Geconserveerde eieren

Van het voorjaar heb ik – bij wijze van experiment – eieren ingelegd in kalkwater, gedurende de korte periode dat de kippen veel legden. Niet al te veel eieren: om te beginnen moesten ze schoon zijn maar je mocht ze niet wassen. Dus als ze niet brandschoon uit het hok kwamen waren ze niet geschikt voor conservering. En daarnaast vroeg ik me toch af of het echt zou werken. Ik had er nog nooit van gehoord, dat kalkwater. En ten derde had ik gewoon niet zo heel veel geschikte potten.

Het handigst zijn potten met een schroefdeksel. Maar ze moeten natuurlijk wel groot genoeg zijn dat je er meer dan vier of vijf eieren in kwijt kan. Ik had maar één jumbo-augurkenpot. Daarom heb ik ook twee van de oude weckpotten gevuld die ik hier in de kelder vond. Maar daar heb ik geen rubbers en klemmen bij (die bestaan ook niet meer van dat merk, weet ik intussen. Had ik niet moeten weggooien dus.) Dus daar lag een dekseltje los op. Vond ik niet heel relaxed. Je zult maar eens per ongeluk zo’n pot omstoten. We hebben de afgelopen maanden dus ettelijke mega-potten met augurken leeggegeten.

Uiteindelijk had ik drie potten met zo’n 15 eieren per stuk. En het goede nieuws is: het werkt! De eieren ruiken niet en ze zijn (na meer dan een half jaar!) nog prima te gebruiken in gebak, hartige taart en dergelijke. Voor een gekookt of gebakken eitje op brood vind ik ze minder geschikt, de dooier is wat ‘los’ geworden. Maar ze zijn nog steeds lekkerder dan eieren uit de supermarkt. En hoeveel voldoening geeft het om de opbrengst van je eigen erf – zonder elektriciteit!- te kunnen conserveren!

Helaas zijn we nu al aan de laatste eieren bezig. Het wordt dus hoog tijd dat de dames weer gaan leggen . Daar zijn ze al een maand of twee geleden mee gestopt omdat ze allemaal in de rui kwamen. Eigenlijk vind ik dat die vakantie nu wel lang genoeg heeft geduurd. Maar ja, dat leggen is daglicht-gestuurd, dus we zullen nog wel een maandje geduld moeten hebben…

Het laatste beton! (voorlopig…)

Op 4 november is eindelijk het laatste beton in de fundering gestort: de opstaande rand. Ooit komt er nog een laag schuimbeton op de vloer, plus een cementdekvloer, maar dat gaat nog even duren.

Ze konden met de grote pomp nèt niet bij de uiterste hoek van het huis komen, daar moest ik met een kruiwagentje te hulp schieten. Maar het is gelukt!

De bekisting heeft al met al een stuk langer open gelegen dan we hadden gewild. De platen zijn dan ook niet kaarsrecht meer. Jammer.

En nu mag dus – eindelijk – de bekisting er weer af. Nog een heel werk, wan de afgelopen drie maanden zijn daar steeds meer balkjes, planken, spijkers en schroeven in verwerkt. Ik doe mijn best om het weer netjes uit elkaar te halen.

Intussen zijn we al bezig met de voorbereidingen van het dak. We gaan nog niet alle isolatie aanbrengen en ook nog geen dakramen, dakdoorvoeren etcetera. Eerst alléén de buitenlaag van houtvezelplaat op de sporen, daarop panlatten en de dakpannen. Dakkapel, dakramen etc. komen daarna, als we ook de ruimte tussen de sporen gaan opvullen met vlaswol. Het is weliswaar wat lastiger om dat van binnenuit te doen, maar het natte halfjaar is weer aangebroken en we willen het nu eerst overdekt hebben. Nu de betonrand gestort is, kan het regenwater wat ín het huis valt namelijk niet meer weg. En dus staat de kelder intussen halfvol regenwater. Dat door uitgespoeld looizuur uit het eikenhout diepzwart geworden is. Kopje koffie – iemand?

Dat wordt straks nog vervelend, als we die kelder gaan schilderen. Toch maar betegelen dan?

