Massakachel

En toen werd het winter in Friesland! Tot nu toe overleven we het. We hebben wel uit voorzorg voor een flinke hoeveelheid droog en gekloofd kachelhout gezorgd. Het levert natuurlijk mooie plaatjes op. En het is een mooie aanleiding om te schrijven over de manier waarop we het toekomstige huis denken te verwarmen. Want dat mag dan supergoed geïsoleerd worden (voor kenners: we mikken op een Rc van 5 voor de vloer, 6,5 voor de muren en 8 voor het dak), iets van verwarming is altijd nodig, zeker op dagen met een sneeuwstorm zoals we nu gehad hebben.

Een gasaansluiting komt er natuurlijk niet (gas in een nieuwbouwhuis is zó 2016!). Een mogelijk alternatief zou een warmtepomp zijn. Maar die zijn duur en bovendien zit er vreselijk veel electronica en regelwerk in. Daar kunnen we zelf niets mee als het stuk gaat, dus dat voldoet niet aan onze wens om op het gebied van energie zelfvoorzienend te zijn. Lucht-lucht en lucht-water warmtepompen verbruiken bovendien vreselijk veel elektriciteit. Daarvoor kan je zonnepanelen op je dak leggen, maar die produceren de elektriciteit vooral in de zomer, als het minder nodig is. Tot nu toe kan je de teveel geproduceerde stroom dan aan het net leveren en dat wegschrijven tegen de stroom die je in de winter inkoopt, maar na 2023 vervalt die salderingsregeling. Afhankelijk van hoever op dat moment de ‘huisbatterij’ gevorderd is, lijkt het dus raadzaam de elektriciteitsbehoefte te beperken.

Tegen water-water warmtepompen (die de warmte van het grondwater op grote diepte benutten) heb ik nog een ander bezwaar: we prikken met dergelijke systemen allemaal gaatjes in de diepere ondergrond. Daar zijn we toch al met ons allen steeds meer mee bezig. Drinkwaterbedrijven waarschuwen al dat de kwaliteit van drinkwater in gevaar kan komen, omdat de ondoordringbare bodemlagen die zoetwatervoerende en brakwatervoerende lagen van elkaar scheiden zo veel doorboord worden.

Wat we wel in overvloed hebben en kunnen stoken is hout. Zeker als we er eindelijk aan toe komen om de houtwallen daadwerkelijk te gaan beheren.

Verwarmen op hout, is dat milieuvriendelijk? Hout is in principe een oneindige en hernieuwbare bron van energie, in tegenstelling tot fossiele brandstoffen. Daar staat tegenover dat een gewone (stalen of gietijzeren) houtkachel een relatief slecht rendement heeft: hij haalt maar een beperkt deel van de opgeslagen energie uit het hout. De rest verdwijnt als vliegas, rook en (fijn)stof uit de schoorsteen, samen  met een aanzienlijk deel van de warmte.

(Het rendement wat de verkoper van je kachel noemt, wordt alléén behaald gedurende de tijd dat de kachel heet is en voluit brandt. Niet tijdens de aanloopperiode, niet als je steeds het deurtje opendoet om er blokjes hout bij te gooien en al helemaal niet wanneer het vuur ‘gesmoord’ wordt, omdat het ondertussen bloedheet is geworden in de kamer.)

Dat kan beter. In een ‘massakachel’ vindt de verbranding van het hout plaats bij een véél hogere temperatuur, over een veel kortere tijd. Daardoor is de verbranding veel vollediger: al die kleine deeltjes houtas die in een  gewone kachel als rook op de warme lucht uit de schoorsteen vliegen, verbranden nu ook. Een gewone metalen kachel zou bezwijken onder zulke temperaturen. De massakachel is dan ook uitgevoerd in steenachtig materiaal, met een dikke mantel van steen of leem. (Die is loodzwaar: vandaar de term ‘massakachel’). De gloeiendhete rookgassen worden door een stelsel van kanalen gevoerd, waarbij ze hun warmte aan die mantel afgeven. Uiteindelijk is wat er uit de schoorsteen komt relatief koel en relatief schoon. De mantel geeft de opgeslagen warmte langzaam af: met anderhalf uur vuur heb je 24 uur warmte-uitstraling. Je hoeft dus ook niet de hele tijd blokjes hout op de kachel te gooien.

De mantel van de kachel  wordt ongeveer 50-60 graden, de warmte van een verwarmingsradiator. Maar, en nu komt het: die mantel kan je véél creatiever vormgeven dan een verwarmingsradiator. Het ding wordt immers op maat gemaakt. Je kunt er een warme bank aan metselen, die door de rookgassen verwarmd wordt. Héérlijk, na een natte en koude dag buiten! Je kunt de kachel zó inrichten, dat de meeste warmte straalt naar de kant die jij wilt. Je kunt er een warmtewisselaar inbouwen, die je  douchewater verwarmt, of water voor de vloerverwarming, als je dat wilt. En op een heter deel van de kachel kan je een bakoventje inbouwen.

Binnen de familie van ‘massakachels’ zijn er allerlei modellen. De bron ligt bij de ouderwetse ‘Kachelofens’ of tegelkachels die we kennen uit Duitsland en Oost-Europa. (En  trouwens ook uit China). De afgelopen veertig jaar is er veel onderzoek gedaan en zijn er technische verbeteringen doorgevoerd. Dat heeft geresulteerd in de Finnoven, de Tichgelkachel, de Rocket Batch Box en allerlei hybrides daarvan. Die verschillen onderling in technische details als de exacte plaatsing van de secundaire luchttoevoer en dergelijke… maar dat wordt te gedetailleerd voor dit blog.

