Lente

En toen schoten de temperaturen ineens omhoog naar (hoog)zomerse waarden!  Nu bloeit de kers wel – het is één golvende, wiegende massa witte takken, gonzend van bijen en hommels. In het weiland knallen de paarden- en pinksterbloemen open en in de moestuin komen de kapucijners, peultjes en aardappelen op. Wat een paradijs!

Ik heb de kippen verplaatst naar een nieuw stukje, waar ze op het gras lopen. En meteen grote voorjaarsschoonmaak gehouden: het hele hok leeg gehaald, goed uitgezogen, van binnen schoon gemaakt met heet water en soda, nagespeeld met kokend water, alle kieren met de verfföhn droog gestoomd en alle kieren en houtwerk bestreken met een dikke laag witkalk. Hopelijk blijven we dan dit jaar verschoond van vieze bloedluis-uitbraken. De kippen lijken er wel tevreden mee.

Nadeel van de nieuwe plek is dat ze minder bosjes hebben om voor de buizerds te schuilen. Vorig jaar hebben we daar één kip aan verloren. Hopelijk houdt het feit dat wij nu dagelijks op het erf bezig zijn de  buizerds op enige afstand…

Kippenhok in ochtendmist en avondzon, romantisch onder de kersenbloesem

Er zijn kippen die het slechter hebben…

 

Het eerste jaar

Een jaar geleden kregen we de sleutels. Toen stond de kersenboom prachtig in bloei. In Japan schijnt de kersenbloesem symbool te zijn van een nieuw begin. En dat was het hier natuurlijk ook.

Door de late koude winter bloeit de kersenboom nu nog (net) niet. Maar nu de temperatuur de laatste dagen omhoog is geschoten spuit ook hier het groen overal uit de bomen en de grond. Het weiland wordt met de dag groener, iedere dag zijn er meer struiken met blaadjes, dagelijks gaan er meer paardenbloemen open en als je in het weiland even rondkijkt zie je de pinksterbloemen omhoog komen. Binnenkort kunnen we niet meer door de houtwal heen kijken.

Tijd voor de balans van het eerste jaar. Wat hebben we bereikt?

Vele kuubs schroot, hout, rommel en asbest zijn afgevoerd. Er zijn geen gebouwen met onbekende inhoud meer. De meeste (anorganische) rotzooi uit de houtwallen is opgeruimd (maar er moet nog heel veel prikkeldraad, overtollige braamstruiken en Amerikaanse vogelkers verwijderd worden).  Er zijn 34 fruitbomen, 20 grote lindebomen en 265 stuks autochtoon ‘bosplantsoen’ geplant. Er is een degelijk, breed pad aangelegd. Er is een nieuwe septic tank met helofytenfilter aangelegd (de rietplantjes moeten nog een beetje gaan groeien, we hopen dat het filter dit seizoen echt op gang komt). De fundering van de werkplaats staat als een huis.  De moestuin is aangelegd: uien, rode melde, goudsbloemen en slaplantjes staan al boven de grond.

En het belangrijkste: we hebben ons de plek ‘eigen’gemaakt. We kennen het erf nu goed. We weten waar er hoge en lage, natte en droge plekken in het land zitten, en we hebben een idee waardoor die zijn ontstaan. Afgezien van de grote houtwal (daar moeten we nog een beetje meer in rondstruinen), kennen we ook de houtwallen op ons terrein, de grote bomen en de ondergroei. We kennen de directe omgeving en we weten hoe die er in het verleden heeft uitgezien.

We hebben kennis gemaakt met onze buren en de andere mensen uit het dorp. We hebben een hondje, twee katten, één bijenvolk, twee loopeenden en vijf kippen. We hebben de winter doorstaan. We hebben internet, waterleiding, riolering en elektriciteit.

We hebben heel wat om blij mee te zijn!

Eén stap vooruit, twee stappen terug…

Vrijdag was het dan eindelijk zover: het beton van de werkplaats kon gestort worden. Joris moest werken, maar omdat het beton gepompt werd, in plaats van het met kruiwagens heen en weer te rijden,  moest het met drie personen wel lukken.  Om acht uur zou de aannemer komen.

Om negen uur belde ik maar eens. “Zeg, jullie zouden toch het beton komen storten?”

“Ja, om tien uur. Was dat niet doorgekomen?”

Om tien voor tien zag ik een grote betonwagen over de Ratellaan langs rijden . Door een sprintje te trekken door het weiland kon ik nog net voorkomen dat hij vast kwam te zitten in de oprit van de buren.

Maar toen hij eindelijk op het juiste adres was ging het snel. Met een gigantische pomp, die óver de bomen heen reikte, werd het beton rechtstreeks naar de werkplaats gepompt. In een kwartiertje zat de hele massa erin en kon de wagen weer wegrijden.

En toen ging het mis. Ondanks dat Joris, de beide aannemers en ikzelf   de chauffeur herhaaldelijk, mondeling èn schriftelijk hadden gewaarschuwd om NIET te keren op de rijplaten (want die zijn prima voor personenwagens, maar onvoldoende voor zware vrachtwagens) deed hij het toch. We zagen de rijplaten wegschuiven. “Goh”, dacht ik nog, wat komt daar een blubber onder vandaan.”