Kaas 2

Van sommige mensen kreeg ik de reactie dat ze het veel leuker vinden om over kaas maken te lezen dan over de bouw.  Dus speciaal voor die lezers een blogje over de kaas. De afgelopen weken gaven de schapen namelijk slóten met melk. En dè manier om melk te conserveren is kaas maken. Maar per keer kan ik maar 5 liter verwerken. Dat worden twee kaasjes van een pond. Eén van een kilo zou ook kunnen, maar daar heb ik geen vorm voor.

(Van Dorien en Jaap mocht ik wel een grotere kaasvorm lenen. Maar die was zo groot dat ik eigenlijk wel 15 liter tegelijk moest verwerken. Ik had 12 liter gebruikt (meer kon ik niet opsparen, de vriezer was vol). Was al een heel gedoe, ik moest er ook een grotere (weck)pan voor lenen. En die paste niet in de gootsteen. Dus werd de keukentafel ook bij de kaasmaakruimte betrokken. Alles kwam vol te staan en stond in de weg. En overal wei over de vloer. En uiteindelijk had ik toch onvoldoende wrongel om de kaas goed te kunnen persen. Of het wat geworden is? Dat weten we over twee weken. Voorlopig houd ik me even bij twee pondskaasjes per keer.)

Dat worden dan ‘Goudse’ kaasjes. Daarnaast heb ik ook al geëxperimenteerd met verse kaas (naturel en met kruiden), Roquefort (mag niet zo heten omdat het niet in Roquefort gemaakt is. Nou ja, Hoevefort dan) en Halloumi (een Cypriotische kaas die niet smelt bij verhitting en die je daardoor ook goed kunt bakken – mmm). Maar de basis is voor mij ‘Goudse’. Wat wij Nederlanders ‘gewone’ kaas noemen. Zo gewoon is het niet. Goudse kaas is een kwalitatief prachtig product. Om dat te bereiken moet je wel wat doen. Vooral als je improviseert in een stacaravankeukentje.

Om te beginnen moet alles brandschoon zijn. Alle gereedschap, je handen, je armen, je werkvlak en natuurlijk de melk. Ik melk twee keer per dag in een maatbeker. Na het melken was ik die af met een speciale afwasborstel en heet water en afwasmiddel. Ik spoel hem na met kokend water en laat hem zonder af te drogen (want wie weet wat er allemaal aan een theedoek zit?!) omgekeerd drogen op een ontsmet rvs blaadje. Net als de emmertjes en potjes  waarin ik de melk meeneem, het zeefje waardoor ik de melk zeef  en de diepvriesdozen waarin ik de melk invries om op te sparen.

Invriezen gaat erg goed bij schapenmelk. Dat komt doordat het erg vette melk is en de melk in heel kleine bolletjes door de melk verdeeld is.

Als ik genoeg melk heb en mijn agenda heb leeg geveegd voor Kaasmaakdag begint het: melk verwarmen tot 32 graden.  (Eerst de soeppan met kokend water steriliseren natuurlijk). 

Intussen ontsmet ik al het gereedschap: kaasvormen, kaasdoek, maatlepels, een pollepel, een schuimspaan, een zeef, een mes om de wrongel te snijden, de thermometer  en natuurlijk het werkblad (ik heb welgeteld 60 cm werkblad tot mijn beschikking). Het meeste kan worden uitgekookt in mijn op één na grootste pan. De thermometer  en mijn handen gaan in een badje met een scheut bleekwater.

Als de melk warm genoeg is (thermometer uit bleekwater, handen ontsmetten, handen en thermometer afspoelen) kan het ‘zuursel’ erbij. Dat zijn de juiste melkzuurbacteriën. Je koopt ze in een pakje, maar dan zitten ze in een soort slaapstand. Om ze actief te maken moet ik eerst een ‘moedercultuur’ kweken, door één liter melk een dag lang te laten verzuren en daarna nog een dag te laten rijpen. De aangezuurde melk vries ik vervolgens in in ijsblokjeszakjes. Zo kan ik steeds de juiste hoeveelheid zuursel pakken.

Nu eerst drie kwartier laten aanzuren. Daarna kan het stremsel erbij. Dat maakt dat de melk gaat stremmen: een puddingachtige consistentie krijgt. Dat komt doordat de eiwitten in de melk in elkaar gaan haken.