 

Vooralsnog gaat onze voorkeur uit naar een leemkachel met Rocket Stove technologie. In strenge Oostenrijkse laboratoria is vastgesteld dat de rookgassen daarvan, als ze uit de schoorsteen komen, maar 80-90 graden zijn, en bovendien vrijwel geen fijnstof bevatten.  Dan wordt hout dus zeker een milieuvriendelijke brandstof. Wij kunnen straks ons huis verwarmen met eigen hout, zonder dat Groningen verzakt, we bij Poetin of andere gasmagnaten hoeven aan te kloppen, er hoeven geen vrachtwagens met houtpellets uit Oost-Europese bossen naar ons toe te rijden en de buren zitten niet in onze rook. Een fijn vooruitzicht. Tot die tijd  moeten we het nog even doen met het Noorse metalen houtkacheltje…

 

Winter!

En toen ging het sneeuwen. En dat levert plaatjes op, die te mooi zijn om niet te delen:

Zelfs het varkenskot ziet er idyllisch uit
Romantische ijspegels aan de asbestplaten
De Grote Eik, nu nóg mooier!
Goed te zien dat het water in de poel flink hoog staat
Het SBB-bosje heeft duidelijk een beschuttende werking bij winterse oostenwind
Mooie doorkijkjes
Bevroren katjes, de poel en de Grote Eik
De Grote Eik en de moestuin
De jonge appelboompjes staan dapper in de sneeuw
De Uiterste Eik
De rij eiken aan de noordkant
Reeën in eigen achtertuin

Het enige lastige is nu: welke kies ik uit voor een kerstkaart? 🙂

Voorlopig ontwerp

De vraag die ons ongeveer het meest gesteld wordt is: vordert het al een beetje met de bouw?

Nou nee. We zijn nog niet eens begonnen. Op dit moment zijn we voornamelijk bezig met het ontwerpen van het huis. Daar ging meer tijd in zitten dan verwacht. Van half augustus tot begin december hebben we vele keren heen-en-weer gepingpongd met de architect over hoe het ontwerp eruit moest zien. Daar bleken we toch verschillende ideeën over te hebben.

Voor ons was van het begin af aan (nog voordat we serieus gingen zoeken naar een plek) een uitgangspunt dat het huis zo energie-efficiënt mogelijk  èn zoveel mogelijk zelfvoorzienend op het gebied van energie moest worden. Eigenlijk wilden we een soort ‘passiefhuis’ bouwen, een op de zon georiënteerd en supergoed geïsoleerd huis met veel glas aan de zuidzijde en zo gesloten mogelijke gevels aan de oost-, west en vooral noordzijde. Zo’n huis heeft bijna geen verwarming nodig: de lichaamswarmte van bewoners, warmte door elektrische apparaten en invallend zonlicht zorgen voor voldoende warmte. In Oostenrijk mogen nieuwbouwhuizen alleen als ‘Passivhaus’ uitgevoerd worden.

Alleen, het bouwen van zo’n huis is niet eenvoudig, en wij willen wel zelf bouwen. Er komt veel techniek bij kijken en het huis moet heel luchtdicht zijn. In de praktijk betekent dat, dat het met allerlei folies ook waterdamp-dicht gemaakt wordt. Dat betekent weer dat je heel goed moet ventileren om  alle waterdamp die door bewoning geproduceerd wordt af te voeren. En ventileren kost energie, dus dan zit je ook vast aan ingewikkelde en kwetsbare warmte-terugwininstallaties  en ‘balansventilatie’.  Wij willen graag een ‘low-tech’ huis, wat weliswaar luchtdicht, maar wel damp-open is.  Bovendien willen we ook per se een huis neerzetten dat past bij de stijl van deze streek. We zijn hier gaan wonen vanwege het mooie landschap: we vinden dat we er dan geen dertien-in-een-dozijn huis mogen neerzetten.

Natuurlijk kan je daar tegenin brengen dat de kenmerkende stijl van de boerderijen uit de streek is voortgekomen uit bepaalde behoeften, en dat de behoeften van deze tijd weer anders zijn. Maar ja, je bent erfgoedprofessional of je bent het niet – ik wil graag een verwijzing maken naar de historie van deze plek. En het meest kenmerkend daarvoor vinden wij de vorm van het dak, met oranje dakpannen, van onze boerderij.

Alleen al de kavelrichting maakte het passiefhuis-concept lastig: in ons landschap zijn de wegen, kavels en woningen allemaal zuidwest-noordoost georiënteerd en niet pal noord-zuid.  (Dat was bij de aankoop al een klein minpuntje).  Geen glazen gevel op de zuidkant en gesloten gevel op de noordkant dus, maar een compromis. In ieder geval wilden we een woonkeuken en een woonkamer aan de ‘warme’ kant van het huis. In ons vorige huis, dat wel pal noord-zuid georiënteerd was, merkten we dat het temperatuurverschil tussen de kamers aan de zonkant en die aan de schaduwkant flink kon oplopen. Zolang je de deuren dicht hield natuurlijk.

