al wel weer groen(ig) te worden, maar het gras op het erf is dermate stukgelopen dat het niet meer uitloopt. Dat wordt dus een modderboel komende winter. We kunnen nog wel wat metalen roosters gebruiken als tijdelijk looppad, mocht iemand ze over hebben…

 

Intussen zitten we niet stil met het werk aan de werkplaats: we hebben weer kilometers tape geplakt, Joris heeft binnen al een deel van de wand bekleed met houtvezelplaten waarop ik straks kan stuken, en ik heb de twee resterende gevels zwart geschilderd. Dat honingkleurige was ook mooi, maar het blijft niet honingkleurig… na één winter is het onregelmatig grauw verkleurd. Met een beits op basis van lijnolie is het hout goed beschermd.

En we hebben, met hulp van onze fantastische buren Leo en Henderika, de trap geplaatst. Dat geeft ook al weer meer het gevoel van een ‘echt’ gebouw.

Wat moet er nu nog gebeuren? Dakpannen op het dak! Dat is natuurlijk heel belangrijk. Een klus die met meerdere handjes veel sneller geklaard is. Wie komt er komend weekend helpen?

Binnen komt nog een laag houtvezelplaat tegen de muren en plaatsen we een binnenwand tussen het ‘kantoor’ en de werkplaats. Dan moet er nog elektriciteit worden aangelegd en moeten de muren met leem worden gestuukt en gesaust. We zijn dus nog niet klaar. Maar dan hebben we ook echt een plezierige ruimte voor het werk tijdens de bouw van het woonhuis.

Het voelt nu al heel fijn. Eindelijk echt iets wat als een ‘gebouw’ voelt, met dichte, tochtvrije muren, een plezierig binnenklimaat en een vlakke vloer die niet zwiept als je eroverheen loopt.

Hulp!

Afgelopen weekend kwamen Bart en Willemien helpen. Dat was erg fijn: Bart heeft binnen in de werkplaats weer kilometers panelen afgetapet en Willemien en ik hebben weer een gevel zwart geschilderd. Wat wordt het mooi!

Nu kunnen binnenkort de pannen op het dak, dan is het eindelijk echt wind- en waterdicht. Dat is wel een klus waarvoor het handig is als er veel mensen zijn. Wie komt er helpen?

We hebben alvast (met hulp van Bart, verschillende héél dikke en zware balken, een palletwagen en een aantal kunststof rijplaten)  Joris’ zware vlakbank en zaagtafel naar de nieuwe werkplaats overgebracht. Ze hebben flink geleden van het verblijf in de koude en vochtige stal afgelopen winter. Het wordt heel wat poetsen om de roest er weer af te krijgen.

Water is leven (2)

We hebben een bron!

Het landgoed zucht en steunt onder de droogte. De mooie grote kers laat zijn blaadjes vallen of het herfst is. In de houtwallen is zoveel blad afgevallen dat je er dwars doorheen de huizen van het dorp ziet (vorig jaar was het een groene muur tot eind oktober). De lijsterbessen hebben het meeste last, die zien eruit alsof ze dood zijn.

In de moestuin heb ik verschillende gewassen maar gewoon opgegeven, die zijn niet meer te redden. Het gras op het erf is eerst dood gegaan en toen stuk gelopen. Het erf is nu een zandbak. (Dat wordt weer fijn van de winter, dan zal het weer één modderpoel zijn.) Alles is bedekt met een laagje zwart stof: de humus uit onze grond.

      

En al het water moest uit de waterleiding komen. (Hoe de oude Haanstra het in vredesnaam deed in een droge zomer met enkel die twee regenbakken en koeien en een moestuin, daar breken we  ons werkelijk het hoofd over…)

Een vriend van me heeft een buurman die hydrotechnicus is. Op aanwijzingen van de buurman had de vriend zelf een bron geslagen in de achtertuin, met onbeperkt prachtig helder, koud water. Dat wilde ik ook wel!  De buurman wilde het zelf ook wel komen doen voor een zacht prijsje, samen met zijn zoon.