Als ik echt zelfvoorzienend zou zijn, zou ik daarvoor de maag van een eigen lammetje gebruiken (dat alleen nog melk gedronken heeft). Maar voorlopig koop ik het gewoon in een flesje. Weet je ook meteen waarom het zo expliciet bij kaas staat als er ‘vegetarisch stremsel’ gebruikt is. ‘Echt’ stremsel is gemaakt van de maag van een jong dier.

Ontsmette maatlepels uit het kokend water vissen en een héél klein beetje stremsel precies afmeten. Daarna nog een minuut voorzichtig roeren met de ontsmette schuimspaan om te zorgen dat het stremsel goed door de melk verdeeld is.

Na weer drie kwartier is de melk gestremd. Het lijkt een beetje op zachte tofu. Nu begint het echte kaasmaken. Met het ontsmette mes (mijn oma’s oude vleesmes) en nadat ik zorgvuldig mijn handen en armen heb ontsmet snijd ik het voorzichtig in blokjes.

 

Daarbij begint de ‘wei’ uit de wrongel te treden. Dit moet voorzichtig gebeuren zodat de stukjes wrongel wel heel blijven. Anders gaat er teveel kaas verloren met de wei.

Nu is het een soort zachte Hüttekäse. Om de wrongel steviger te maken moet ik nu ongeveer de helft van de wei aftappen (die bewaar ik, dan staat er dus een kom met 2 liter wei op het aanrecht. Dat begint al aardig vol te worden…)

Hierbij schep ik onvermijdelijk wat wrongel mee. Dat kieper ik weer terug maar het is van belang dat de wrongel hierbij niet mag afkoelen.

Nu ga ik de wrongel voorzichtig verwarmen door heet water toe te voegen. Deze foto’s geven al een beeld hoe lastig het is de thermometer uit het bleekwater te pakken, af te spoelen zonder dat er chloor in de wrongel komt en vervolgens de wrongel voorzichtig in beweging te houden terwijl ik langzaam water toevoeg. De temperatuur moet op precies 35 graden uitkomen.

Daarna roer ik met de hand een half uur continu langzaam in de wrongel. De brokjes worden steviger en kleiner doordat de wei uittreedt. Dat moet wel geleidelijk gebeuren, anders krijg je brokkelige rubberige kaas.

En dan begint het Grote Geklieder: het vullen van de kaasvormen. Eerst kaasdoek erin. Het vullen moet eigenlijk ‘onder de wei’  gebeuren, maar dat is met deze hoeveelheden bijna niet te doen. De vormpjes worden overvol, omdat er nog heel wat lucht en vocht uit geperst moet worden.

Een hoop geklieder later staan de twee vormpjes onder de pers (die ik ook van Jaap en Dorien mocht lenen). Ik moet wel nog eens een beter contragewicht maken. De vormpjes moeten EXACT gecentreerd staan, anders worden ze scheef geperst, met als gevolg dat de kaasjes onder de pers uit glippen en mijn pannen stuk vallen op de grond. Ik durf er dus niet bij weg.

Komt goed uit, want terwijl de kaas perst, is er nog een ander klusje (behalve alle rommel opruimen). In de wei zit nog vrij veel caseïne. Door de wei te verhitten gaat ook die samenklonteren en kan je het er in een kaasdoek uit zeven. Dan heb je ricotta!

Voor verhitting: groen-gele wei

Als je het verhit zie je de witte ricotta ontstaan

Door een kaasdoek gieten. Niet morsen! Het druipt maar langzaam uit, dus een paar keer bijgieten.

Na drie kwartier persen kunnen de kaasjes gekeerd in de vorm (eerst handen opnieuw ontsmetten!)  en opnieuw onder de pers. Als de korst nog niet goed genoeg gesloten is verwarm ik ze nog even in de wei van het ricotta maken.

Het ricotta maken doe ik in twee fasen: eerst de eerste (onverdunde) wei. Wat daarvan overblijft bewaar ik weer, om bij het koken te gebruiken. Prima om pasta in te koken, pannenkoeken of weicake mee te bakken of soepen en sauzen mee te maken. De ‘tweede wei’, die dus verdund is met heet water, gaat na het ricotta maken naar de dieren. De hond, de katten en de kippen lusten het allemaal. En als er dan nog overblijft breng ik het naar de varkens van de Bouwhoeve, hier vlakbij.