Maar het was geen gewone modder.

“Volgens mij is zijn brandstoftank geknapt!”riep de aannemer. We roken eraan. Geen benzine: het was de olie van de hydrauliek die inmiddels aan alle kanten uit de betonwagen spoot. Ik deed nog een poging om het spul op te dweilen, maar dat was letterlijk dweilen met de kraan open.

“Hoeveel liter olie zit er in zo’n wagen?” vroeg ik.

“Ja, toch wel een litertje of 300” zei de chauffeur. Die bleef er verder nogal rustig onder en belde het hoofdkantoor van Friesland Beton. Dat ze maar even met wat nieuw gebroken puin moesten komen om het pad schoon te maken. Over anderhalf uur zou er iemand komen.

Na twee uur belde ik maar eens.

“Goedemiddag. Er is hier vanmorgen een ongeluk gebeurd met een betonwagen waarvan de hydrauliek ontploft is.”

“Ja, daar heb ik wel iets van gehoord. Maar we sturen iemand om het op te ruimen hoor.”

“Maar kunt u zeggen wanneer die komt? Want er staan hier nu poelen olie op het land en op het pad en dat trekt nu wel mooi allemaal de grond in. Die grond wàs schoon – we hebben vorig jaar een bodemonderzoek gedaan. Maar als we straks gaan bouwen en de grond is vervuild zitten wij met de gebakken peren.”

“Nou mevrouw, poelen olie, u moet het niet groter maken dan het is. Ik heb die wagen hier gezien en zoveel olie is het niet. En ik kan ook op zo’n korte termijn niemand regelen.”

“Zal ik u even wat foto’s sturen?”

Dat hielp blijkbaar, evenals het feit dat de aannemer, op mijn verzoek, bevestigde dat het echt om een groot oppervlak ging wat vervuild was. Even later belde de voorman van de betoncentrale dat er een loonwerker aan kwam. Niet met anderhalve kuub puingranulaat, maar  met 12 kuub.

Maar toen die loonwerker halverwege de middag eindelijk arriveerde (die moest, met de trekker en de graafmachine, helemaal uit Heerenveen komen, je denkt: bel er dan ééntje bij ons in de buurt…)  verschoot hij een beetje en belde subiet de betoncentrale weer.

“Ja hoor eens, dit is veel groter dan je had aangegeven. Dat moet op de officiële wijze gesaneerd worden. Regel maar een vloeistofdichte container om die grond af te voeren.”

Goed, het eind van het liedje was dat we met ons allen tot half zes stonden te wachten tot de vloeistofdichte container er was. Alle vervuilde grond en puingranulaat is weg geschept en het pad is min of meer weer gerepareerd met een veel te grote berg puingranulaat. Jammer genoeg niet zo netjes en glad als het eerst was. Gelukkig was de grond nog vrij nat, waardoor de olie niet al te ver de grond in was getrokken.

Netto opbrengst van een heel lange dag vol wachten, telefoneren en veel ergernis: een berijdbaar, maar èrg hobbelig laatste stukje pad, grote kuilen aan weerszijden van het pad (waar het nu éindelijk weer wat groener begon te worden…) en een prachtige, spiegelglad gevlinderde betonvloer voor de werkplaats.

 

 

 

 

 

 

Zuidschuur

 

We hebben op ons land diverse schuren staan. Die hebben we allemaal een naam gegeven: de zuidschuur, de noordschuur, de westschuur en de stal. En dan was er nog de overkapping (inmiddels verwijderd) tussen de stal en de noordschuur, en het varkenskot.

Varkenskot en noordschuur

De westschuur heeft inmiddels moeten wijken; daar bouwen we nu de werkplaats. Zodra die afgebouwd is kunnen de spullen erin die nu nog in het huisje en de stal staan opgeslagen. Het huisje en de stal kunnen dan worden afgebroken zodat we daar het nieuwe huis kunnen bouwen. En als dát af is (als het ooit zover komt) kunnen we de noord- en de zuidschuur aanpakken. Die moeten in de tussentijd dus nog even blijven staan, zodat we er zaken in kunnen opslaan die enigszins tegen de elementen kunnen.

Zuidschuur, maart 2017

Maar bij de zuidschuur werd dat steeds problematischer. Die was al niet best, meer een soort kapschuur. Een gebint wat deels uit levende eiken bestaat (!), met een bekleding van oude planken, aluminium, verzinkt en glasvezel golfplaat, uitgehamerde stukken blik en heel veel asbest. In september is het deel van het dak en de ‘muren’ dat uit asbestplaten bestond er af gehaald. In de loop van de winter  heb ik de zijkanten weer dichtgezet met oude deuren en het dak aangeheeld met  stukken metaal en kunststof die vrij waren gekomen bij de afbraak van de westschuur en de overkapping. En nèt toen ik daarmee klaar was kwam de eerste ‘Siberische beer’ langs. Mijn eigen nieuwe-oude-golfplaten-dakje hield goed. Maar de noordoostenwind  dook daaronder door en scheurde de oude, bros geworden kunststof platen aan de andere kant er finaal uit.