Er is dus wel enige verwarming nodig en dat willen we doen met een ‘massakachel’. Daarover schrijf ik een apart blog want dat is een heel verhaal. Maar die massakachel moet het hart van het huis gaan vormen. Die moet alle ruimtes die we warm willen houden verwarmen: de woonkamer, de woonkeuken, de badkamer en de werkhoek op zolder. De slaapkamer, de bijkeuken en de hal hoeven van ons niet verwarmd te worden. In een goed geïsoleerd huis blijven die wel voldoende op temperatuur. Bovendien houden we van een koele slaapkamer en is een koele bijkeuken eigenlijk wel handig.

Daarmee waren de randvoorwaarden voor de plattegrond gesteld en na veel heen-en-weer pingpongen met de architect kwam daar ongeveer de volgende plattegrond uit:

We willen ook bouwmaterialen gaan gebruiken met een lage milieubelasting. Lange tijd waren we erg gecharmeerd van strobouw. Maar stro is een erg kwetsbaar materiaal. Je detaillering moet heel erg goed in orde zijn, anders kan je koude plekken krijgen waar vocht gaat condenseren. En vocht is de doodsteek voor stro. Na héél veel lezen, het bezoeken van (en meebouwen aan) strohuizen en het doen van een cursus strobouw concludeerden we dat stro een prima bouwmateriaal is voor eenvoudige gebouwen waaraan niet al te hoge eisen worden gesteld en waar dus ook weinig leidingdoorvoeren en dergelijke door hoeven. Maar voor een woning die voldoet aan de eisen  van het Bouwbesluit en onze wensen op het gebied van comfort vinden we het te kwetsbaar.

En op dat moment kwamen we een nieuw materiaal tegen: kalkhennep of, op zijn Engels, ‘hempcrete’: een combinatie van hennep en kalk. Industriële hennep is een snelgroeiende plant, die in het verleden in de Lage Landen veel geteeld werd. De buitenkant van de stengels is vezelig en daar werd en wordt touw van gemaakt. In de zeventiende eeuw moet het hier vól gestaan hebben met hennep: ál die schepen zaten vol met henneptouw!

(Om vragen vóór te zijn: industriële hennep heeft een heel laag gehalte aan THC  in de bloemknoppen en is daarmee ongeveer net zo hallucinogeen als bananenschillen. Dit verzin ik niet- van  de vezeltjes aan de binnenkant van een bananenschil, die aan de banaan blijven plakken als je ‘m pelt, schijn je high te worden als je ze rookt en droogt. Je moet wel eerst ongeveer een ton bananen eten en je krijgt er waarschijnlijk ook hoofdpijn van. Wie het wil proberen is welkom. De hennep waar ze wiet van maken is een andere cultivar, geselecteerd op het gehalte THC. )

De bínnenkant van die stengels, ‘hennephout’ genoemd, is heel poreus. In stukjes gehakt en gedroogd wordt het wel gebruikt als strooisel voor dierenverblijven. Maar je kunt het dus ook mengen met (gebrande) kalk, en dan krijg je een soort massa die je in een bekisting kan storten als beton. Dat  is eenvoudig zelf te doen en levert een muur op die uit één laag bestaat, luchtdicht is en dampopen, vochtregulerend is, een hoge thermische massa heeft tegenover een relatief lage milieubelasting, die je creatief kunt vormgeven (mooie ronde afwerkingen rond de ramen) en die gedurende het uithardingsproces ook nog jarenlang CO2 opneemt. (Voor alle eerlijkheid: het branden van de kalk kost natuurlijk wel energie en geeft CO2-uitstoot. Maar netto is het veel minder milieubelastend dan de productie van cement, beton en bakstenen). Eenmaal uitgehard heeft het een structuur die doet denken aan Ytong-blokken.

Het wordt dus houtskeletbouw met een isolatielaag van kalkhennep. De kalkhennep moet aan de buitenkant wel tegen de regen beschermd. Dat kan met een kalkstuclaag, maar wij willen dat graag doen met zwart potdekselwerk. Dat vinden we mooi passen bij de boerderij-uitstraling en het valt mooi weg in het landschap. Op ons vorige erf had Joris ook een  gepotdekselde werkplaats, tuinschuur en kippenhok gebouwd en niet alleen wijzelf vonden dat mooi.  (Het kippenhok staat hier alvast, in afwachting van de overige potdeksel-bouwwerken.)

En na nog heel veel meer heen-en-weer pingpongen met de architect kwam daar het volgende schetsontwerp uit:

(Zoals je ziet is onze architect ook erg optimistisch over hoeveel tijd wij gaan hebben als het huis eenmaal af is.)

Nu moeten we natuurlijk het hele circus van vergunningaanvraag door. Onze architect stelde voor om eerst een ‘vooroverleg’ met de gemeente te voeren. Dat is bedoeld als informeel overleg met de gemeente, om gezamenlijk in te schatten of het concept-ontwerp aan alle eisen (van bestemmingsplan, bouwbesluit en dergelijke) kan voldoen of dat er onoverkomelijke bezwaren zijn. Bij een zo ongebruikelijke bouwmethode als de onze is dat wel handig. Helaas maakt de gemeente Weststellingwerf het een stuk minder informeel. Gewoon telefonisch informeren naar de mogelijkheden kon niet: alle vragen moeten per mail gericht worden aan het algemene e-mailadres van de gemeente. (En dan maar hopen dat het uiteindelijk terecht komt bij degene bij wie het moet zijn). Zelfs de vraag, eind november, hoeveel ruimte er was in de agenda’s van de mensen bij afdeling Ruimtelijke Planning en of het zou lukken om vóór de kerst een vooroverleg in te plannen…

Dus op goed geluk is het schetsontwerp afgelopen donderdag via het Omgevingsloket Online (weer zo’n draak van een overheidswebsite) ingediend met een formeel verzoek tot informeel vooroverleg. En nu maar afwachten wat de gemeente ervan vindt.

