Eindelijk regen!

En daar kwam het dan eindelijk: de langverwachte regen. Als het NOS-journaal opent met de woorden “Het regent in Nederland!” weet je zeker dat er iets bijzonders aan de hand is…

Wij kregen zomaar, in drie dagen achter elkaar, 72 mm! En schoven daarmee van de categorie gebieden met het ernstigste neerslagtekort naar het op één na kleinste neerslagtekort.

Het gras in het weiland begint al wel weer groen(ig) te worden, maar het gras op het erf is dermate stukgelopen dat het niet meer uitloopt. Dat wordt dus een modderboel komende winter. We kunnen nog wel wat metalen roosters gebruiken als tijdelijk looppad, mocht iemand ze over hebben…

 

Intussen zitten we niet stil met het werk aan de werkplaats: we hebben weer kilometers tape geplakt, Joris heeft binnen al een deel van de wand bekleed met houtvezelplaten waarop ik straks kan stuken, en ik heb de twee resterende gevels zwart geschilderd. Dat honingkleurige was ook mooi, maar het blijft niet honingkleurig… na één winter is het onregelmatig grauw verkleurd. Met een beits op basis van lijnolie is het hout goed beschermd.

En we hebben, met hulp van onze fantastische buren Leo en Henderika, de trap geplaatst. Dat geeft ook al weer meer het gevoel van een ‘echt’ gebouw.

Wat moet er nu nog gebeuren? Dakpannen op het dak! Dat is natuurlijk heel belangrijk. Een klus die met meerdere handjes veel sneller geklaard is. Wie komt er komend weekend helpen?

Binnen komt nog een laag houtvezelplaat tegen de muren en plaatsen we een binnenwand tussen het ‘kantoor’ en de werkplaats. Dan moet er nog elektriciteit worden aangelegd en moeten de muren met leem worden gestuukt en gesaust. We zijn dus nog niet klaar. Maar dan hebben we ook echt een plezierige ruimte voor het werk tijdens de bouw van het woonhuis.

Het voelt nu al heel fijn. Eindelijk echt iets wat als een ‘gebouw’ voelt, met dichte, tochtvrije muren, een plezierig binnenklimaat en een vlakke vloer die niet zwiept als je eroverheen loopt.

Hulp!

Afgelopen weekend kwamen Bart en Willemien helpen. Dat was erg fijn: Bart heeft binnen in de werkplaats weer kilometers panelen afgetapet en Willemien en ik hebben weer een gevel zwart geschilderd. Wat wordt het mooi!

Nu kunnen binnenkort de pannen op het dak, dan is het eindelijk echt wind- en waterdicht. Dat is wel een klus waarvoor het handig is als er veel mensen zijn. Wie komt er helpen?

We hebben alvast (met hulp van Bart, verschillende héél dikke en zware balken, een palletwagen en een aantal kunststof rijplaten)  Joris’ zware vlakbank en zaagtafel naar de nieuwe werkplaats overgebracht. Ze hebben flink geleden van het verblijf in de koude en vochtige stal afgelopen winter. Het wordt heel wat poetsen om de roest er weer af te krijgen.

Water is leven (2)

We hebben een bron!

Het landgoed zucht en steunt onder de droogte. De mooie grote kers laat zijn blaadjes vallen of het herfst is. In de houtwallen is zoveel blad afgevallen dat je er dwars doorheen de huizen van het dorp ziet (vorig jaar was het een groene muur tot eind oktober). De lijsterbessen hebben het meeste last, die zien eruit alsof ze dood zijn.

In de moestuin heb ik verschillende gewassen maar gewoon opgegeven, die zijn niet meer te redden. Het gras op het erf is eerst dood gegaan en toen stuk gelopen. Het erf is nu een zandbak. (Dat wordt weer fijn van de winter, dan zal het weer één modderpoel zijn.) Alles is bedekt met een laagje zwart stof: de humus uit onze grond.

