Varkenskot

najaar 2016

In een hoekje van ons erf staat een oud varkenskot. Toen we het aantroffen was het in elkaar gezakt, overwoekerd met bramen en, net als alles, volgepropt met zooi. De ergste zooi hebben we er al snel uit getrokken. Daaronder bleek een laag oude varkensmest te zitten. Minstens dertig jaar oud, want zo lang wonen onze buren hier en die kunnen zich niet heugen dat de oude mijnheer ooit varkens had. Uitstekende mest voor de moestuingewassen met een grote stikstofbehoefte. Vorig najaar heb ik de mest een beetje op een hoop gegooid aan de ene kant van het kotje en de andere kant gebruikt om het oude hooi, dat we in een andere schuur vonden, droog op te slaan gedurende de winter.

maart 2017
december 2017

Inmiddels ligt het hooi als mulch op de moestuin, evenals een groot deel van de mest. Toen ik de laatste mest (en zand, stof, oud hooi, muizennesten en de gebruikelijk ondefinieerbare rommel) uit het kot aan het scheppen was, stuitte ik op stenen. En wat blijkt: onder de laag mest bevindt zich een heus stenen vloertje, gemaakt van oude brokken beton en metselwerk, aangevuld met losse bakstenen en bielzen. Wel een beetje verzakt, waarschijnlijk door ondergraving door muizen.

En toen het helemaal schoon was en ik ook de laatste oude planken die er waren opgeslagen eruit had gefrunnikt en de dertig jaar oude spinnenwebgordijnen had weg geveegd en een paar van de aller-rotste planken van de voorkant had afgetrokken zag het er eigenlijk nog helemaal niet zo slecht uit.

Momenteel heb ik er even wat vers hooi in opgeslagen dat op het land was blijven liggen nadat de boer gemaaid had. Het ruikt er meteen véél lekkerder. Maar ik begin voorzichtig te denken: zou het – met enig opknapwerk – bruikbaar zijn als stalletje, zodat we al vast wat van de vurig door mij gewenste geiten of schapen kunnen aanschaffen?

Groeiseizoen

 

Het voorjaar is vol losgebroken en we hebben het (dus) heel druk. De moestuin doet het goed: we eten al volop sla en raapsteeltjes en de aardappelen, uien, tuinbonen, snijbiet, bietjes, kapucijners en sugar snaps zien er al veelbelovend uit. Courgettes, patissons en pompoenen zijn uitgeplant,  pronk- stok- en droogbonen (Friese waldbeantsjes!) komen op en zelfs de heel laat gepote dahlia’s beginnen uit te lopen.

Het systeem met de moestuinbedden die eigenlijk bestaan uit één dikke mulchlaag lijkt redelijk te werken. Ik zie wel, dat de bedden die ik vorig najaar al heb aangelegd en waarin (1) een laag karton, met daarop (2) een laag gehakseld blad en twijgen, daarover (3) een laag hooi en daar bovenop (4) een laag compost ligt, het beste werken. De variaties, waarbij ik de laag gehakseld blad heb weggelaten, of zelfs ook de laag hooi, doen het minder goed, of de kweek komt er toch doorheen. Elke dag wieden dus, hopelijk raken zelfs kweekwortels ooit uitgeput.

Aan de slootkant van de moestuin bevond zich weer een klein mysterie; om onduidelijke redenen was daar een stuk landbouwplastic ingegraven, met daaronder weer tientallen van de inmiddels bekende kunstmest- en voederzakken. Als barrière tegen de ruige begroeiing (bramen en brandnetels) uit de slootkant? Of juist om te voorkomen dat vruchtbare aarde en meststoffen naar beneden de sloot in zouden in spoelen? Hoe het ook zij, het werkte niet (meer), want de wortels van brandnetels, bramen hadden er zich een weg door gevonden en de uitlopers waren er eenvoudig overheen gegroeid. Ik ben een dag bezig geweest om plastic,onkruidwortels en allerhande andere rotzooi die er tussen terecht was gekomen te verwijderen en zoveel mogelijk  kweekwortels uit de grond te zeven.