Dat was lastig, want hoe repareer je dat? Je kunt het dak namelijk niet op, omdat het allemaal oude, wrakke brosse golfplaten zijn.  En aan de achterkant kan je er ook niet dichtbij komen, omdat daar een sloot loopt.  Een echt degelijke oplossing is zonde van het geld en de tijd – ooit moet daar een echt gebouwtje komen . Uiteindelijk besloten we er maar een zeil overheen te spannen. Dus dat was één van de klusjes voor het Paasweekend.

Stap 1 was het verwijderen van zoveel mogelijk van de dikke laag blad en takjes die zich op het dak had verzameld. Dat kostte nog veel moeite – het dak was toch wel groot en zoals gezegd kon ik er slecht bij.

Ook bij deze schuur zijn levende bomen domweg als staanders gebruikt
Het líjkt alsof de keukentrap op droge grond staat. Maar in feite staat hij in de sloot achter de schuur. De ‘droge grond’ is wat ik van het dak geveegd heb.

Daarna moest ik alle scherpe zaken op het dak verwijderen die door het zeil zouden kunnen heen prikken. Spijkers en schroeven lieten zich verwijderen of platslaan. Over de scherpe randen en hoeken  van de metalen golfplaten, waar die tegen de nokbalk getimmerd zitten, heb ik stukken oude dakgoot ondersteboven aangebracht. Door ze een beetje plat te duwen kon ik ze domweg aan de nokbalk vast schroeven en zorgden ze voor een mooie ronding, waar het zeil niet door beschadigd zou worden.  Echt heel leuk om te doen was het niet, want ik moest dat plat op mijn buik liggend op de nokbalk doen, met aan weerkanten niets dan wrakke golfplaten tussen mij en vier meter lager.

Stap 3 was het aanbrengen van een raamwerk van latten om het zeil over het ‘gat’ enigszins te ondersteunen. Anders zou het bij regenachtig weer waarschijnlijk erg gaan doorhangen.

En tenslotte hebben we met ons tweeën het zeil van binnenuit over het dak geduwd, verdeeld, uitgerold en rondom vastgezet met goedkope ‘spinnen’ van de Action.

Een echte stormvaste oplossing is dit nog niet, daar moeten we nog even over nadenken. Vastschroeven van het zeil met latten kan in elk geval niet. De planken van de schuur zijn zó rot, dat je die latten eenvoudigweg nergens aan vast kunt schroeven. Maar in ieder geval is er voorlopig weer een droog plekje gecreëerd.

Intussen heeft Joris de isolatie en wapening aangebracht voor  de vloer van de nieuwe werkplaats. Het pak isolatie (piepschuim) is dikker geworden dan we oorspronkelijk van plan waren. Maar de aannemer wilde liever dat de vloer gelijk werd met de gemetselde muurtjes, in plaats van 8 cm eronder. Hij gaat de betonvloer namelijk afvlinderen en het schijnt te kunnen gebeuren dat je dan met het zware, ronddraaiende vlinderapparaat tegen de muur tikt, er een steen uit breekt en de hele halfharde betonmassa naar buiten loopt. Dus hebben we er nóg maar eens 8 cm piepschuim onder gestopt. Er zit nu haast 30 cm piepschuim onder het beton. Mochten we ooit besluiten om vloerverwarming in de werkplaats te leggen, dan moet dat geen probleem zijn…

Beren en schapen, metselaars en moestuinbakken

“Zeg, het laatste bericht op je blog is al weer vier weken oud! Gaat het wel goed bij jullie?”

Ja hoor, het gaat best goed. Maar wat we echt nodig hebben is even een paar weken rustig, warm en zonnig lenteweer. En dat laat zo lang op zich wachten…

Volgens onze aanvankelijke (optimistische) planning zouden we de boerderij en de stal nu al aan het afbreken zijn. Maar dat kan pas als de werkplaats is gebouwd. We hebben nu eenmaal nog best veel spullen opgeslagen op de drogere plekken in het huisje en de stal en die moeten we wel weer onder een droog dak kunnen neerzetten. Maar met de werkplaats schiet het niet zo op.

Eigenlijk willen we zoveel mogelijk zelf doen. Maar recht metselen is niet echt mijn forte (ik kan wel metselen, maar mijn specialiteit zijn rustiek golvende tuinmuurtjes) . En het is toch wel heel fijn als de fundering goed in elkaar zit. Daarom zou een lokale aannemer de fundering komen metselen. Maar dat moest tot twee keer toe worden uitgesteld vanwege het weer.

Begin maart kregen we de eerste driedaagse poolstorm (‘Siberische beer’, is geloof ik de populair-meteorologische term). Er zijn toen ook de nodige stukken van daken afgewaaid. Dus zowel in de keuken, de stal als de ‘zuidschuur’ kan de regen nu ongehinderd binnenplenzen. Op zich niet zo erg (er zijn genoeg droge plekken waar onze spullen staan), maar het werkt wel ontmoedigend. En net toen de aannemer zou komen kwam de tweede Siberische beer op bezoek.

Die richtte betrekkelijk weinig nieuwe schade aan (nou ja, mijn al uitgeplante tuinbonen vonden het niet leuk), maar zorgde wel opnieuw voor uitstel van het metselwerk. Dat is afgelopen week eindelijk uitgevoerd. Voor dit Paasweekend staat het aanbrengen van de vloerisolatie op het programma en dan kan volgende week de betonvloer gestort. Daarop kunnen we dan verder bouwen in houtskeletbouw.