      

En al het water moest uit de waterleiding komen. (Hoe de oude Haanstra het in vredesnaam deed in een droge zomer met enkel die twee regenbakken en koeien en een moestuin, daar breken we  ons werkelijk het hoofd over…)

Een vriend van me heeft een buurman die hydrotechnicus is. Op aanwijzingen van de buurman had de vriend zelf een bron geslagen in de achtertuin, met onbeperkt prachtig helder, koud water. Dat wilde ik ook wel!  De buurman wilde het zelf ook wel komen doen voor een zacht prijsje, samen met zijn zoon.

   

Vorige week donderdag kwamen ze, gewapend met grote buizen en een aanhanger vol materiaal. Maar in tegenstelling tot Bennekom, waar de vriend en de buurman wonen, bestaat hier de grond niet enkel uit zand, maar uit zand en leem. Keileem. Met keitjes erin dus. Die blijven hangen in de puls. Na een hele dag pulsen (bij 35 graden in de schaduw!), was het nog niet gelukt om een  pakket aan te boren dat voldoende doorlatend was voor een bron.

Afgelopen vrijdag een nieuwe poging, met een ander soort boor. Ze moesten tot 14 meter diep gaan, en zelfs deze boor had moeite met de  keien die hij tegenkwam. Gelukkig geen echt grote blokken. Aan het eind van de dag was het even spannend… we dachten dat hij wéér geen water gaf… maar het lukte! Nu kunnen we eigen grondwater oppompen!

Er zit wat leem in het water, en vrij veel ijzer, maar verder is het goed. Waarschijnlijk kunnen we het, als we er een ontijzeringsinstallatie achter zetten, ook gebruiken voor de wc in het nieuwe huis. Die wilden we met regenwater gaan doorspoelen. Maar dan moet er een tank worden ingegraven op het erf. En de tank en de bezorging en het graafwerk gaan bij elkaar veel meer kosten dan een ontijzeringsinstallatie. (Nog los van alle problemen met vrachtwagens die ons pad niet op kunnen, oude septic tanks die nog in de grond in het erf zitten en dergelijke.) We voeren geen water af van het perceel: al ons afvalwater komt, na zuivering door het helofytenfilter, weer terug in het perceel. Dus feitelijk gebruiken we de grond dan als opslagtank.

De nieuwe locatie is iets moeilijker bereikbaar met de trekker dan de ‘bouwput’ waar het kraanwater zit, dus het blijft een enorm karwei om de boompjes van water te voorzien. We moeten nog een waterleiding aanleggen naar een tappunt waar we goed bij kunnen. Voorlopig is het nog veel heen en weer rijden. Ik vraag me af wat er over blijft van het historische microreliëf. Eén voordeel: ik leer heel goed manoeuvreren met de trekker.

De moestuin is met de tuinslang goed bereikbaar vanaf de pomp. Eens zien of het lukt om die te laten herleven! Jammer genoeg zit er waarschijnlijk nog  teveel zand / leem in het water om de zwenksproeier erop te zetten.

 

Heet!

Wat een zomer… Afgelopen donderdag en vrijdag waren werkelijk niet te harden. In de schaduw liep de temperatuur op tot 36 graden. Wat het in de zon was wil ik niet eens weten. Dus de moestuin heeft een behoorlijke hitte-schok gehad. Erg mooi ziet het er niet meer uit.

\

    

Sowieso doet ons domein momenteel sterk denken aan Australië. In december 1997 reisde ik daar enkele weken met een soort ‘kermisgroep’ mee, naar afgelegen plaatsjes in de outback van New South Wales, waar helemaal nooit iets gebeurde behalve één keer per jaar de ‘rodeo’. Daar kwamen wij dus voor, met een prijsschiettent, een snackbar en dergelijke. Dat was één dag en avond hard werken met veel opwinding, de volgende dag opbreken en úrenlang met 80 km / uur rijden naar het volgende minuscule plaatsje in-the-middle-of-nowhere. Daar brak dan een periode aan van voornamelijk wachten; de volgende rodeo was natuurlijk ook pas weer op zaterdag. Het landschap bestond uit geelgeblakerd gras met een zinderende zon erboven en de temperatuur in de caravan die mij was toebedeeld liep op tot boven de 40 graden (de kermismensen zelf hadden luxe woonwagens met airco).  Het was een ervaring, maar niet één die ik nu per se hoefde te herhalen. En ook niet één waarvan ik had verwacht dat de verhuizing van Friesland me eraan zou herinneren.