Het uitlekken duurt lang en intussen is er nergens ruimte meer. In de douche gaat het prima en kan gemorste wei geen kwaad. Raad eens wat er dus nog meer van tevoren moet worden schoongemaakt? 😉

En dan heb je dus kaas. Die moet even ‘rechten’ (=rusten, waarbij de zuurselbacteriën nog steeds door werken), en daarna zeven uur in een pekelbadje. Halverwege de pekelduur keren! (Ik ben er al een paar keer midden in de nacht voor uit bed gekomen…)

Dan voorzichtig laten drogen en rijpen. Elke dag controleren en keren. Zo nodig schimmel wegpoetsen met azijn. Na een paar dagen kan je kaascoating gaan aanbrengen. Iedere dag een laagje. Op de foto hieronder zijn de onderste twee (kruiden)kaasjes nog niet gecoat, de bovenste twee wel.

En na ál dit werk, en ál dat schoonmaken en schoonhouden en opletten, heb je kaas! En wat ben je dan trots als je bezoek bij de lunch een stukje Eigen Kaas kunt aanbieden!  🙂

Op de foto: één grote  ‘Goudse’ en een aantal kleine, ‘Goudse’ met kruiden, verse kaas met en zonder kruiden en helemaal links een Roquefort Hoevefort die normaal gesproken in zijn eigen (héél goed afgesloten) bakje ligt te schimmelen. De Halloumi ben ik vergeten op dit staatsieportret, die zit nog in de vriezer.  Glaasje zelfgemaakte pastinaakwijn erbij?

De hoogte in – dag 3

De derde dag was ik niet thuis. De mannen hebben de rest van de sporen erop gezet. En als je dan weer het landgoed op rijdt, staat daar opeens een huis!

WOW!

Het hele erf voelt anders aan: de nieuwe constructie geeft opeens structuur en richting. Wat zijn we blij!

De volgende stap is het afmaken van de betonfundering (die opstaande rand moet nog). De bekisting heeft erg geleden van de vele weken uitstel in de regen. Da’s dan weer jammer.  Tja, als het niet kan zoals het moet… Maar de basis is er!

 

De hoogte in – dag 2

Dinsdag stond de kapconstructie op het programma. Dat was zo mogelijk nóg spectaculairder dan de begane grond.

De spanten werden weer op de grond gemonteerd.

En dan in hun geheel de hoogte in.

Zó hoog wordt het dus!

En het tweede spant. We zijn trouwens héél blij dat we dit hebben uitbesteed. Zelf hadden we er véél langer over gedaan. En we moeten niet denken aan het risico dat er iets zou omvallen. Ik had dit nooit aangedurfd, dat zware spant wat maar met twee lullige latjes vast stond. Maar deze mannen hebben duidelijk al vaker met de constructies van Oude Hengel gewerkt.

Het zijn trouwens ook echt super fijne bouwvakkers. Ze houden de bouwplaats extreem netjes, er slingert niets rond. En ze hebben geen radio 🙂 .

De nokbalk bestaat uit drie delen. Twee zitten er vast aan de spanten en het derde deel wordt er pas op het laatst tussen geplaatst. Prachtig, zo’n bouwpakket!

Na het plaatsen van de hoekkepers is het achterste deel van de constructie ‘klaar’.  De mannen verplaatsen de kraan en zetten het voorste portaal op zijn plek. Dan weer de moer- en kinderbalken aanbrengen in het voorste gedeelte. 

Bij het aanbrengen van de balklaag in het voorste gedeelte waren alle mannen bezet. Dus kon ik zowaar een handje meehelpen met het in de hijs hangen van de balken. Vonden de mannen erg grappig… 😉

Daarna werden de hoekkepers aan de voorkant geplaatst en kwam de vorm van het huis echt tevoorschijn.

En dan het sluitstuk: het plaatsen van de nokbalk!

En ineens staat het hele huis er, alsof het zomaar getekend is!

En als de eerste sporen erop staan is het hoogste punt bereikt! Nou ja, niet helemaal, er komt nog een laag isolatie op en dakpannen natuurlijk. Maar wel het hoogste punt van de constructie. Dus: boompje erop en traditioneel ‘pannenbier’. Met worst.  Werd gewaardeerd door de mannen :-).