Leuk is dat we sinds een paar dagen schapen in de ‘tuin’ hebben. Een dorpsgenoot heeft schapen. Maar die hadden het gras waar ze op staan helemaal op. Ons gras heeft dankzij het natte en zachte najaar vorig jaar nog lang kunnen doorgroeien. Dus daar kunnen best wat schaapjes van mee-eten. Omdat de meeste ooien nu moeten lammeren hebben we enkel een paar ‘enters'(jonge schapen van vorig jaar) te logeren. Gezellig. Ons hondje moet er even aan wennen. Maar ze heeft inmiddels door wat schrikdraadhekken zijn…

En de afgelopen weken heb ik hard doorgewerkt aan de moestuin. Met de afgedankte vlonderplanken van een andere dorpsgenoot heb ik nu in totaal 12 moestuinbakken aangelegd. En daartussen paden waarvoor ik álle 7 m3 houtsnippers heb gezeefd.

De opbouw van de ‘afdeklaag’, die het kweek en gras moet verstikken, verschilt een beetje. In alle bakken ligt karton over de grasmat. In sommige bakken ligt daarop een laag gesnipperde takken en bladeren, met daar overheen een laag hooi.  Daar bovenop stort ik compost. De bedoeling is dat de moestuinplanten, gebruik makend van zonne-energie, hun wortels door de compost heen de laag hooi-snippers-en-karton en de grond eronder in sturen. Terwijl het gras niet door het karton heen komt bij gebrek aan zonlicht, uiteindelijk afsterft en door het bodemleven wordt omgezet in humus. Een klein risico daarbij is, dat het materiaal van de de hooi- en snipperlaag teveel zuurstof aan de grond gaat onttrekken tijdens het verteren.

In de meest recent aangelegde bakken heb ik daarom compost gestort direct op het karton. Maar dat schept een ander risico: namelijk dat het kweekgras toch door het karton heen komt, zijn blaadjes en stengels in luttele dagen door de voedselrijke compostlaag heen werkt en vervolgens, met zijn wortels diep in de grond, welig gaat tieren op die vruchtbare ondergrond. We gaan het beleven…

In ieder geval zijn eindelijk mijn bestelde zaden en pootaardappelen aangekomen. Dus behalve de werkplaatsvloer voorbereiden en het kapotte dak van de ‘zuidschuur’ repareren met een zeil  zal er dit Paasweekend ook veel gezaaid worden. Hoop ik tenminste, want de griep die half Nederland in zijn greep heeft lijkt mij nu ook te pakken te hebben…

 

 

Koning Winter

Denk je dat je alles gehad hebt, krijg je op de eerste dagen van maart opeens nog een poolstorm over je heen. Alsof de natuur zich ineens realiseerde dat het al bijna lente was en dat de temperatuur tot januari nog een beetje was blijven steken in de herfst. En dat de hele winterkou dus even geconcentreerd in vijf dagen moest worden opgebruikt.

Afgelopen week was één groot gevecht. Met bevroren waterleidingen die ontdooid moesten worden met de verfföhn (anderhalf uur werk), opnieuw bevroren terwijl ik ze van warmtekabels voorzag (vijf uur werk), die toen ze ontdooid waren tóch gesprongen bleken te zijn, zodat Joris om 21.00 bij een gevoelstemperatuur van -20 op zijn buik in het water snelkoppelingen lag te repareren. Met waterleidingen, afvoeren, gasflessen  en de wasmachine die nog dagenlang bevroren bleven (zelfs mèt warmtekabels). Met eindeloos keteltjes water koken om de drinkbakjes van de kippen te ontdooien. Met de warmwaterkraan die nog openstond boven de bevroren afvoer… en de kraan ontdooide het eerst, terwijl ik elders bezig was. Met het dak van de zuidschuur, dat ik nu eindelijk had afgemaakt, maar waarvan het originele deel  niet bestand bleek tegen windkracht 7 uit het oosten. Het is niet het enige dak was sneuvelde: ook van de stal zijn weer wat stukjes afgewaaid.

En toen… draaide de wind. En hij nam in kracht af. En plotseling was het lente. Liep ik op zaterdag nog met 7 lagen wol en fleece aan door de poolwind, op zondag kon ik opeens met een T-shirt en een dunne trui volstaan (en een overall, dat dan weer wel).  Het deed me denken aan het prachtige gedicht van Lilja Rogers:

First a howling blizzard woke us

Then the rain came down to soak us

And now, before the eye can focus –

Crocus

Helaas heb ik afgelopen najaar nog geen krokusbolletjes geplant. Daar moet ik komend jaar maar in voorzien, want mijn bijen komen ook opeens weer uit hun kast en verlangen hevig naar stuifmeel van de ‘croci’.

Landschapsbeheer

Het is heel koud. Maar nu de zon weer schijnt kunnen we weer genieten van het mooie landschap in De Hoeve. Hoewel onlangs weer bleek hoezeer dat landschap onder druk staat. En niet alleen vanuit wens tot bebouwing of intensief agrarisch gebruik. Maar gek genoeg ook vanuit het natuurbeschermingsbeleid.