Zaterdag kregen we zowaar een paar buien. Omdat we nog altijd niet weten hoe we het gaan oplossen met de dakpannen liggen er tijdelijk zeilen over het dak van de werkplaats.

Werkplaats

Yesss! Vandaag heeft Joris het laatste potdekselplankje op de buitenkant van de werkplaats geschroefd. Dat was héél veel werk, hij is er bijna twee weken full-time mee bezig geweest. Met de hitte trokken de planken krom (of misschien waren het toch niet zulke goede kwaliteit planken als bij de vorige werkplaats…). En het is héél veel passen en meten, steiger op, steiger af…

\

 

Nu is de buitenkant af, op de dakpannen na. Normaal gesproken doe je die éérst, zodat het dak dicht is. Maar het regende toch niet. En het is makkelijker om de aansluiting van de muren en het dak bovenaan te maken als je van onder naar boven werkt.

Bovendien zijn die pannen nog een beetje een logistiek dingetje. We  willen namelijk graag rode pannen op de schuur. Maar die liggen nu nog op de stal en op het huisje. En als we die nu er al af halen en het gaat (eindelijk) regenen, dan hebben we wel een probleempje. Want vóórdat alles over kan naar de werkplaats moet eerst de binnenkant nog afgemaakt worden.

We hebben wel de oude zwarte pannen, van de vorige schuur. Dus waarschijnlijk wordt het deels zwarte pannen en deels zeil, voorlopig.

Rob en Roos hebben alvast geholpen om één wand zwart te schilderen. Het begint er op te lijken!

Droog!

Zó staat de helft van je land onder water, en zó heb je, amper een half jaar later, een dagtaak aan het water geven van je nieuwe aanplant. Het moge duidelijk zijn dat het klimaat echt aan het veranderen is.

Momenteel is ons land helemaal geel. De boompjes zijn nog wel groen, maar ik ben dan ook de hele dag bezig met water geven. We vullen de IBC-containers met (helaas leiding-)water , zetten ze met de trekker bij de bomen en leggen dan steeds een half uur, drie kwartier een slang bij een boom. Dat betekent dat ik intussen wel iets anders kan doen, maar telkens moet ophouden om de slang te verleggen (of de hele container te verzetten of opnieuw te vullen). Maar op die manier zakt het water precies ter plaatse van de boomwortels langzaam (dus diep) de grond in, in plaats van over de uitgedroogde grond weg te lopen zodat alleen het oppervlak vochtig wordt. Dat water aan het oppervlak verdampt namelijk ook weer snel. Bovendien stimuleer je dan dat de boomwortels ook oppervlakkig groeien. Met mijn methode moeten ze wel naar beneden. En zo kunnen ze volgende droogteperioden beter weerstaan. Als ze deze overleven…

Voor het eerst in mijn moestuincarrière (en met zware gewetenswroeging) giet ik met leidingwater in de moestuin. Zeer beperkt. Dus de vroege aardappels en de uien zijn inmiddels gerooid (en het ziet er naar uit dat de bewaaraardappels dit jaar ook een heel vroege, maar heel kleine oogst gaan geven). Maar ik durf eenvoudigweg geen prei en boerenkoolplantjes uit te planten in de vrijgekomen bedden. Het kost al moeite genoeg om alles in leven te houden zonder dat ik de wortels beschadig. En dan is er ook nog een hittegolf voorspeld!

De lathyrus bloeit desondanks schitterend.

Een voordeel van het droge weer is dat Joris zich met het bouwen kan bezighouden zonder zich te bekommeren over de volgorde ‘eerst het dak, dan de muren’ of over het ’s avonds opruimen van gereedscap. Inmiddels zijn de muren aan drie kanten helemaal voorzien van isolatie en afgewerkt met potdekselplanken. Dat is veel precisiewerk, met lastige randjes en hoekjes en gaat dus langzaam. Maar het wordt móóóóóói!