En het eindbeeld van de tweede dag. Jammer van de regen…

De hoogte in – dag 1

Firma Oude Hengel had binnen een week nieuwe balken op maat gezaagd. En maandag ging het dus echt de hoogte in. Spectaculair!

Het gebint bestaat uit vier portalen van ieder drie staanders. Eerst plaatsen de mannen de achterste drie portalen. Het voorste portaal is op deze foto  wel gemonteerd en alvast neergezet, maar de kraan kon niet de totale lengte van het huis bereiken. Dus eerst werd de achterkant zoveel mogelijk afgemaakt, toen werd de kraan opnieuw opgesteld en werd ook de voorkant gemaakt.  De liggers over de breedte zijn 9 m lang!

De portalen worden verbonden met lengtebalken,m waar de balklaag voor de verdieping op rust. Volgens mij heet dit ‘moer- en kinderbalken.’

 

Het past allemaal precies in elkaar. En waar het niet helemaal past wordt de grote houten hamer gebruikt tot het wel past.

Het is heel spectaculair om de gigantisch zware balken over je hoofd door de lucht te zien zweven op weg naar hun bestemming.

En aan het eind van de dag kon je al een beetje zien hoe de boerderij eruit zou gaan zien.

Gebintgedoe

En maandag was dus De Dag Dat We De Hoogte In Gingen! Irritant genoeg had de time-lapse camera het net begeven. Teveel regen, waarschijnlijk. Joris heeft ‘m weer aan de praat gekregen en opnieuw veilig droog opgesteld achter het zolderraam van de werkplaats.

Het gebint wordt het dragend skelet van ons huis. Heel belangrijk dus. Daarom hebben we besloten het plaatsen niet zelf te doen, maar ervaren gebintmannen via fa. Oude Hengel (die het gebint levert) in te schakelen.

De mannen moesten uit Duitsland komen en de snelwegen stonden vol met boze boeren (waarover ik ook een heel blog vol zou kunnen schrijven, maar dat is een beetje off-topic).  Dus ze begonnen wat later.

Maar toen ging het eigenlijk bijzonder snel. Ze hadden duidelijk vaker met zo’n bouwpakket van doen gehad. Met behulp van de kraan de onderdelen op werkbankjes hijsen, in elkaar zetten en met de kraan op zijn plaats manoeuvreren. In no time stond het eerste portaal overeind.  En het tweede. En het derde. En toen begonnen ze aan de balklaag voor de verdieping. “Waarschijnlijk kunnen we morgen al de kap erop maken”, zeiden ze.

Spannend! Opeens kreeg het huis vorm om ons heen. Hoewel…

“Ik vraag me af hoe hoog het nu eigenlijk wordt”, zei Joris. Er moet namelijk ook nog een laag schuimbeton op de vloer, plus de cementdekvloer en de afwerkvloer (tegels of parket). Dus we hadden verwacht dat het nu overdreven hoog zou ogen. “Het lijkt helemaal niet zo hoog.”

Ik stond intussen peinzend te kijken naar de dakhelling, die in het gebint ook al goed zichtbaar wordt, en trok die in gedachten door naar de plaats waar de buitenmuur komt. Bleef er wel voldoende ruimte over voor de buitendeuren? (Bouwbesluit verplicht 2.12 m vrije doorgang).

Rolmaat erbij gepakt, opgemeten, tekeningen gecheckt, andere tekeningen gecheckt, het Sketchup model gecheckt… en inderdaad. We hebben de tekeningen in april geaccordeerd. Daarna is er een wijziging aangebracht: toen zijn de metalen pootjes eronder toegevoegd. Die dienen enkel als stevige verankering van het gebint aan de constructieve betonlaag. Maar daarbij is de hoogte van de metalen pootjes van de lengte van de staanders afgetrokken. Alsof de metalen pootjes in het zicht zouden moeten blijven bóven de afgewerkte vloer. Dat was natuurlijk níet de bedoeling.

Na een middag heel druk heen en weer bellen was duidelijk dat er nieuwe kolommen gezaagd zullen moeten worden. Wat zonde! Probeer je zo zuinig mogelijk met grondstoffen om te gaan, krijg je dit. Maar er zit niets anders op. Dus de bouwvakkers konden weer naar huis (en Joris weer naar zijn werk). Het gebint staat nu veelbelovend te wezen… volgende week verder!