Als je ‘ons’ deel van de Ratellaan afrijdt, kom je op de Jokweg. Tegenover je zag je dan een prachtige houtwal met een rij oude eiken, die tegen het zuidelijk deel van de Ratellaan aanliep. Dit plaatje is van Google Maps.

Helaas kan ik geen betere foto laten zien. Want toen ik er zondagochtend liep, zag ik opeens dit:

Zeven van de grote eiken waren gekapt. Vreemd. Gemeente Weststellingwerf heeft het landschap hoog in het vaandel staan. Zouden die zomaar toestemming geven om grote bomen te kappen? Navraag bij buren leerde, dat Landschapsbeheer Friesland er bij betrokken zou zijn. Die organisatie ken ik intussen redelijk goed.

Vorig jaar april, een week nadat we de sleutel van onze plek hier kregen, werd er contact opgenomen door Landschapsbeheer Friesland. Of ze onze houtwal mochten opnemen in een monitoringsproject voor broedvogels.  Daar was ik natuurlijk direct enthousiast over. Ze hebben een aantal opnames gemaakt bij onze houtwal, en er ook dit filmpje opgenomen.

Ook hebben we afgesproken dat Landschapsbeheer Friesland, in het kader van een Europees landschapsherstelproject, hier het één en ander aan aanplantwerkzaamheden zal doen en de poel dieper uitgraven. Kortom, tot nu toe heel plezierig contact.

Maar toen we het hadden over  het beheer van onze houtwal, hadden we toch een wat ander standpunt. In het verleden werden houtwallen met enige regelmaat ‘afgezet’ (afgezaagd). De stobben lopen dan weer uit. Dat levert een biotoop op voor veel insecten en zangvogels. In onze houtwal is dat al lang niet meer gebeurd. Maar volledig afzetten betekent ook dat het hele dorp uitkijkt op ons perceel en dat de zuidwestenwind vrij spel krijgt. Dat willen we niet. En de wildernis die er nu is ontstaan heeft ook een waarde. Bijvoorbeeld als schuilplek op voor andere soorten. We zien regelmatig reeën lopen.

Wij zullen dus zeker wel hout oogsten van onze houtwal, maar we willen die niet volledig afzetten. Hij heeft immers een belangrijke landschappelijke functie: het waarborgen van onze privacy en het breken van de wind.

Hier in de omgeving van De Hoeve zijn met de ruilverkaveling relatief veel houtwallen gespaard. Er zijn destijds zelfs bosjes aangeplant. De ruilverkaveling rond De Hoeve werd destijds dan ook veel aangehaald als een schoolvoorbeeld van een ruilverkaveling met oog voor landschappelijke waarden. In de ‘Atlas van het Landschappelijk Groen Erfgoed in Nederland‘ staat dit gebied niet voor niets aangegeven als landschap met waardevolle oude boskernen, heggen en houtwallen.

Doordat de houtwallen vervolgens niet allemaal meer even regelmatig werden gekortwiekt, zijn op sommige plekken prachtige rijen oude bomen ontstaan. Misschien wat anders dan een ‘houtwal’ volgens het (huidige) boekje van die natuurbeschermingsorganisaties, maar landschappelijk zeker even fraai. Ze vormen een mooie aansluiting op de – inmiddels volwassen – wegbeplanting, die in de jaren 1920 in het kader van werkverschaffing is aangebracht.

Ook op ons perceel staan zulke rijen eiken, die eigenlijk voormalige houtwallen zijn:

Op Google Maps is mooi te zien hoe het dorp ligt ingebed in het groen. Naarmate je het dorp nadert wordt de verkaveling kleinschaliger en zijn er meer houtwallen en meer oude bomen. Als een soort aankondiging vanuit het landschap dat je de bewoonde wereld nadert.

Zo ook de houtwal die je zag vanaf de kruising Jokweg-Ratellaan. Tot afgelopen zaterdag. Toen zijn er dus zeven van de mooie oude eiken gekapt. En dat blijkt nu in het kader van natuurbeheer te zijn. Landschapsbeheer Friesland en het collectief voor agrarische natuurverenigingen Elan hadden hier een contract gesloten met de pachter van het perceel.  In het kader van het ‘sturen op door de provincie vastgestelde doelsoorten’ moet de pachter dan, in ruil voor subsidie, het door Landschapsbeheer Friesland en Elan vastgestelde beheer uitvoeren. In dit geval dus wat ze noemen ‘eindkap in het kader van cyclisch beheer’. Ze hebben er een brochure over.

Wat mij betreft is dit het kind met het badwater weggooien. Deze eiken hebben er zestig, misschien wel tachtig of honderd jaar over gedaan zo groot te worden. Ze hebben de ruilverkaveling overleefd. En nu worden ze in één ochtend omgezaagd, omdat de provincie, Landschapsbeheer  en de agrarische natuurvereniging momenteel een beleid hebben waarin op slechts zes ‘soorten elementen’ wordt gestuurd:

  • Houtwal en –singel
  • Elzensingel
  • Hakhoutbosje
  • Bosje
  • Bomenrij en solitaire boom
  • Poel en klein historisch water

En voor ieder element slechts één beheermethode mogelijk is. Voor houtwallen betekent dat: een ‘eindkap’ eens in de 25 jaar, een tweede kap na 14 jaar.  Zo moet het en niet anders. In mijn ogen is juist een rijkgeschakeerd landschap, met allerlei verschillende elementen, fraai en nuttig voor mens en dier.