 

Maar hoe droog het ook is, de nattigheid van afgelopen winter staat ons nog levendig voor de geest. Dus om herhaling van dit tafereel te voorkomen

is de loonwerker langsgekomen om de sloot bij de Grote Eik uit te diepen. Na enig graven vond ik daar namelijk, onder 25 cm prut, de bovenkant van een duiker. En nadat ik die had blootgelegd bleek dat de sloot wel een halve meter dieper was geweest. Dat is hij nu weer. Het levert een enorme berg zand en grond op, en een héél steile en hoge slootkant. Daar moeten we nog wel iets op verzinnen…

 

Eigen vee!

Eén van de redenen om buiten te gaan wonen was, dat ik zo graag geiten zou willen. En dan zelf melken. Land genoeg hier. Maar… geiten (melkgeiten althans) kunnen niet goed tegen langdurige kou en nattigheid. ’s Winters heb je een stal nodig. En die hebben we niet. Nou ja, nu nog wel. Maar zodra de werkplaats af is gaat die tegen de vlakte.

(NB: in de moderne geitenhouderij staan de dieren meestal zomer en winter op stal. Met zijn 1500-en tegelijk. “Ja”, zegt de boer dan, “maar ze wíllen ook helemaal niet naar buiten. Als je de deur open laat komen ze meteen weer binnen.” Tja. Dat zie je ook wel bij kinderen. Die hangen vaak ook het liefst binnen voor de tv. Maar of dat nou het beste voor ze is?!)

Nu heb ik vier jaar geleden een maandje als ‘stagiaire’ meegelopen op de Ouwendorperhoeve in Garderen. Adriaan en Nelleke dachten ook ooit over geiten. Maar hun schuur, hoewel een stuk beter dan wat wij hebben, was ook aan de kleine kant om een volledige geitenkudde in te huisvesten. Zij kozen daarom voor melkschapen. En dat is een succes. Nelleke maakt fantastische schapenkaas en schapenyoghurt.  (En ze verkopen héérlijk lamsvlees en varkensvlees en nog veel meer, dus als je in de buurt van Garderen woont, of er langs komt op weg naar je vakantiebestemming: ga er vooral even shoppen!)

En wat later in hetzelfde jaar liep ik een maand mee op Farm Camping Lazy in  Slowakije, waar Arnold en Bernadette om vergelijkbare redenen eveneens kozen voor melkschapen. Zij hebben dan wel geiten erbij, maar dat zijn Slowaakse geiten, die net wat minder kleinzerig zijn dan Nederlands vee. (Overigens geldt voor Lazy hetzelfde als voor de Ouwendorperhoeve: een aanrader! Maar spring niet meteen in de auto, in het hoogseizoen zijn ze hartstikke vol, zó leuk zijn ze. In het naseizoen kan je er altijd terecht voor een week genieten.)

Dus melkschapen leek een goed alternatief voor geiten. Maar momenteel komen er maar weinig melkschapen op de markt (om de één of andere reden is Nederlands vee momenteel erg geliefd in Rusland en wordt er heel veel opgekocht voor Rusland).Uiteindelijk wist Nelleke wat voor me te vinden: bij de houder van het Stamboek Fries Melkschaap waren dit voorjaar twee bonte ooitjes geboren.

Dat kán helemaal niet: Friese melkschapen zijn wit, en deze dames komen van twee onberispelijk witte ouderdieren, met een onberispelijk witte stamboom. Maar tóch zijn ze gevlekt. En wij vinden dat eigenlijk juist heel leuk. Blijkt dat zo’n kleine soortgroep toch nog verrassingen kan herbergen!

Welkom dus, bonte schaapjes. En uiteraard zijn deze twee dames vernoemd naar bovengenoemde boerinnen. Maar Nelleke en Bernadette vonden we te lange namen voor een schaapje – het zijn Nelly en Babette geworden. Die inmiddels al naar me binnen te roepen als ze me zien, graag komen knuffelen en uit de hand eten. Knuffelschaapjes!