Gebint gearriveerd!

Vorige week werden we opeens gebeld dat de fa. Oude Hengel het gebint een week eerder moest komen plaatsen. Op zich prima. Alleen de opstaande rand van het beton is nog niet gemaakt, dus we hopen dat de gebintbouwers een beetje voorzichtig met de bekisting kunnen omgaan.

Dat betekende wel dat we snel moesten uitmeten wáár precies de gebintpalen komen te staan. Die palen worden geplaatst op metalen voetjes, die met chemische ankers aan de laag constructiebeton vastzitten. We moesten dus (op de cm nauwkeurig) uitmeten wáár die voetjes moesten komen.

(Eigenlijk was de afspraak dat het gebint pas gezaagd zou worden nádat wij die voetjes op hun plek hadden staan. Zodat ze rekening konden houden met een centimeter afwijking hier of daar. Maar ja, dat ging dus even anders…)

Het lijkt iets wat je ‘even’ doet, maar geheel naar verwachting kostte het ons ruim een halve dag voor alle voetjes exact op de juiste plek stonden. Meten, nog eens meten, alles lijkt te kloppen, diagonale controlemeting: 6 cm afwijking… opnieuw meten…drie lengtes op een rij die afzonderlijk allemaal kloppen maar in totaal niet…etc.

Daarna stonden de voetjes in de stromende regen, de fundering was een waar zwembad. Woensdag moesten we het water met dweilen en een bladblazer zoveel mogelijk wegwerken zodat de aannemer en Joris ze met chemische ankers konden vastzetten.

En donderdag werd het gebint gebracht! De vrachtwagen kon natuurlijk niet de 3 m brede Ratellaan op, dus we hadden Bert en zijn kraan weer gecharterd om de gebinten naar ons erf te brengen. Alleen had Bert niet helemaal van ons begrepen om hoeveel hout het ging… Het was namelijk niet alleen het gebint zelf (heel veel loodzwaar eikenhout), maar óók de dakconstructie.

Hulde aan Bert, die snel een tweede platte kar regelde en er (met de nodige zweetdruppels!) in slaagde om alle 15 ton hout op ons erf te krijgen. De bochten in ons pad zijn niet makkelijk, met dit soort groot en zwaar materieel!

En zwaar is het: de 15 ton zware kraan kan de 9 meter lange gebintbalken maar net tillen. Hij kantelt erbij!

En daar ligt dan het bouwpakket wat ons huis moet worden. Spannend hoor!

 

… en nog meer beton!

Na het vorige  weekend betonvlechten lag de bekisting er prachtig bij. Eigenlijk had er toen meteen beton in gekund. Maar de betonleverancier kon pas op vrijdag. En op donderdag kregen we te horen dat er op vrijdag ook geen pompauto beschikbaar was. Dus het werd maandag. En dat was jammer.

Want intussen was het gaan regenen. Héél veel regen.  En de bekisting, die immers tijdelijk is, is gemaakt van platen multiplex, die vervormen als ze (te) nat worden. We hadden hem supernetjes en superstrak gemaakt, maar toen het beton eenmaal werd gestort was dat niet meer zo.  Voor de stevigheid zal het weinig uitmaken, maar de randen van het beton zijn wel een beetje minder strak. Dat kan bij de volgende stappen lastiger werken zijn, waardoor kleine koudebruggen kunnen ontstaan. Helaas…

Maar goed, op maandag was dan eindelijk de pompauto er. Dat er een heel zwembad aan water binnen de bekisting lag maakt voor het beton niet uit: dat is zwaar genoeg om het water weg te drukken. Alfred heeft het met de trilspaan netjes glad gemaakt. Dat is wel prettig, want dit is de vloer waarop we voorlopig gaan bouwen. Hierboven komt nóg een laag schuimbeton en een cementdekvloer, maar dat komt pas als  het huis en de muren staan.