Bovendien heeft ieder element zijn eigen verhaal. De ene houtwal werd vaker afgezet, omdat de boer een toepassing had voor het hout. De andere wat minder, omdat grotere bomen op die plek handig waren om de wind te breken, of omdat de boer vond dat zijn koeien schaduw nodig hadden op warme dagen. Op een derde houtwal heeft in het verre verleden een zekere Krelis, heel ongebruikelijk, populieren geplant, omdat Krelis’ vader klompen maakte en daarvoor populieren gebruikte. Noem maar op. Door naar de functie en geschiedenis van een element in zijn eigen context te kijken kan je maatwerk leveren en behoud je de individualiteit van het landschap en de verhalen die daarbij horen.

Zo is dus een houtwal bij het dorp in mijn ogen wat anders dan een houtwal in het buitengebied. Maar omdat er nu toevallig wordt gestuurd op enkele bepaalde doelsoorten is het blijkbaar niet mogelijk hier maatwerk in te leveren. Alsof we niets hebben geleerd van de ruilverkavelingen, die in grote delen van Nederland het landschap hebben gladgestreken en geüniformeerd.

Om nog maar niet te spreken over de waarde van (grote) bomen an sich, onder meer om CO2 vast te leggen. Die waarde werd toevallig juist vandaag weer eens belicht in dit artikel van De Correspondent. We spreken kwaad van landen die hun tropisch regenwoud kappen en gooien de paar volwassen bomen die we zelf hebben om.  En dat in een gemeente die in 2030 100% ‘klimaatneutraal’ wil zijn en in het kader van ‘natuurbeheer’. Godgeklaagd vind ik het.

(En áls je dan per se grote bomen moet kappen, gebruik het het hout dan voor een hoogwaardige toepassing, in de bouw of meubelmakerij. Daar importeren we nota bene hout uit Oost-Europa voor! Deze grote eiken worden in stukjes gezaagd en tot kachelhout verwerkt. De uitvoerder heeft -natuurlijk- geen contacten en faciliteiten om het op te slaan en te laten drogen zodat er balken en planken van gezaagd kunnen worden. Maar je zou toch zeggen dat zo’n wat grotere organisatie dat dan ook kan faciliteren? Had geïnformeerd in de buurt – misschien hadden wij wel graag ons gebint ervan laten maken.  Juist van zulke relatief dicht op elkaar staande en dus recht gegroeide bomen had dat gekund. Maar daarvoor is het nu ook al te laat.)

Voor deze houtwal is geen redding meer mogelijk. Inmiddels heeft de pachter nog meer bomen omgezaagd. Logisch, hij zit aan zijn contract vast. Maar we gaan met een aantal buren en de groencommissie van het dorp wel in gesprek hierover met Elan, Landschapsbeheer en de gemeente. Hopelijk worden dan niet op een kwade dag nog meer dorpssieraden platgelegd in het kader van een ‘verbetering’.

 

 

Snipperdagje(s)

Hoera, de zon schijnt! Tijd om iets te doen aan de enorme berg houtsnippers die al tijden ons pad verspert. Waarom?

In mijn moestuin had ik altijd paden van houtsnippers. Heel handig, makkelijk bij te houden, de grond wordt beschermd tegen uitdrogen, de verterende snippers geven (heel langzaam) voedingsstoffen en humus af aan de grond en dat beetje onkruid wat er in op kwam was betrekkelijk makkelijk uit te trekken. Eéns in de twee, drie jaar een nieuwe lading snippers erop en klaar is Kees. Dus dat wilde ik weer.

Uit ervaring weet ik, dat je moet zorgen dat je snippers zónder blad hebt. Als er erg veel blad, zaagsel en andere ‘prut’ tussen de houtsnippers zit, loop je in no-time over een verende composthoop. Om die reden heb ik wel eens een hele lading gezeefd. De grove snippers konden op het pad en het fijne materiaal was mooi om mee te mulchen.

Dus ik bestelde altijd pas nieuwe snippers in november of december, als het blad van de bomen was. Dan werd er een berg heerlijk ruikende, verse houtsnippers voor de voordeur gedumpt en was ik een dag bezig om dat allemaal naar achterin de tuin te kruien.

Hier moest ik op zoek naar een nieuwe leverancier. Die was makkelijk te vinden en kon  wel even 6 m3 snippers komen brengen. Ik wees waar het moest komen,

“Doe wel voorzichtig”, zei ik nog van tevoren “ons weiland is héél nat en modderig. Misschien is het nog het makkelijkst om achteruit het pad op te rijden, dan blijf je met de auto op het pad en kan je ze er makkelijk op de juiste plek uit kiepen. ”

“Geen probleem! riep de leverancier. “Ik heb dat al wel duizend keer gedaan!” Hij reed op volle kracht het weiland in om te keren en zat onmiddellijk vast in de modder.  Toen moesten de snippers dus op die plek van de aanhanger af gekieperd, want anders was hij er nooit meer uitgekomen.