 

 

Tocht en vocht

De dagen vliegen letterlijk voorbij, er is nooit tijd om alles af te maken. Ook hier in Friesland is het kurkdroog. De boer heeft het gras weer gemaaid – waarschijnlijk voor de laatste keer dit jaar. Vorig jaar kwamen er drie sneden vanaf, dit jaar verwacht hij niet meer dan twee.

Toch zijn we erg bezig met tocht en vocht uit de werkplaats te houden. Van binnen naar buiten bestaat die (nu) uit drie lagen: binnenin OSB, dan het houtskelet gevuld met vlaswol en daaromheen houtvezelplaten. Aan de binnenkant komt er nog leem tegenaan; aan de buitenkant potdekselplanken. Daarmee is het mooi damp-open en vocht-regulerend. Maar tocht het niet?

De meeste huizen tochten enorm. Vaak is dat maar goed ook, want die zijn met moderne materialen damp-dicht gebouwd.  Dan moet er dus heel veel ventilatie zijn, om waterdamp, CO2 en andere gasvormige zaken naar buiten te krijgen. Maar met (ongecontroleerde)  ventilatie gaat ook heel veel   warmte verloren. Hoeveel een huis tocht, kan je bijvoorbeeld laten zien door het vol rook te zetten, zoals hier te zien is.

Hoewel we een werkplaats bouwen en geen huis, willen we het zo goed mogelijk doen. Dus dat betekent: zoek de zwakke plekken in de luchtdichte laag op (de OSB laag). De aansluitingen met de kozijnen, de deuren en het houtskelet zijn allemaal afgeplakt met luchtdichte, dampopen tape, voor de isolatie er in ging. En nu doen we hetzelfde voor vocht, want er mag natuurlijk geen vocht in de muren gaan stagneren. Dus de aansluitingen van de houtvezel platen met de kozijnen, de deuren en het houtskelet plakken we ook allemaal netjes af met tape. Daarbij zorgvuldig van beneden naar boven en van binnen naar buiten werkend, zodat nergens plekken ontstaan waar ook maar een druppel water die tussen de planken door waait zou kunnen blijven staan.

En dat is énorm veel werk!

(Want ik schrijf het zo even snel op, maar ladders neerzetten, lijm op de houtvezelplaten aanbrengen, laten drogen,  lijm van je handen af krijgen, met tape de ladder weer op klimmen, tape onder en tussen de daksporen aanbrengen was 1 dag werk. Volgende dag: bovenkant van de houtvezelplaten insmeren en tape aan de bovenkant van de overgang dak-muur aanbrengen. Dan de kozijnen nog. En de hoeken. En…)

Vervolgens brengen we aan de onderkant ‘kantplanken’ aan: de ‘regenlaarzen’ voor de werkplaats. Die zijn niet dampopen; zij beschermen aan de buitenkant de onderkant van de muren tegen spatwater en water dat langs het potdekselwerk naar beneden loopt. En dan zijn we eindelijk zover dat Joris de potdekselplanken kan aanbrengen!

Voor de bouw is het natuurlijk heerlijk dat het zulk droog weer is. Maar al die mooie boompjes die ik afgelopen winter heb geplant staan ernstig te verdrogen. Ongelooflijk dat we een half jaar geleden nog zoveel water op het land hadden!  De regenbakken staan droog en ik kon niet meer slapen omdat mijn schouders zeer deden van het slepen met gieters. Dus hebben we twee IBC containers gekocht. Daarmee kunnen we water naar de boompjes brengen. Daar zijn we iedere avond uren mee in touw.

Leidingwater gebruiken voor irrigatie, en dan ook nog het met diesel ter plaatse brengen… eigenlijk zeer tegen mijn principes. Maar we hebben geen keuze, als we willen behouden wat ik afgelopen jaar geplant heb!

 

Vlaswol

We bouwen een goed geïsoleerde werkplaats. Als je wilt isoleren met natuurlijke materialen zie je al snel door de bomen het bos niet meer. Stro, (kalk)hennep, gerecyclede spijkerbroeken, cellulosevlokken, houtvezelplaat, schapenwol en vlaswol. Dat laatste gebruiken wij. Waarom?