Wat ook steeds groeit is de werkplaats. Met het mooie weer heeft Joris een aantal dagen vrij genomen om daaraan verder te kunnen werken. Toen het houtskelet stond hebben we eerst de zoldervloer er op gelegd. Daarna heeft Joris alle muren dichtgezet en ‘stijf’ gemaakt met platen formaldehydevrije OSB. Dat was wel jammer van het mooie uitzicht…

Een kleine tegenvaller waren de ramen. Toen die arriveerden, bleken we ons verkeken te hebben op het verschil tussen glas- en kozijnmaat. Hoewel de gevelopeningen best groot zijn, vinden we de ramen zelf maar klein. Reden om meteen het ontwerp voor het huis weer aan te passen en daar grotere ramen in te verlangen. Tot ongenoegen van de architect, want het betekent ook dat de energieberekeningen en detailleringen weer moeten worden aangepast. We zijn dus nog stééds niet toe aan het indienen van de vergunningaanvraag. Maar dat geeft niet, want we kunnen toch pas gaan bouwen als de werkplaats helemaal af is.

Bart en Willemien kwamen helpen met de dakconstructie van de werkplaats. Gezamenlijk hebben we de kopse gevel en (het eerste deel van) de nokbalk er op gelegd. Erg handig dat we daarbij twee paar extra handen hadden, want dat viel nog niet mee! Joris heeft de overige sporen bevestigd terwijl Bart, Willemien en ik de laatste isolatie rond de fundering aanbrachten. Nu kan de grond rond de fundering weer aangestort worden. En opeens staat er een heel gebouw!

Tussendoor groeide ook het gras hard. Het weiland werd ronduit schitterend, vol paarde- en pinksterbloemen, donkere plekken met vossenstaart en hoge pluimen veldzuring. Maar op een zeker moment moest de boer toch komen maaien. Dat werd spannend, want ik heb natuurlijk overal allemaal boompjes geplant, die nog ,maar nauwelijks boven het gras uit kwamen. Ik heb een dag lang aan alle kleine boompjes lintjes lopen bevestigen, zodat hij ze goed zou zien. En met de zeis rond de boompjes gemaaid.

Helaas waren er toch nog wel veel plekken waar de boer niet bij kon komen met de machines. Dus ja, dan moeten we ófwel heel veel gaan zeisen, ofwel toch zelf een paar schapen nemen. Want de logeerschaapjes, die keurig een aantal moeilijke stukken hebben kortgeknabbeld, gaan binnenkort weer naar huis. (Jammer, ze doen het heel goed. Tot grote verrassing van de eigenaar kon ik op een zeker moment zelfs melden dat er ééntje totaal onverwacht een lammetje geworpen had!).

Joris heeft me voor mijn verjaardag vast een schrikdraadhek-apparaat op zonne-energie gegeven.

Behalve het gras zouden ook de blaadjes aan de bomen goed moeten groeien. En daar gaat het wat minder, want we hebben een beetje last van rupsen. Zeg maar gerust: een rupsenplaag! Sommige eiken lopen gewoonweg niet uit, ze worden finaal kaalgevreten. Als je onder de bomen staat hoor je de rupsenpoep op de grond tikken alsof het regent. Aska’s drinkwater is binnen een half uur bruin van de rupsenpoep die er in valt en nog geen half uur nadat je de tuintafel hebt schoongedweild ligt hij alweer vol met zwarte korteltjes.  Hele gordijnen van rupsen zweven aan glanzende draden door de lucht. En ieder rupsje wil maar één ding: ETEN!

De grote eiken gaan het wel overleven, maar ik houd mijn hart vast voor de nieuw aangeplante (fruit)bomen. ‘Zonder rupsen geen vlinders’ houd ik mezelf voor. Maar ja, ik hoop toch eigenlijk wel dat de boompjes het gaan overleven. Komend jaar maar héél veel nestkastjes ophangen?  ‘Every cloud has a silver lining’ zeggen ze in Amerika. En dat is waar. De kippen  zijn gèk op rupsen!

 

 

Het verleden van de boerderij

Een paar jaar geleden is er een boekje gemaakt over de geschiedenis van De Hoeve. Jammer genoeg is het niet meer verkrijgbaar, maar we hebben een exemplaar geleend van iemand van de biljartclub. (Joris heeft afgelopen seizoen meegedaan met de biljartclub, om mensen te leren kennen. Hij heeft subiet de seizoenspool gewonnen en begint het Stellingwarfs al aardig te verstaan.)

Tot mijn vreugde stonden er twee foto’s  in van onze boerderij. Maar weinig scherp en héél klein afgedrukt. Jammer genoeg is het digitale bestand met de foto’s voor het boekje verloren gegaan. Dus ik zette een oproep in de dorpskrant of er misschien nog iemand foto’s had van onze boerderij of de omgeving.