In de tussentijd gaan we natuurlijk wel door. Er moet een constructeur gevonden worden, die de berekeningen kan maken voor de fundering en de constructie. En we moeten ons gaan verdiepen in de installaties voor water, warmte en ventilatie. Want ook dat willen we allemaal zo milieuvriendelijk en low-tech mogelijk uitvoeren. Daarover een volgende keer meer.

Plant een boompje

Het boomplantseizoen is begonnen! Rondom de boerderij staan maar weinig bomen. De Grote Eik, de Jonge Eik, de Kers, drie meidoorns en een rijtje van een paar armetierige berken, een paar nog armetieriger essen en een zich irritant uitzaaiende esdoorn met zijn nakomelingen. Nu de westschuur tijdelijk ook plat ligt waait de wind dan ook flink op het erf en door het huis.  Meer beschutting is gewenst.

Maar dat niet alleen, met zoveel ruimte willen we natuurlijk ook fruit- en notenbomen. Sterker nog, ik ben zeer gecharmeerd van het principe van het ‘voedselbos’: door de mens ontworpen maar zichzelf regulerend ecosysteem, dat geheel uit soorten bestaat die als mens nuttig zijn te gebruiken. Een meer uitgebreide beschrijving volgt nog. In elk geval, hoe meer bomen, hoe beter. (Hoewel ik in het kale Noord-Holland ben opgegroeid heb ik altijd een voorliefde gehad voor bosrijke gebieden). Ieder jaar dat de bomen eerder in de grond staan is een groeiseizoen meer, dus ik ben meteen met een plan begonnen.

Daarbij had ik geluk. Stichting Landschapsbeheer Friesland meldde dat we zouden kunnen meedoen aan een plan met Europees geld voor herstel van kleine landschapselementen. Via dat plan zouden we helemaal gratis (!) de verdwenen houtwallen aan de westkant van het perceel kunnen terugplanten, en een rij eiken langs de sloot aan de noordkant planten. Helaas is het moment dat duidelijk zou worden of het doorgaat nu tot twee keer toe opgeschort. Dus we weten nog steeds niet of dat doorgaat.

Gelukkig zijn er nog meer opties: Stichting Heg en Landschap heeft ook een boomplantprogramma, waarbinnen je voor een kleine bijdrage inheems plantmateriaal  kunt kopen. Daar heb ik me ook maar ingeschreven  voor een stuk of 250 boompjes. Ook daar moet de aanvraag nog voor goedgekeurd worden, dus afwachten maar…

De houtwallen en grotere landschapsstructuren zijn duidelijk, maar de rest? Ik heb natuurlijk wel vaker een tuinplan ontworpen, maar dit oppervlak is toch echt wel wat anders. Daarom heb ik de hulp ingeroepen van Hanneke Clabbers van voedselboskwekerij Arborealis. Samen met haar heb ik een globaal plan gemaakt, wat gebaseerd is op de oude perceelsstructuren, die nog in het microreliëf te zien zijn.

Ten zuiden van de boerderij moet het natuurlijk  zoveel mogelijk open blijven. In de winter willen we veel zon in huis, voor ‘passieve verwarming’. En sowieso moet er de komende jaren nog heel veel bouwverkeer rond  het huis kunnen bewegen. Voor dit jaar had ik daarom, behalve herstel van de oude landschapsstructuren, vooral beplanting langs de oprijlaan en aan de noordkant van de boerderij gepland.

Via de Stichting Fruit Yn Fryslan heb ik 13 hoogstam en 13 laagstamfruitbomen besteld. De bedoeling was om de hoogstambomen langs de oprijlaan te planten. Maar toen ik het plan ging uitzetten kreeg ik mijn twijfels. Krijgen fruitbomen hier niet teveel last van schaduw van de eiken? Kloppen die afstanden wel? En is de grond hier niet te nat? Toen we het plan maakten was het overal nog droog, maar na de vele regen van de afgelopen weken kan je heel duidelijk zien waar de leemlaag meer aan de oppervlakte zit en het water blijft staan.

Om kort te gaan: het plan is helemaal omgegooid.  Langs de oprijlaan komen lindebomen. Die gaan de verzurende werking van de eiken tegen en zullen op termijn in de zomer zorgen voor een rijke oogst aan lindehoning. Op de meest natte stukken plant ik elzen. Die leggen stikstof uit de lucht vast en werken dus als natuurlijke bemester.

Hoogstamfruit komt alleen langs het laatste stukje oprit, waar meer zon is (maar dat kan pas aangeplant worden ná de bouw van het huis) en aan de westkant van het huis. Aan de noordkant komen  walnoten. Gisteren ben ik 8 notenboompjes gaan halen bij kwekerij De Smallekamp in Nunspeet. (Een geweldig bedrijf overigens, waar je hartelijk ontvangen wordt en goed advies krijgt, echt een aanrader. Daar ga ik nog vaak terugkomen!) Omdat het wel even gaat duren voor die walnoten groot zijn komen daar ook laagstamfruitboompjes tussen.