We hebben ons er een beetje in verdiept. Het lastige is dat gezaghebbende websites zoals DuurzaamThuis en MilieuCentraal volkomen tegengesteld advies geven. Dus we zijn op ons eigen gezond verstand afgegaan. Glaswol is akelig spul, dat willen we sowieso niet gebruiken. Schapenwol komt meestal van ver, evenals kurk. Papier en cellulose lijkt ons op de lange duur niet vochtbestendig. Datzelfde geldt voor gerecyclede spijkerbroeken: als je een katoenen theedoek een jaar in de tuin laat liggen valt-ie uit elkaar. Vlas- en hennepvezels werden vroeger gebruikt om touwen te maken waarmee een beetje zeventiende eeuws schip de halve wereld over voer. Dus die zijn toch wat robuuster. Waarbij vlas net wat beter schijnt te isoleren en een stuk goedkoper is. En onze architect adviseerde het ook.

Het is makkelijk  te verwerken, dampopen en natuurlijk. Maar… volgens de website van Milieu Centraal scoort het minder goed dan steenwol en glaswol. Milieu Centraal beschouw ik toch altijd als een autoriteit. Toch eens achteraan gebeld. Wat blijkt: MilieuCentraal beoordeelt de producten niet zelf, maar gaat af op rapporten die een fabrikant door één of andere centrale instantie kan laten opstellen. Maar MilieuCentraal deelt daarbij ‘minpunten’ uit bij de vergelijking, als het beoordelingsrapport te oud is. Dus Isovlas BV zou een nieuw rapport moeten maken, alleen om dat te voorkomen. Vreemd.

Een wij kunnen er gewoon niet met ons verstand bij dat steenwol milieuvriendelijker zou zijn dan vlaswol. Het is een afvalproduct van de kledingindustrie, uit een hernieuwbare grondstof. Dus toch maar voor vlas gekozen. Het werkt inderdaad prettig. Wel erg jammer is de hoeveelheid verpakkingsmateriaal: de dekens zitten per twee of drie verpakt in enorme plastic zakken, die opgestapeld op een pallet arriveren met nog meer plastic er omheen. Dat zou Isovlas eigenlijk weer moeten innemen voor hergebruik of recycling, vinden wij.

Joris heeft de maatvoering van het houtskelet precies afgestemd op de afmetingen van de vlaswoldekens, dus de grote vlakken zijn in no time op te vullen. Vanzelfsprekend geldt dat niet voor alle kleine stukjes boven de ramen en de schuine stukjes van het dak- die kosten veel meer tijd. Daarna wordt het volledige houtskelet ingepakt met dampopen houtvezelplaten en dáárop komen potdekselplanken. Aan de binnenkant zit al OSB, daaroverheen komt dan nog een stucplaat waarop ik me straks mag uitleven met leemstuc.

Al met al een heel werk. Het gaat dan ook een stuk langzamer dan we        hadden gehoopt. We dachten vorig jaar dat we al in maart in dit stadium zouden zijn. “Anything worth having is worth waiting for”, houden we onszelf maar voor.

 

Opgraving aan huis

Lange dagen, veel te doen. Onkruid wieden, verder bouwen aan de werkplaats, ridderzuring uitsteken (oef!), zware balken ophalen die iemand weg wil doen  en af en toe ook wat leuks, zoals een kunsttentoonstelling met muziek bij vrienden in de tuin.

Tussen de bedrijven door timmer ik af en toe een beetje verder aan het varkenskot-cum-schapenstalletje. En al timmerend viel mij op dat er ook erg veel stenen vóór het varkenskot lagen. Zou het…?

En ja hoor. Onder een 5 cm dikke zode van gras en buitengewoon taaie brandnetelwortels komt een bestrating vandaan, van hergebruikte bakstenen, ooit netjes in verband gelegd.

Als archeoloog wil je meteen verder onderzoeken. Hoe ver zou de bestrating doorlopen? Maar ik kan telkens maar een klein stukje doen. Ik heb mijn schouders, elleboog èn onderrug overbelast bij het uitsteken van de ridderzuring.  En de gras-en-brandnetelzode is ook vreselijk taai en zwaar.    Dus dat blijft nog even een verrassing…