En toen werd ik gebeld door een vrolijke mevrouw, 80 lentes jong. Ze had geen foto’s, zei ze. “want toen hadden wij geen fototoestellen en zulke dingen”, maar ze had van 1938 tot 1961 in de boerderij naast ons gewoond. En ze wist nog wel het één en ander van onze boerderij. “Maar die zal nu wel afgebroken zijn. ”

“Nee hoor”, zei ik, “Dat gaat wel gebeuren, maar zover zijn we nog niet. Komt u een keer langs om het nog een keer te zien? ”

En dat werd een heel leuke middag!  Ze vertelde allerlei verhalen. Het meeste wat ze zich kon herinneren was nog uit de periode vóór 1954, toen Marten Haanstra hier woonde (de oude mijnheer van wie wij de boerderij gekocht hebben). Toen woonde de familie Hoornstra hier. “Vrolijke mensen, met veel kinderen”, wist ze te vertellen. En op de hoogte, midden op het terrein, was het huisje waar ‘tante Hildie’ woonde.

Naast de Uiterste Eik, waar een bocht in de sloot zit, heeft ook een boerderij gestaan, van Jan Veen. Die had geiten. Andries Hoornstra ging er een keer op zondag op de koffie en kreeg geitenmelk in de koffie. Maar die was blijkbaar niet goed meer (koelkasten zullen er toen ook nog wel niet geweest zijn) en Andries Hoornstra had de hele weg naar huis lopen kotsen. Ze had door dat verhaal nooit geitenmelk of -kaas willen eten. Terwijl haar moeder zei dat het onzin was, zij hadden vroeger thuis ook geiten en dat was prima melk.

Het zag er hier toen nog wel heel anders uit. Het Staatsbosbeheer-bosje was  er niet, dat was bouwland. Ze wist nog precies te vertellen welke stukken land van wie waren. Hun huis, waar nu onze buren wonen, ligt nu helemaal in het groen, maar lag toen in het open land. Er waren wel nog veel stukjes heide en meer houtwallen dan nu, al waren die wel lager. Met enige teleurstelling keek ze naar het hoge opschot van esdoorns op het kopse kantje van een oud houtwalletje. “Dat mag hier allemaal niet zijn, dit was een graskantje en daar zat ik altijd zo lekker in de zon, terwijl mijn moeder op de bouw (het bouwland, GK) aan het werk was!”

Alle boerderijen waren verbonden door smalle paadjes, vlak langs de sloot en de houtwallen, want “je was zuinig op het land!” Brede paden met ronde bochten  waar auto’s over kunnen rijden waren er niet, want niemand had een auto. De kleine keuterboertjes hier bezaten zelfs niet allemaal een paard. Dat werd geleend, als het tijd was om te ploegen of te hooien. De melkbussen werden wel met een auto opgehaald door de coöperatie. Dan zette je er een kleine bus bij, en die werd dan meteen bij de melkronde gevuld met gortepap, die in de fabriek in grote ketels gekookt werd.

Tegenover de uitgang van hun pad op de Ratellaan (toen ‘Klaeterlaene’ genoemd) liep een pad naar een andere boerderij, die ver achter in het land stond, bij de vaart. Daar woonde haar vriendinnetje, met wie ze speelde op het stukje heide wat daar nog lag “en wat mijn broer later heeft aangemaakt. Maar eigenlijk vind ik dat zonde, dat éne stukje hei had hij zo moeten laten”.

Over ons gras was ze wel te spreken. “Mooi kruderig. Mijn vader zei altijd al: dat is goed voor de beesten.”

En ook het interieur van onze boerderij riep allerlei herinneringen op. De ossenbloedrode balken in het kamertje wat er ooit is aangebouwd. “Die hadden we ook in ons oude huisje. Mijn moeder schilderde ze af en toe op, in deze kleur en dan met een geel randje erlangs. Wat een werk hè?”

Waar nu de twee slaapkamertjes zijn zat volgens haar oorspronkelijk de toegangsdeur. Waarschijnlijk in de keuken. Maar dat wist ze zich jammer genoeg niet meer precies te herinneren. Ook van de stal wist ze niets.” Daar kwam je niet zo, als meisje.”

“Ach ja, en hier zijn de bedsteden. Zo hadden wij ze ook in het oude huisje. En in het midden zat de deur van de diggelkast (servieskast, GK).”

“Maar hoe zat dat dan?”vroeg ik. Het zijn nu alleen maar twee ruimtes en die zijn amper 1,80 m lang. Daar past niet ook nog een kast tussen. Maar ze legde uit dat die kast met twee schuine wandjes van de bedstee was afgeschoten. Dus voorin was die bedstee nóg korter. Daar sliepen de jongste kinderen, met hun voeten tegen de schuine wand van de bedstee aan. De oudere lagen wat meer naar achter.