En dan dus, hopelijk, nog de vele bomen en boompjes voor de landschapsstructuren die de komende weken de grond in kunnen. De schoppen zijn geslepen, de compost ligt klaar en ik hoop dat Gerrit Hiemstra en Koning Winter zich nog even een beetje koest houden…

Aanmodderen

Het is herfst. De natuur gaat in rust. En ook bij ons gaat alles even iets langzamer. De dagen zijn kort. Het hondje eist nog steeds veel tijd op. We merken dat we heel erg moe zijn na dit jaar met alle veranderingen. En alles kost meer moeite. Vanwege de modder.

Het weiland was van de zomer nog droog genoeg. Containerwagens met tien ton schroot, kraanmachines, alles kon er op. Vijfeneenhalve hectare, ruimte voor van alles.  Maar nu niet meer. Na de vele regen van de afgelopen maanden is het land boterzacht geworden. Eigenlijk is voor auto’s alleen het puinpad begaanbaar.  Een soort eilandje door het moeras. (Nou ja, moeras… het is zandgrond, dus het valt wel mee. Het is niet alsof er water op staat of zo. Maar we hebben ook wel een ommunige partij water gekregen de afgelopen maanden. Dat wordt prachtig door het land geabsorbeerd, want we hebben een mooie humuslaag. Die werkt als een soort spons. En dat is ons weiland nu dus. Een natte spons. Niet te hard op drukken, dan komt het water eruit.) Maar aan het eind van het puinpad moet je toch keren. Dat deden we op het weiland. Maar dat gaat nu eigenlijk niet meer.

Er zijn al diverse auto’s vastgelopen. Ik zei nog: “Het land is heel erg zacht, weet je het zeker?” Maar de leverancier van 7 m3 houtsnippers dacht dat het met zijn 4×4 pick-up wel kon. Binnen dertig seconden stond hij tot zijn assen in de modder… De auto die 6 m3 compost kwam brengen besloot het anders te doen en achteruit het pad op te rijden. In de bochten kostte dat toch wat moeite, met stukgereden kanten als gevolg. Nu merken we dus echt welke uitdagingen onze afgelegen ligging met zich meebrengt.

Dus we hebben maar even 16 rijplaten besteld. Dat is ongetwijfeld een nuttige investering, zo’n verplaatsbaar stukje weg of parkeerplaats.

(En ter illustratie van de afgelegen ligging: vanmorgen om 08.00 belde dus de firma die de rijplaten kwam leveren, dat de vrachtwagen de Ratellaan niet in kon. Nee, met een 18 meter lange wagen lukt dat inderdaad niet. Laat staan ons pad op.   Dus werden de platen aan het begin van de Ratellaan gedumpt. Maar ja, en toen?  Toen was daar Onze Boer Arnaud, die met zijn shovel even voor reddende engel kwam spelen. Wat hebben we het toch getroffen met zulke hulpvaardige buren.)

En al die snippers en compost? Die zijn voor de moestuin en de fruitbomen. Want langs dat pad komen 15 hoogstambomen te staan. Die ben ik nu aan het planten. En daar gaat de volgende blog over.

 

Ochtendroutine

Veel mensen vragen ons of we al helemaal gewend zijn. Het antwoord is: ja en nee.

We voelen ons helemaal thuis op onze stek en in de streek. De mensen hier zijn gemoedelijk en open, de omgeving is prachtig, het buitenleven is heerlijk. Ik geniet elke dag met volle teugen. Hoewel we in Amersfoort aan de rand van de stad woonden, zó konden gaan wandelen in bos- of weidegebied en een grote tuin hadden, beleef je de wisseling van seizoenen op het platteland toch intenser. Zeker als je zo ‘woonkampeert’ als wij momenteel.

Waar we wel aan moeten wennen, is dat alles zo veel tijd kost. Even naar de supermarkt lopen is er niet meer bij. In Amersfoort kwam het wel voor dat ik tijdens het koken zei “o jee, ik heb geen (vul in: tomaten, melk, ansjovis…) meer”. Dan liep Joris even naar de Albert Heijn en aten we welgeteld vijf minuten later. Hier is de supermarkt op 4 km afstand. (Wat natuurlijk nog meevalt, vergeleken met sommige andere mensen die ik ken). Je wordt gedwongen om er beter van te gaan plannen.

Ook op het erf kosten zaken veel tijd. Neem de was. Op mooie dagen wil ik de was doen, want dan kan-ie (hopelijk) buiten drogen. We hebben een wasmachine met een eco-programma, maar dat duurt eindeloos. Daar begin ik dus meteen om half zes mee, als we opstaan.

HALF ZES?! Ja, op maandag en donderdag in elk geval wel. Dan moet Joris naar Roermond en hij vertrekt om zes uur, om de files voor te zijn. En als echt ochtendmens kom ik, als de wekker twee keer per week om half zes gaat,  in no time in een ritme  waarin ik ook de rest van de week om kwart over  vijf wakker word. Zeker als ik weet dat er een hondje in de bench zit te wachten dat graag uitgelaten wil worden. Dus dat is het allereerste begin van de dag: trui en overall over mijn pyjama, warme sokken en wolgevoerde laarzen aan en een rondje met Aska lopen. Het is hier stikdonker dus bij helder weer kan ik mijn kennis van de sterrenbeelden oppoetsen. Daarna alle dieren eten geven: Max en Minoes moeten apart voer, omdat Max een darmprobleempje heeft. En Aska krijg natuurlijk weer ander voer. En uiteraard willen ze allemaal het liefst andermans voer eten…