Dat kostte toch al ruim anderhalf uur gezwoeg met planken en scheppen snippers en voorzichtig proberen. De chauffeur was een non-stop kletskous op hoog volume en zijn “Nou, dan heb ik het toch een keer verkeerd ingeschat” veranderde gaandeweg in “Ja, het was ook echt niet te zien dat het hier zó modderig was” tot “Je had me wel mogen waarschuwen, jullie hebben wel hele rare grond.”  Ik was erg blij toen hij eindelijk het weiland uit was en in het halfduister wegreed.

Toen hadden we dus een omgeploegd stuk nieuw microreliëf vlak voor het huis en een berg snippers op het pad. En ik zag het direct al: geen verse snippers.

“Nee, je hebt geluk dat ze er nog zijn.”riep de leverancier (hij was toen nog maar net vastgelopen en nog in een redelijk humeur). “Het is het laatste restje, in februari krijg ik weer nieuwe.”

Dus oude snippers, die al een half jaar op een hoop lagen, mèt veel blad, zaagsel en andere prut ertussen. Dat zou weer zeven worden. Ik hoopte dat het een beetje droog weer zou worden. Maar dat werd het dus niet: daarna bleef het semi-permanent regenen.  De snippers hebben zich boordevol vocht gezogen, zijn zwaar en plakken aan elkaar.

Maar nu zijn de moestuinbedden (bijna) af en kan ik het niet meer uitstellen. Van een oud kwekerskratje en een stuk kuikengaas heb ik een mooie zeef gemaakt.

Drie scheppen in de zeef, één minuut schudden, grote snippers in een kruiwagen. Tien kratjes is één kruiwagen grote snippers en een halve kruiwagen kleine snippers.

Het klinkt als niet veel, maar als je voorovergebogen over een kruiwagen staat gaan drie scheppen snippers na een poosje behoorlijk zwaar wegen.

Gekkenwerk eigenlijk. Maar schep voor schep, kratje voor kratje, kruiwagen voor kruiwagen, meter voor meter, vorderen de paden in de moestuin en wordt de berg snippers kleiner.

Op die paden heb ik dit keer trouwens, na lang twijfelen, wel anti-worteldoek onder de houtsnippers gelegd. Ik weet nu al dat ik mezelf vervloek als ik dat spul er over een paar jaar probeer uit te halen en overal plastic rafels blijven zitten. Maar  ik weet ook dat ik mezelf zal vervloeken als het kweekgras dóór de houtsnippers heen zou blijven opkomen van de zomer, wat dan vast het geval zou zijn.

En wat doe ik met de kleine snippers en ‘prut’? Die zijn voor de fruitbomen.

Op de voedselbossen-cursus die ik een jaar geleden deed, leerde ik dat er een groot verschil is tussen het bodemleven in een bos en onder een grasland. In een bosbodem heb je een schimmelgedomineerd bodemleven. Boomwortels gaan een samenwerking aan met die schimmeldraden: mycorrhiza. De schimmeldraden functioneren als transportnetwerk, waarlangs vocht en voedingsstoffen getransporteerd worden.  Op die manier ‘eten’ de bomen in een bos niet alleen met hun eigen wortels, maar via een veel groter netwerk (tot wel 40 meter afstand!) Dat maakt ze natuurlijk veel beter in staat om schommelingen in temperatuur en aanbod van vocht en voeding te weerstaan.

Onder gras houden schimmels het niet uit. Ze kunnen niet tegen de UV-straling van het zonlicht, dat door het dunne laagje gras de bodem in dringt. Dus onder grasland krijg je een bacteriegedomineerd bodemleven. Eigenlijk is het beeld van de boomgaard met solitaire bomen in het gras dus helemaal niet logisch. Bovendien concurreert het gras met de ondiepe wortels van fruitbomen.

Daarom geef ik mijn fruitbomen een stukje instant bosbodem. Na het planten leg ik rondom de stam karton, net als in de moestuin. Het gras houdt het daaronder niet uit en sterft af door gebrek aan licht. Daaroverheen komt een laag  gehakselde bramen, blad en/of fijne houtsnippers. Er zit al aardig wat schimmel in de snippers, zag ik.

(De groen-georiënteerde lezer roept nu meteen: “Krijgen je bomen dan geen stikstoftekort?!” Ik verwacht dat dat wel meevalt.  Zolang ik de snippers maar niet dóór de grond werk. En het gehakselde materiaal van bramen en brandnetel bevat, verwacht ik, ook zelf al de nodige stikstof. Ach, vergeleken met de natuurlijke groeiomstandigheden van de wilde appel valt hier de stikstof met de regen uit de lucht.)

Volgens alle theorieën zou dit de fruitbomen goed moeten doen. Met hun voetjes in een bosbodem en hun hoofd in het zonlicht, net als op hun natuurlijke standplaats aan de rand van het bos. Ik ben benieuwd!

Winterse perikelen

Het valt natuurlijk nog alleszins mee. Maar afgelopen week hadden we toch wal speldenprikjes ‘winter’. Op zich niet eens zo erg, eigenlijk was het een verademing om af en toe zon te hebben in plaats van semi-permanente horizontale regen. We waren bijna vergeten hoe mooi het er hier dan uit ziet!