Nadat ik haar weer naar huis heb gebracht, met heel veel dank voor alle informatie, werd ik nieuwsgierig. Wat zou er nou achter het lelijke jaren ’70-fineer zitten waar de bedsteewand mee was afgetimmerd?

En voila. Een complete originele bedsteewand. Met diggelkast. De paneeldeuren waren opgevuld met zachtboard en restjes hout, de randjes waren met bruine ver bijgewerkt zodat ze niet zo opvielen langs de randen van het fineer en de deur van de diggelkast was omgekeerd (met de vlakke achterkant naar voren) vastgezet, om het aftimmeren te vergemakkelijken. Maar met enig hak- en breekwerk was alles los te krijgen. Dit oogt veel leuker dan de fineerwand!

 

 

 

 

 

 

 

 

Houtskelet (1)

De week mooi weer was echt een cadeautje. Joris heeft twee dagen vrij genomen om er optimaal van te profiteren. En wat gaat het bouwen van de werkplaats dan opeens snel!

Toen het droog werd hebben we de fundering drie keer behandeld met een bitumenpasta. Dat is niet erg ecologisch of cradle to cradle. Maar omdat we de werkplaats verder in houtskeletbouw maken, moeten we er wel héél zeker van zijn dat er geen optrekkend vocht via de fundering naar de onderkant van je gebouw kan trekken. Afgelopen winter stond het grondwater in één hoek tot vlak onder de fundering.

Op de fundering heeft Joris een vloerregel bevestigd van Modiwood – grenenhout dat met een thermische behandeling is verduurzaamd. En daarop het houtskelet.

Eerst nog even met de trekker en de platte kar naar de houthandel om de (tot 5 m lange!)  balken op te halen. Zelf vonden we het erg grappig, maar niemand keek er van op of om.

En hop-hop-hop, in tweeëneenhalve dag staat het houtskelet voor de muren.  Nu kunnen we ook zien waar de ramen gaan komen en wat een prachtig uitzicht we gaan krijgen vanuit het kantoor! Helaas moeten we eerst weer even een poosje ander werk doen, terwijl het houtskelet in de regen staat…

 

Lente

En toen schoten de temperaturen ineens omhoog naar (hoog)zomerse waarden!  Nu bloeit de kers wel – het is één golvende, wiegende massa witte takken, gonzend van bijen en hommels. In het weiland knallen de paarden- en pinksterbloemen open en in de moestuin komen de kapucijners, peultjes en aardappelen op. Wat een paradijs!

Ik heb de kippen verplaatst naar een nieuw stukje, waar ze op het gras lopen. En meteen grote voorjaarsschoonmaak gehouden: het hele hok leeg gehaald, goed uitgezogen, van binnen schoon gemaakt met heet water en soda, nagespeeld met kokend water, alle kieren met de verfföhn droog gestoomd en alle kieren en houtwerk bestreken met een dikke laag witkalk. Hopelijk blijven we dan dit jaar verschoond van vieze bloedluis-uitbraken. De kippen lijken er wel tevreden mee.

Nadeel van de nieuwe plek is dat ze minder bosjes hebben om voor de buizerds te schuilen. Vorig jaar hebben we daar één kip aan verloren. Hopelijk houdt het feit dat wij nu dagelijks op het erf bezig zijn de  buizerds op enige afstand…

Kippenhok in ochtendmist en avondzon, romantisch onder de kersenbloesem

Er zijn kippen die het slechter hebben…

 

Het eerste jaar

Een jaar geleden kregen we de sleutels. Toen stond de kersenboom prachtig in bloei. In Japan schijnt de kersenbloesem symbool te zijn van een nieuw begin. En dat was het hier natuurlijk ook.

Door de late koude winter bloeit de kersenboom nu nog (net) niet. Maar nu de temperatuur de laatste dagen omhoog is geschoten spuit ook hier het groen overal uit de bomen en de grond. Het weiland wordt met de dag groener, iedere dag zijn er meer struiken met blaadjes, dagelijks gaan er meer paardenbloemen open en als je in het weiland even rondkijkt zie je de pinksterbloemen omhoog komen. Binnenkort kunnen we niet meer door de houtwal heen kijken.

Tijd voor de balans van het eerste jaar. Wat hebben we bereikt?