Dus zodra iedereen eten heeft de eerste was in de machine. De wasmachine staat in de stal. Toevoer van water geschiedt door middel van een tuinslang die naar de ‘bouwwaterput’ loopt. (We hebben speciaal een gaatje in de deur gezaagd zodat de voordeur ook op slot kan als ik de was aan het doen ben. Dat kon eerst niet.) Maar die kan niet permanent aangekoppeld blijven. Dus was in de machine, slang aan de kraan koppelen, terug lopen, slang aan de wasmachine-aansluiting  koppelen, wasmachine- aansluiting open zetten, checken of alles dicht zit, terug lopen, kraan open zetten, terug lopen, wasmachine aan zetten, erbij blijven staan tot je zeker weet dat het programma loopt.

En ja, zo langzamerhand vriest het soms ’s nachts. En laten dat nou net de nachten zijn vóór een mooie (was)dag. En dan zit de koppeling van de tuinslang dus vol met één bonk ijs. Dus dan komt er nog bij: water koken en de koppeling van de tuinslang ontdooien zodat je ‘m kunt aansluiten, heet water over de slang gieten zodat het water er doorheen kan stromen… Dit alles bij het licht van de mobiele telefoon.

Het is wat anders dan de was ’s avonds in de schone, goed verlichte  bijkeuken in de wasmachine proppen en ‘m op tijdsprogrammering zetten,. zodat -ie ’s ochtends schoon uit de machine komt zoals ik in Amersfoort deed . Maar hé, ik ben al lang blij dat de wasmachine het doet!

Daarna de kachel aanmaken (héél essentieel!). De kippen en eenden uit hun nachthok laten. En dan mag ik me aankleden en ontbijten.  Tja, de ochtendroutine is wat anders dan vroeger. En dan hoef ik nog niet eens geiten te melken…

Het went wel. Zo zijn er veel zaken die langzamerhand moeten wennen. Eigenlijk ben je pas echt gewend op een plek als je er minstens een jaar hebt gewoond, alle seizoenen hebt meegemaakt. Zo ver  zijn we nog niet. En het zal nog wel langer duren voor we echt helemaal geland zijn. Geduld is een schone zaak.

En zo zijn er veel zaken die veel tijd kosten. Ook het ontwerp van het huis. We hebben intussen met de architect al een heel proces doorgemaakt waarin we van vrij royaal naar zo klein mogelijk zijn gegaan en daarna toch weer naar wat groter, maar wel simpeler. De plattegrond is min of meer uitgekristalliseerd en hopelijk hebben we binnenkort het eerste 3D-model.

Ons leven is echt heel anders geworden dan het was. Maar we genieten volop van ons avontuur. Want wat is het mooi, om de opkomende zon over je eigen berijpte weiland op je eigen eiken te zien schijnen…

 

 

 

 

 

Sonderingen, fundering en ontwerp

Een huis moet gefundeerd worden. Bij het huidige huis is dat uiterst simpel gedaan: het gras is weggekrabd, er is een rijtje bakstenen dwars gelegd en daarop is men gaan metselen. Eigelijk kan je van een fundering nauwelijks spreken. Toch staan de muren nog recht en zitten er geen scheuren in!

Voor de bouwvergunning moeten we echter een beter beeld hebben van de bodemsterkte. Daarom zijn er op 25 september ‘sonderingen’ gedaan. Daarbij wordt vanuit een wagentje vol meetapparatuur een grondboor de grond in gedrukt. De apparatuur meet de weerstand van de bodem en daaruit valt af te leiden hoe sterk de fundering moet zijn.

Voor iedereen die zich afvraagt wat dit soort vierkante wagentjes, die je wel eens op de snelweg ziet, nou toch zijn: het zijn dus sondeerwagens.

Omdat het huidige gebouw er nog staat was het nog niet makkelijk om met de ‘sondeerwagen’ overal te komen. Meestal wordt er dan ook pas gesondeerd als de bebouwing al gesloopt is, en je precies op de plekken kunt sonderen waar het toekomstige gebouw komt. Maar van andere zelfbouwers hebben we gehoord dat het wel verstandig is om je sonderingen al vroeg in het proces uit te voeren. Anders loop je kans dat later het hele ontwerp moet worden aangepast.

Voorzichtig manoeuvreren om zo dicht mogelijk bij het huis te komen
Aan de onderkant gaat deze grondboor de grond in
en dan wordt hier de weerstand van de grond gemeten

Helaas vond het sondeerbedrijf dat de bodemweerstand op één plek onvoldoende gelijkmatig was om een strookfundering te gebruiken. (Dat is gewoon een brede strook gewapend beton). Een tegenvaller, want dat is verreweg de goedkoopste fundering. En omdat het huidige gebouw vrijwel geen fundering heeft dachten we dat een strookfundering wel voldoende zou zijn. Maar het geotechnisch rapport adviseerde palen. Dat is al snel €10.000 duurder, bovendien kan een heikraan hier helemaal niet komen.