 

Maar een beetje bar was het wel. Dat je op het composttoilet zit en dat het kopje om het ‘vloeibaar’ gedeelte weg te spoelen zit vastgevroren in de emmer water. De eerste ochtend kreeg ik het (met behulp van mijn hak) nog wel los uit het ijs, maar er kwam een moment dat alles stijf bevroren was. Gelukkig duurde het niet zo lang.

(Ons composttoilet heeft een separatie-systeem. ‘Vloeibaar’ wordt middels een slang aan de voorkant weggeleid naar een oude septic tank; ‘vast’ komt in een emmer en dient afgedekt te worden met een beetje zaagsel. Dat werkt werkelijk uitstekend  – ook in de zomer hadden we géén stank en géén vliegen. Die emmer leeg ik in een speciaal compostvat: deze compost gebruiken we niet in de moestuin, maar misschien bij de fruitbomen of zo.)

De kou op het toilet deed me ook denken aan een boek van Roald Dahl, over zijn traumatische kostschool-ervaringen. Hij beschreef daarin hoe kleine jongens de wc-bril moesten voorverwarmen voor de grote jongens. Dat vond ik destijds  wonderlijk: het voelt altijd een beetje vies als je op een warme bril gaat zitten. Maar nu begrijp ik het. Als de temperatuur in de wc namelijk gelijk is aan de buitentemperatuur (en dat was in die kostscholen geloof ik ook het geval) dan is he bij vrieskou nauwelijks te gebruiken. Zodra je met je blote billen op die ijskoude bril gaat zitten trekt als reactie daarop alles samen. Van de benodigde ontspanning om te doen wat je moet doen komt dan niets meer… Nu begrijp ik dus ook waarom je ook kon kiezen voor een wc-bril van piepschuim bij het separatie-systeem. Helaas kozen wij voor goed schoon te maken, maar ’s winters dus ijskoud plastic.

Verder valt het, dankzij het kacheltje, redelijk uit te houden. Alleen het hout gaat nogal hard. We hebben massa’s gekloofd en gezaagd hout, maar dat is van dit seizoen en dus nog niet droog. En we hebben ook massa’s droog en onbehandeld hout, maar dat zit nu nog in de boerderij verwerkt. Hopelijk redden we het net. En anders worden de balken en planken van de oude mijnheer die we hadden bewaard voor ruw timmerwerk alsnog brandhout.

En het is wennen aan de koude vloer. Voor het woongedeelte hebben we nu een warm wollen kleed gekocht.   En overdag draag ik met wol gevoerde laarzen. En bij voorkeur  wollen sokken. Ik had een hele voorraad, ooit met liefde gebreid door de oma van een aangetrouwd familielid. Helaas slijt ik nogal snel door de hielen heen. En sokken stoppen (of breien) valt niet  onder mijn talenten. Gelukkig stuurde mijn nicht uit Noorwegen me nog een paar toe als kerstcadeau.

Kortom, alles gaat goed, maar het moge duidelijk wezen dat wij reikhalzend naar de eerste lentedagen uitkijken.

Wagenpark

Hmmm, we wilden toch ecologischer gaan wonen en leven? Maar inmiddels hebben we in plaats van één, al drie gemotoriseerde voertuigen.

Tja, we kwamen er wel achter dat een trekker héél erg handig gaat zijn. Want als we straks gaan bouwen moeten hier natuurlijk heel veel bouwmaterialen bezorgd worden. En die komen meestal met een vrachtwagen. Maar vrachtwagens langer dan 10 meter kunnen helemaal niet bij ons huis komen.  Ze kunnen de bocht de Ratellaan op niet eens maken, vanwege de grote bomen die daar staan.

Tot nu toe moesten we dan telkens een beroep doen op onze boer met zijn shovel. Met de boedel hebben we een platte kar geërfd (één van de weinige zaken die ons echt handig leken). Dat is een handige manier om de bouwmaterialen het laatste stukje vanaf de openbare weg te vervoeren. Moet je dus wel een trekker hebben.

Verder kan je met een trekker… trekken. Aan grote zaken (sinds we met veel moeite de zware hulststam verplaatst hebben zijn mijn rechterschouder en pols geblesseerd). Je kunt er grond mee verplaatsen (er zit een voorlader op, nu nog effe een grondbakkie op de kop tikken). Of houtsnippers. Of puin. Je kunt er mee maaien (als we een maaimachine zouden hebben, maar die hebben we dan weer weggegeven, het exemplaar dat we vonden leek me dè manier om van je vingertoppen af te komen). Of hooi schudden (de hooischudder hebben we gehouden!)  En je kunt er, heel belangrijk, de postbode mee lostrekken als die weer eens vast komt te zitten.

Kortom, weer een gemotoriseerd voertuig aan het wagenpark toegevoegd.Met dank aan een dorpsgenoot die in trekkers bemiddelt (en ze ook opknapt en repareert!) Een Renault 551.  Met een motor van 55 pk.

“Tjonge'”zei ik “Betekent dat dat we nu ongeveer 55 paarden gekocht hebben?” Maar naar het schijnt is 1 pk niet echt het equivalent van een stevig Fries boerenpaard. Meer het equivalent van een verkouden shetlandpony. Op een slechte dag op de manege. Als het regent. En met een kleuter op zijn rug.  Evenzogoed, 55 pk is een behoorlijke hoeveelheid til-en-trek-hulp.

Nu nog leren om er mee om te gaan.