Vele kuubs schroot, hout, rommel en asbest zijn afgevoerd. Er zijn geen gebouwen met onbekende inhoud meer. De meeste (anorganische) rotzooi uit de houtwallen is opgeruimd (maar er moet nog heel veel prikkeldraad, overtollige braamstruiken en Amerikaanse vogelkers verwijderd worden).  Er zijn 38 fruitbomen, 20 grote lindebomen, 12 walnotenbomen en 265 stuks autochtoon ‘bosplantsoen’ geplant. Er is een degelijk, breed pad aangelegd. Er is een nieuwe septic tank met helofytenfilter aangelegd (de rietplantjes moeten nog een beetje gaan groeien, we hopen dat het filter dit seizoen echt op gang komt). De fundering van de werkplaats staat als een huis.  De moestuin is aangelegd: uien, rode melde, goudsbloemen en slaplantjes staan al boven de grond.

En het belangrijkste: we hebben ons de plek ‘eigen’gemaakt. We kennen het erf nu goed. We weten waar er hoge en lage, natte en droge plekken in het land zitten, en we hebben een idee waardoor die zijn ontstaan. Afgezien van de grote houtwal (daar moeten we nog een beetje meer in rondstruinen), kennen we ook de houtwallen op ons terrein, de grote bomen en de ondergroei. We kennen de directe omgeving en we weten hoe die er in het verleden heeft uitgezien.

We hebben kennis gemaakt met onze buren en de andere mensen uit het dorp. We hebben een hondje, twee katten, één bijenvolk, twee loopeenden en vijf kippen. We hebben de winter doorstaan. We hebben internet, waterleiding, riolering en elektriciteit.

We hebben heel wat om blij mee te zijn!

Eén stap vooruit, twee stappen terug…

Vrijdag was het dan eindelijk zover: het beton van de werkplaats kon gestort worden. Joris moest werken, maar omdat het beton gepompt werd, in plaats van het met kruiwagens heen en weer te rijden,  moest het met drie personen wel lukken.  Om acht uur zou de aannemer komen.

Om negen uur belde ik maar eens. “Zeg, jullie zouden toch het beton komen storten?”

“Ja, om tien uur. Was dat niet doorgekomen?”

Om tien voor tien zag ik een grote betonwagen over de Ratellaan langs rijden . Door een sprintje te trekken door het weiland kon ik nog net voorkomen dat hij vast kwam te zitten in de oprit van de buren.

Maar toen hij eindelijk op het juiste adres was ging het snel. Met een gigantische pomp, die óver de bomen heen reikte, werd het beton rechtstreeks naar de werkplaats gepompt. In een kwartiertje zat de hele massa erin en kon de wagen weer wegrijden.

En toen ging het mis. Ondanks dat Joris, de beide aannemers en ikzelf   de chauffeur herhaaldelijk, mondeling èn schriftelijk hadden gewaarschuwd om NIET te keren op de rijplaten (want die zijn prima voor personenwagens, maar onvoldoende voor zware vrachtwagens) deed hij het toch. We zagen de rijplaten wegschuiven. “Goh”, dacht ik nog, wat komt daar een blubber onder vandaan.”

Maar het was geen gewone modder.

“Volgens mij is zijn brandstoftank geknapt!”riep de aannemer. We roken eraan. Geen benzine: het was de olie van de hydrauliek die inmiddels aan alle kanten uit de betonwagen spoot. Ik deed nog een poging om het spul op te dweilen, maar dat was letterlijk dweilen met de kraan open.

“Hoeveel liter olie zit er in zo’n wagen?” vroeg ik.

“Ja, toch wel een litertje of 300” zei de chauffeur. Die bleef er verder nogal rustig onder en belde het hoofdkantoor van Friesland Beton. Dat ze maar even met wat nieuw gebroken puin moesten komen om het pad schoon te maken. Over anderhalf uur zou er iemand komen.

Na twee uur belde ik maar eens.

“Goedemiddag. Er is hier vanmorgen een ongeluk gebeurd met een betonwagen waarvan de hydrauliek ontploft is.”

“Ja, daar heb ik wel iets van gehoord. Maar we sturen iemand om het op te ruimen hoor.”

“Maar kunt u zeggen wanneer die komt? Want er staan hier nu poelen olie op het land en op het pad en dat trekt nu wel mooi allemaal de grond in. Die grond wàs schoon – we hebben vorig jaar een bodemonderzoek gedaan. Maar als we straks gaan bouwen en de grond is vervuild zitten wij met de gebakken peren.”

“Nou mevrouw, poelen olie, u moet het niet groter maken dan het is. Ik heb die wagen hier gezien en zoveel olie is het niet. En ik kan ook op zo’n korte termijn niemand regelen.”

“Zal ik u even wat foto’s sturen?”