Nu hebben we het gevoel dat de funderingseisen tegenwoordig zwaar overtrokken zijn. Natuurlijk is een goede fundering belangrijk – je wilt geen scheuren in de muren! Maar tegenwoordig funderen we steeds dieper. Als ‘vorstvrije grens’ geldt sinds kort niet meer 60 cm onder maaiveld maar 80 cm. Terwijl de winters steeds milder worden. Wanneer hebben we nou voor het laatst 60 cm (laat staan 80 cm!) vorst in de grond gehad? In de winter van 1963? Maar toen waren die eisen nog helemaal niet zo streng…

De funderingseisen hebben er natuurlijk enerzijds mee te maken dat gebouwen steeds beter geïsoleerd worden, en daarmee steeds zwaarder. Maar ik heb het donkerbruine vermoeden dat de betonlobby er ook iets mee van doen heeft. Overigens is kalkhennep een relatief licht bouwmateriaal, veel lichter dan beton of metselwerk. Dus we zien niet echt in waarom dat niet gewoon op een strookfundering zou kunnen. Helaas zal de vergunningverlener van de gemeente gewoon kijken naar het advies van het sonderingsbedrijf.

Een mogelijk alternatief zou een ‘evenwichtsfundering’ kunnen zijn. Dat is een dikke laag schuimbeton. Die is lichter dan de grond die wordt weggehaald, en moet zo dik zijn dat het gewicht van het huis + het schuimbeton gelijk is aan het gewicht van de grond die wordt weg gehaald. Bovendien heb je daarmee meteen een supergoed geïsoleerde vloer. Helaas hangt er wel een prijskaartje aan. En het wordt lastiger om een kelder te maken, wat we toch we heel graag zouden willen.

Kortom, we zijn er nog niet uit,…

Intussen puzzelen we hard aan het ontwerp van het huis zelf. Ook dat zorgt voor hoofdbrekens. Er wordt driftig heen en weer gemaild en ge-Whatsappt met de architect en ik werk plattegrond na plattegrond uit. Op millimeterpapier, want ik heb drie dagen lang geprobeerd om met het tekenprogramma Sketchup te leren werken en dat is me niet gelukt. Nog even geduld dus, voordat daar plaatjes van komen.

 

 

 

Einde van de Westschuur

Ik loop hopeloos achter met het bijhouden van het blog. Er gebeurt gewoon te veel om op te schrijven!

Aska groeit goed, maar wat is het veel werk, zo’n hondje! Zeker in combinatie met de katten. Ze willen graag met elkaar spelen,. maar af en toe wordt Aska  iets té enthousiast en grijpt ze Max met haar scherpe tandjes vast en schudt hem als een lappenpop (of een prooi) heen en weer. Dat moeten we haar natuurlijk afleren en dat valt niet mee!

Ook snapt ze op zich wel dat ze niet binnen moet poepen of plassen, maar het verschil tussen ‘binnen’ en ‘buiten’ is nog niet helemaal helder. Dat kan ik haar niet helemaal kwalijk nemen, want dat ís ook een beetje diffuus. In de ‘tas’ bijvoorbeeld, regent het gewoon naar binnen en is de vloer onverhard. Zowel Aska als de katten beschouwen het daarom als een overdekt toilet. De dag begint dus meestal met drollen scheppen in de schuur (bij het licht van de mobiele telefoon…).

De eerste helft van oktober hebben we, stukje bij beetje, de ‘westschuur’ afgebroken. Nog een hele operatie, want het dak op durfden we niet, je weet nooit hoe wrak het is. Alle dakpannen heb ik er van binnenuit afgehaald. Dat was héél veel keer de ladder op en neer. De dakpannen hebben we bewaard, hopelijk is een deel nog bruikbaar voor op de nieuwe werkplaats.

Begin september ging het asbest dak eraf. Vervolgens stortte het voorste deel van de schuur in.
september: de zijwanden weghalen
Hier kan je er al een beetje doorheen kijken!
Héél veel keer de ladder op en af. Dit was eigenlijk een klus om met zijn tweeën te doen.
Stapels dakpannen om te sorteren: welke kunnen nog hergebruikt worden?

Opvallend was, dat het pannendak aan de binnenkant ‘beschoten’ was met oude kunstmestzakken. Dat hebben we ook al op andere plekken gezien. Een prachtig staaltje van  hergebruik: de zakken zijn netjes dakpansgewijs tussen de panlatten en de dakpannen verwerkt. Dat scheelde enorm veel tocht en ook lekkage. Alleen is er in de loop der tijd heel veel bladafval en stof tussen de dakpannen en de zakken gekomen en daar zijn muizen in gaan nestelen. Het was dus een vieze bedoening om alles van binnenuit naar beneden te halen!

Close up van het ‘dakbeschot’Overigens werkte het ‘dakbeschot’ niet helemaal. Op sommige plekken waren toch lekken ontstaan, en doordat al het water via het plastic naar die plekken getransporteerd werd waren er diverse balken behoorlijk doorgerot.

Helaas werkte het dakbeschot op sommige plekken juist als een soort kanaal waarlangs het water op één plek op de constructie liep

 

Hier is goed te zien dat de ‘Grote Eik’ echt ín de westschuur stond – en langzamerhand het dak uit elkaar gedrukt had.  

De nok was ook op een interessante manier geconstrueerd: op de nokbalk lagen opgerolde kranten, die rond dakpanscherven gerold waren. Dat geheel was weer afgesmeerd met cement. Aan de hand van de kranten kon ik de schuur (of in elk geval het pannendak) dateren: de kranten waren uit de periode mei-juli 1955.

Vreemde nokconstructie, van kranten, dakpanscherven en cement.