Nog meer betonstaal…

Afgelopen weekend hebben we enorm hard gewerkt. Bovenop het schuimbeton komt de laag gewapend beton, de eigenlijke constructief dragende laag. Die wordt iets kleiner dan de laag schuimbeton (het schuimbeton steekt een paar decimeter onder het huis uit) dus daarvoor moest een nieuwe bekisting gemaakt worden. Eigenlijk was het plan om daarvoor de platen die we voor het schuimbeton hebben gebruikt opnieuw te gebruiken. Maar we wisten niet goed hoe we de bekisting dan konden vastzetten. Uiteindelijk toch maar nieuwe platen gekocht. We zullen ze nog wel een keer nodig hebben tijdens de bouw…

De architect en de constructeur hebben ons voor flinke uitdagingen gesteld in deze laag. Het is namelijk niet gewoon een 13 cm dikke betonplaat. Ter plaatse van de staanders van het gebint en van onze zware leemkachel moet de laag 20 cm dik zijn – dus 7 cm onder de bovenkant van het schuimbeton, met een tweede wapeningsnet erin. En rondom moet een extra opstaande gewapende rand komen. (Daarbinnen zal uiteindelijk de laatste laag schuimbeton gestort worden, maar dat gebeurt pas over een héle tijd).

Die extra verzwaring ter plaatse van de staanders en de leemkachel, daar gaan we wel in mee. Tenslotte draagt het gebint het hele gebouw en de kachel weegt ook wel een paar ton. Maar de opstaande betonrand onder de muur begrijpen we eigenlijk niet. De buitenmuren worden namelijk niet dragend. En houtskeletbouw met kalkhennep isolatie, dat weegt (in termen van bouwwerken) bijna niets. Is de constructeur toch uitgegaan van een bakstenen muur?

(Dat is dus iets waar we vragen over hadden moeten stellen toen we vorig jaar de tekeningen van de constructeur terugkregen. Maar daar hadden we toen al drie maanden op zitten wachten en we waren al lang blij dat we door konden. We gingen er vanuit dat het zo zou zijn als we met de architect besproken hadden. En nu is de vergunning op deze manier verleend en moeten we het dus netjes op deze manier uitvoeren. Wat we dan maar doen. Jammer als je probeert zo min mogelijk staal en beton te gebruiken. Nou ja, de fundering wordt in ieder geval héél stevig. Dat is fijn als iemand over honderd jaar, als wij allang dood zijn, het huis nog eens wil verbouwen.)

Joris is begonnen met rondom planken vast te zetten die exact de buitenmaat van de betonnen rand volgen (plus 2 cm, omdat er nog platen tegenaan komen). Daarna heeft hij rondom balkjes exact op maat gezaagd (uit oude balken van de sloop) en tegen de ‘oude’ bekisting van het schuimbeton vastgezet. Daarbinnen hebben we samen de platen (de bekisting voor de betonnen rand dus) met de laserwaterpas op exact de juiste hoogte ingemeten. Nu is te zien tot waar het beton precies komt.

Daarna heeft hij de ‘kooiwapening’ voor de betonnen rand aangebracht, terwijl ik het schuimbeton ter plaatse van de geplande poeren 7 cm verdiepte. Dat was allebei erg zwaar werk. Het schuimbeton is een soort puimsteen, relatief zacht dus, maar ook weer niet zo zacht als zand. En het is lastig om de bodem van de uitdiepingen mooi vlak te krijgen. Eigenlijk zou het het makkelijkst zijn als je al tijdens het storten van het schuimbeton  uitsparingen kon maken met een soort zwevende bekisting. Maar het is natuurlijk  onmogelijk om dat goed en op de juiste plek te krijgen. ‘Gewoon wegscheppen’, zei de aannemer. Het levert een beeld op wat me aan een Pompeïaanse opgraving doet denken. En spierpijn.

Intussen worstelde Joris met meters en meters loodzwaar betonstaal. De kooiconstructie was gelukkig al voorgeproduceerd, maar de segmenten moesten natuurlijk wel rondom aan elkaar gezet en er moesten ook nog L-vormig stekken doorheen gestoken. Daarna moest alles aan elkaar gezet met ijzerdraadjes. En daarbij controleren of het staal nergens dichter dan 2 cm tegen de bekisting zit (dat zou zorgen voor onvoldoende betondekking en dus betonrot.)

Kortom, na het weekend waren we allebei blij dat er weer wat kantoorwerk te doen is. Volgend weekend nog één laag wapeningsnetten aanleggen en dan kan de constructieve betonlaag gestort.