Dat hielp blijkbaar, evenals het feit dat de aannemer, op mijn verzoek, bevestigde dat het echt om een groot oppervlak ging wat vervuild was. Even later belde de voorman van de betoncentrale dat er een loonwerker aan kwam. Niet met anderhalve kuub puingranulaat, maar  met 12 kuub.

Maar toen die loonwerker halverwege de middag eindelijk arriveerde (die moest, met de trekker en de graafmachine, helemaal uit Heerenveen komen, je denkt: bel er dan ééntje bij ons in de buurt…)  verschoot hij een beetje en belde subiet de betoncentrale weer.

“Ja hoor eens, dit is veel groter dan je had aangegeven. Dat moet op de officiële wijze gesaneerd worden. Regel maar een vloeistofdichte container om die grond af te voeren.”

Goed, het eind van het liedje was dat we met ons allen tot half zes stonden te wachten tot de vloeistofdichte container er was. Alle vervuilde grond en puingranulaat is weg geschept en het pad is min of meer weer gerepareerd met een veel te grote berg puingranulaat. Jammer genoeg niet zo netjes en glad als het eerst was. Gelukkig was de grond nog vrij nat, waardoor de olie niet al te ver de grond in was getrokken.

Netto opbrengst van een heel lange dag vol wachten, telefoneren en veel ergernis: een berijdbaar, maar èrg hobbelig laatste stukje pad, grote kuilen aan weerszijden van het pad (waar het nu éindelijk weer wat groener begon te worden…) en een prachtige, spiegelglad gevlinderde betonvloer voor de werkplaats.

 

 

 

 

 

 

Zuidschuur

 

We hebben op ons land diverse schuren staan. Die hebben we allemaal een naam gegeven: de zuidschuur, de noordschuur, de westschuur en de stal. En dan was er nog de overkapping (inmiddels verwijderd) tussen de stal en de noordschuur, en het varkenskot.

Varkenskot en noordschuur

De westschuur heeft inmiddels moeten wijken; daar bouwen we nu de werkplaats. Zodra die afgebouwd is kunnen de spullen erin die nu nog in het huisje en de stal staan opgeslagen. Het huisje en de stal kunnen dan worden afgebroken zodat we daar het nieuwe huis kunnen bouwen. En als dát af is (als het ooit zover komt) kunnen we de noord- en de zuidschuur aanpakken. Die moeten in de tussentijd dus nog even blijven staan, zodat we er zaken in kunnen opslaan die enigszins tegen de elementen kunnen.

Zuidschuur, maart 2017

Maar bij de zuidschuur werd dat steeds problematischer. Die was al niet best, meer een soort kapschuur. Een gebint wat deels uit levende eiken bestaat (!), met een bekleding van oude planken, aluminium, verzinkt en glasvezel golfplaat, uitgehamerde stukken blik en heel veel asbest. In september is het deel van het dak en de ‘muren’ dat uit asbestplaten bestond er af gehaald. In de loop van de winter  heb ik de zijkanten weer dichtgezet met oude deuren en het dak aangeheeld met  stukken metaal en kunststof die vrij waren gekomen bij de afbraak van de westschuur en de overkapping. En nèt toen ik daarmee klaar was kwam de eerste ‘Siberische beer’ langs. Mijn eigen nieuwe-oude-golfplaten-dakje hield goed. Maar de noordoostenwind  dook daaronder door en scheurde de oude, bros geworden kunststof platen aan de andere kant er finaal uit.

Dat was lastig, want hoe repareer je dat? Je kunt het dak namelijk niet op, omdat het allemaal oude, wrakke brosse golfplaten zijn.  En aan de achterkant kan je er ook niet dichtbij komen, omdat daar een sloot loopt.  Een echt degelijke oplossing is zonde van het geld en de tijd – ooit moet daar een echt gebouwtje komen . Uiteindelijk besloten we er maar een zeil overheen te spannen. Dus dat was één van de klusjes voor het Paasweekend.

Stap 1 was het verwijderen van zoveel mogelijk van de dikke laag blad en takjes die zich op het dak had verzameld. Dat kostte nog veel moeite – het dak was toch wel groot en zoals gezegd kon ik er slecht bij.

Ook bij deze schuur zijn levende bomen domweg als staanders gebruikt
Het líjkt alsof de keukentrap op droge grond staat. Maar in feite staat hij in de sloot achter de schuur. De ‘droge grond’ is wat ik van het dak geveegd heb.