   

Vorige week donderdag kwamen ze, gewapend met grote buizen en een aanhanger vol materiaal. Maar in tegenstelling tot Bennekom, waar de vriend en de buurman wonen, bestaat hier de grond niet enkel uit zand, maar uit zand en leem. Keileem. Met keitjes erin dus. Die blijven hangen in de puls. Na een hele dag pulsen (bij 35 graden in de schaduw!), was het nog niet gelukt om een  pakket aan te boren dat voldoende doorlatend was voor een bron.

Afgelopen vrijdag een nieuwe poging, met een ander soort boor. Ze moesten tot 14 meter diep gaan, en zelfs deze boor had moeite met de  keien die hij tegenkwam. Gelukkig geen echt grote blokken. Aan het eind van de dag was het even spannend… we dachten dat hij wéér geen water gaf… maar het lukte! Nu kunnen we eigen grondwater oppompen!

Er zit wat leem in het water, en vrij veel ijzer, maar verder is het goed. Waarschijnlijk kunnen we het, als we er een ontijzeringsinstallatie achter zetten, ook gebruiken voor de wc in het nieuwe huis. Die wilden we met regenwater gaan doorspoelen. Maar dan moet er een tank worden ingegraven op het erf. En de tank en de bezorging en het graafwerk gaan bij elkaar veel meer kosten dan een ontijzeringsinstallatie. (Nog los van alle problemen met vrachtwagens die ons pad niet op kunnen, oude septic tanks die nog in de grond in het erf zitten en dergelijke.) We voeren geen water af van het perceel: al ons afvalwater komt, na zuivering door het helofytenfilter, weer terug in het perceel. Dus feitelijk gebruiken we de grond dan als opslagtank.

De nieuwe locatie is iets moeilijker bereikbaar met de trekker dan de ‘bouwput’ waar het kraanwater zit, dus het blijft een enorm karwei om de boompjes van water te voorzien. We moeten nog een waterleiding aanleggen naar een tappunt waar we goed bij kunnen. Voorlopig is het nog veel heen en weer rijden. Ik vraag me af wat er over blijft van het historische microreliëf. Eén voordeel: ik leer heel goed manoeuvreren met de trekker.

De moestuin is met de tuinslang goed bereikbaar vanaf de pomp. Eens zien of het lukt om die te laten herleven! Jammer genoeg zit er waarschijnlijk nog  teveel zand / leem in het water om de zwenksproeier erop te zetten.

 

Heet!

Wat een zomer… Afgelopen donderdag en vrijdag waren werkelijk niet te harden. In de schaduw liep de temperatuur op tot 36 graden. Wat het in de zon was wil ik niet eens weten. Dus de moestuin heeft een behoorlijke hitte-schok gehad. Erg mooi ziet het er niet meer uit.

\

    

Sowieso doet ons domein momenteel sterk denken aan Australië. In december 1997 reisde ik daar enkele weken met een soort ‘kermisgroep’ mee, naar afgelegen plaatsjes in de outback van New South Wales, waar helemaal nooit iets gebeurde behalve één keer per jaar de ‘rodeo’. Daar kwamen wij dus voor, met een prijsschiettent, een snackbar en dergelijke. Dat was één dag en avond hard werken met veel opwinding, de volgende dag opbreken en úrenlang met 80 km / uur rijden naar het volgende minuscule plaatsje in-the-middle-of-nowhere. Daar brak dan een periode aan van voornamelijk wachten; de volgende rodeo was natuurlijk ook pas weer op zaterdag. Het landschap bestond uit geelgeblakerd gras met een zinderende zon erboven en de temperatuur in de caravan die mij was toebedeeld liep op tot boven de 40 graden (de kermismensen zelf hadden luxe woonwagens met airco).  Het was een ervaring, maar niet één die ik nu per se hoefde te herhalen. En ook niet één waarvan ik had verwacht dat de verhuizing van Friesland me eraan zou herinneren.

Zaterdag kregen we zowaar een paar buien. Omdat we nog altijd niet weten hoe we het gaan oplossen met de dakpannen liggen er tijdelijk zeilen over het dak van de werkplaats.