Daarna moest ik alle scherpe zaken op het dak verwijderen die door het zeil zouden kunnen heen prikken. Spijkers en schroeven lieten zich verwijderen of platslaan. Over de scherpe randen en hoeken  van de metalen golfplaten, waar die tegen de nokbalk getimmerd zitten, heb ik stukken oude dakgoot ondersteboven aangebracht. Door ze een beetje plat te duwen kon ik ze domweg aan de nokbalk vast schroeven en zorgden ze voor een mooie ronding, waar het zeil niet door beschadigd zou worden.  Echt heel leuk om te doen was het niet, want ik moest dat plat op mijn buik liggend op de nokbalk doen, met aan weerkanten niets dan wrakke golfplaten tussen mij en vier meter lager.

Stap 3 was het aanbrengen van een raamwerk van latten om het zeil over het ‘gat’ enigszins te ondersteunen. Anders zou het bij regenachtig weer waarschijnlijk erg gaan doorhangen.

En tenslotte hebben we met ons tweeën het zeil van binnenuit over het dak geduwd, verdeeld, uitgerold en rondom vastgezet met goedkope ‘spinnen’ van de Action.

Een echte stormvaste oplossing is dit nog niet, daar moeten we nog even over nadenken. Vastschroeven van het zeil met latten kan in elk geval niet. De planken van de schuur zijn zó rot, dat je die latten eenvoudigweg nergens aan vast kunt schroeven. Maar in ieder geval is er voorlopig weer een droog plekje gecreëerd.

Intussen heeft Joris de isolatie en wapening aangebracht voor  de vloer van de nieuwe werkplaats. Het pak isolatie (piepschuim) is dikker geworden dan we oorspronkelijk van plan waren. Maar de aannemer wilde liever dat de vloer gelijk werd met de gemetselde muurtjes, in plaats van 8 cm eronder. Hij gaat de betonvloer namelijk afvlinderen en het schijnt te kunnen gebeuren dat je dan met het zware, ronddraaiende vlinderapparaat tegen de muur tikt, er een steen uit breekt en de hele halfharde betonmassa naar buiten loopt. Dus hebben we er nóg maar eens 8 cm piepschuim onder gestopt. Er zit nu haast 30 cm piepschuim onder het beton. Mochten we ooit besluiten om vloerverwarming in de werkplaats te leggen, dan moet dat geen probleem zijn…

Beren en schapen, metselaars en moestuinbakken

“Zeg, het laatste bericht op je blog is al weer vier weken oud! Gaat het wel goed bij jullie?”

Ja hoor, het gaat best goed. Maar wat we echt nodig hebben is even een paar weken rustig, warm en zonnig lenteweer. En dat laat zo lang op zich wachten…

Volgens onze aanvankelijke (optimistische) planning zouden we de boerderij en de stal nu al aan het afbreken zijn. Maar dat kan pas als de werkplaats is gebouwd. We hebben nu eenmaal nog best veel spullen opgeslagen op de drogere plekken in het huisje en de stal en die moeten we wel weer onder een droog dak kunnen neerzetten. Maar met de werkplaats schiet het niet zo op.

Eigenlijk willen we zoveel mogelijk zelf doen. Maar recht metselen is niet echt mijn forte (ik kan wel metselen, maar mijn specialiteit zijn rustiek golvende tuinmuurtjes) . En het is toch wel heel fijn als de fundering goed in elkaar zit. Daarom zou een lokale aannemer de fundering komen metselen. Maar dat moest tot twee keer toe worden uitgesteld vanwege het weer.

Begin maart kregen we de eerste driedaagse poolstorm (‘Siberische beer’, is geloof ik de populair-meteorologische term). Er zijn toen ook de nodige stukken van daken afgewaaid. Dus zowel in de keuken, de stal als de ‘zuidschuur’ kan de regen nu ongehinderd binnenplenzen. Op zich niet zo erg (er zijn genoeg droge plekken waar onze spullen staan), maar het werkt wel ontmoedigend. En net toen de aannemer zou komen kwam de tweede Siberische beer op bezoek.

Die richtte betrekkelijk weinig nieuwe schade aan (nou ja, mijn al uitgeplante tuinbonen vonden het niet leuk), maar zorgde wel opnieuw voor uitstel van het metselwerk. Dat is afgelopen week eindelijk uitgevoerd. Voor dit Paasweekend staat het aanbrengen van de vloerisolatie op het programma en dan kan volgende week de betonvloer gestort. Daarop kunnen we dan verder bouwen in houtskeletbouw.

Leuk is dat we sinds een paar dagen schapen in de ‘tuin’ hebben. Een dorpsgenoot heeft schapen. Maar die hadden het gras waar ze op staan helemaal op. Ons gras heeft dankzij het natte en zachte najaar vorig jaar nog lang kunnen doorgroeien. Dus daar kunnen best wat schaapjes van mee-eten. Omdat de meeste ooien nu moeten lammeren hebben we enkel een paar ‘enters'(jonge schapen van vorig jaar) te logeren. Gezellig. Ons hondje moet er even aan wennen. Maar ze heeft inmiddels door wat schrikdraadhekken zijn…

En de afgelopen weken heb ik hard doorgewerkt aan de moestuin. Met de afgedankte vlonderplanken van een andere dorpsgenoot heb ik nu in totaal 12 moestuinbakken aangelegd. En daartussen paden waarvoor ik álle 7 m3 houtsnippers heb gezeefd.

De opbouw van de ‘afdeklaag’, die het kweek en gras moet verstikken, verschilt een beetje. In alle bakken ligt karton over de grasmat. In sommige bakken ligt daarop een laag gesnipperde takken en bladeren, met daar overheen een laag hooi.  Daar bovenop stort ik compost. De bedoeling is dat de moestuinplanten, gebruik makend van zonne-energie, hun wortels door de compost heen de laag hooi-snippers-en-karton en de grond eronder in sturen. Terwijl het gras niet door het karton heen komt bij gebrek aan zonlicht, uiteindelijk afsterft en door het bodemleven wordt omgezet in humus. Een klein risico daarbij is, dat het materiaal van de de hooi- en snipperlaag teveel zuurstof aan de grond gaat onttrekken tijdens het verteren.

In de meest recent aangelegde bakken heb ik daarom compost gestort direct op het karton. Maar dat schept een ander risico: namelijk dat het kweekgras toch door het karton heen komt, zijn blaadjes en stengels in luttele dagen door de voedselrijke compostlaag heen werkt en vervolgens, met zijn wortels diep in de grond, welig gaat tieren op die vruchtbare ondergrond. We gaan het beleven…

In ieder geval zijn eindelijk mijn bestelde zaden en pootaardappelen aangekomen. Dus behalve de werkplaatsvloer voorbereiden en het kapotte dak van de ‘zuidschuur’ repareren met een zeil  zal er dit Paasweekend ook veel gezaaid worden. Hoop ik tenminste, want de griep die half Nederland in zijn greep heeft lijkt mij nu ook te pakken te hebben…

 

 

Koning Winter

Denk je dat je alles gehad hebt, krijg je op de eerste dagen van maart opeens nog een poolstorm over je heen. Alsof de natuur zich ineens realiseerde dat het al bijna lente was en dat de temperatuur tot januari nog een beetje was blijven steken in de herfst. En dat de hele winterkou dus even geconcentreerd in vijf dagen moest worden opgebruikt.

Afgelopen week was één groot gevecht. Met bevroren waterleidingen die ontdooid moesten worden met de verfföhn (anderhalf uur werk), opnieuw bevroren terwijl ik ze van warmtekabels voorzag (vijf uur werk), die toen ze ontdooid waren tóch gesprongen bleken te zijn, zodat Joris om 21.00 bij een gevoelstemperatuur van -20 op zijn buik in het water snelkoppelingen lag te repareren. Met waterleidingen, afvoeren, gasflessen  en de wasmachine die nog dagenlang bevroren bleven (zelfs mèt warmtekabels). Met eindeloos keteltjes water koken om de drinkbakjes van de kippen te ontdooien. Met de warmwaterkraan die nog openstond boven de bevroren afvoer… en de kraan ontdooide het eerst, terwijl ik elders bezig was. Met het dak van de zuidschuur, dat ik nu eindelijk had afgemaakt, maar waarvan het originele deel  niet bestand bleek tegen windkracht 7 uit het oosten. Het is niet het enige dak was sneuvelde: ook van de stal zijn weer wat stukjes afgewaaid.

En toen… draaide de wind. En hij nam in kracht af. En plotseling was het lente. Liep ik op zaterdag nog met 7 lagen wol en fleece aan door de poolwind, op zondag kon ik opeens met een T-shirt en een dunne trui volstaan (en een overall, dat dan weer wel).  Het deed me denken aan het prachtige gedicht van Lilja Rogers:

First a howling blizzard woke us

Then the rain came down to soak us

And now, before the eye can focus –

Crocus

Helaas heb ik afgelopen najaar nog geen krokusbolletjes geplant. Daar moet ik komend jaar maar in voorzien, want mijn bijen komen ook opeens weer uit hun kast en verlangen hevig naar stuifmeel van de ‘croci’.