Doorzicht!
Ook het gebint rustte (met een extra paaltje) tegen de Grote Eik aan
Op de Grote Eik is goed te zien dat hij deel uitmaakte van de schuur
De kap eraf!

 

Neerhalen van het gebint

Al het ongelakte hout gaat de kachel in: met het behandelde hebben we de zoveelste container gevuld. Toen de kapconstructie er eenmaal af was stond alleen het gebint nog. Dat was van duidelijk vele malen eerder gebruikt eiken. Vol met houtworm, maar nog altijd loodzwaar. Intussen was de houtcontainer vol, dus die balken liggen nog even te wachten op een nadere bestemming.

En toen was er uitzicht! Wat een ruimte en wat een prachtig gezicht, nu de ‘Grote Eik’ helemaal vrij staat. Jammer dat we er opnieuw een schuur gaan bouwen. Maar dat zal toch moeten, want we moeten een werkplaats hebben, om van daaruit straks het huis te bouwen. Aan het ontwerp van het huis zijn we ook heel hard bezig, maar dat volgt in een volgende blog.

En toen was er uitzicht! Eigenlijk zonde om er weer een schuur voor te zetten…

 

 

 

 

 

 

Aska

Op een boerderij hoort een hond. Die kan waarschuwen als er volk op het erf is en dat is wel handig hier. (Ik heb al een paar keer gehad dat er onverhoeds mensen stonden, die ik niet had opgemerkt omdat ik achter op het erf bezig was. Tot nu toe nog niet op een moment dat ik net bloot    onder de douche vandaan kwam, maar dat is natuurlijk een kwestie van tijd…) Maar wat voor hond? Ik ben eigenlijk nooit zo’n hondenliefhebber geweest. Als kind was ik er doodsbang voor en ik houd nog steeds niet van de lucht van honden.

Maar toen ik 20 jaar geleden in Australië rondreisde heb ik op een schepenfarm Australian Kelpies aan het werk gezien. Niet te grote hondjes, die buiten op het erf van de boerderij woonden en flink moesten werken voor de kost. Dat werk bestond uit het opdrijven en bij elkaar houden van de enorme kuddes schapen. Eén van mijn leukste herinneringen aan dat jaar is toen ik zelf een keer meeging met schapen ophalen (“ronding up a coupla herds”). Op een motorfiets over de heuvels crossen, met een nieuw hondje achterop. Toen we kwamen waar de schapen waren was het prachtig om te zien hoe de honden de aanwijzingen van de boer volgden. Ze wisten precies wat ze moesten doen en genoten duidelijk van het werk.

Kelpies zijn kleiner en lichter dan de ‘Australian Shepherd’ (die trouwens helemaal niet uit Australië komt!) en de ‘Australian Cattle Dog’ (die, zoals de naam al zegt, gefokt is om koeien te drijven). Daardoor kunnen ze over de ruggen van de schapen heen rennen als ze snel aan de andere kant van de kudde moeten zijn of de schapen dicht op elkaar door een geleiderail moeten worden gedreven. Wat de schapen daarvan vinden is niet bekend (maar ik heb wel een idee).

Dus toen Dorien liet weten dat hun hond puppies had met een Kelpie als vader was ik wel heel erg geïnteresseerd. De moeder is een mengelmoes, net iets groter dan een Kelpie. Maar ook een gezonde en slimme hond die goed is in schapen en geiten drijven. Bovendien zijn ‘vuilnisbak’-honden meestal gezonder dan echte rashonden.

Dus we besloten dit dit toch wel een hele goede kans was om een gezond beestje van bekende oorsprong en met waarschijnlijk goede eigenschappen aan te schaffen. En sinds afgelopen zondag woont Aska in huis. Half Kelpie, 1/8 Duitse Staander, 1/8 van nog iets bekends en 1/4 vuilnisbak.  Met een mooie black-and-tan tekening en jammer genoeg de hangende oren van de moeder (ik vind de rechtopstaande Kelpie-oren eigenlijk mooier).

Voor de poezen is het even wennen, maar ze zijn al snel vriendjes geworden. Aska en Max gaan lekker samen op avontuur en ze kunnen leuk samen spelen. Ik vind dat erg dapper van Max want Aska is wel 5 x zo zwaar als hij. Maar hij is natuurlijk een puber-kater, dus hij kan ook wel tegen een stootje. Als het spelletje te ruig wordt krijgt Aska een haal over d’r neus en ze begint al te begrijpen dat het dan afgelopen moet zijn. Ze waren al bezig om samen muizen te vangen (Aska graaft een muizenhol uit en Max zit er gespannen naast, klaar om wegrennende muizen te bespringen) dus ik voorzie een vruchtbare samenwerking.

Ze doet hard haar best om de nieuwe omgeving en de poezen te begrijpen en kan (als ze niet afgeleid wordt) al heel goed de commando’s “kom”en “zit” volgen. En zoals het een halve Kelpie betaamt heeft ze enorm veel energie!

Moestuin

Het seizoen voor de interim-moestuin is afgelopen, de pompoenen en courgettes zijn geoogst. Nu kan ik eindelijk een begin maken met de echte moestuin.

Omdat ik verwacht dat er hier heel wat konijnen en reeën belangstelling zullen hebben voor mijn groente ben ik begonnen met een degelijk hek. Gaas van 1,20 m hoog en daarboven komt nog een draad.  Langs de onderkant ligt nu een balk. Misschien dat ik daar langs ook nog gaas moet ingraven, maar dat stel ik nog even uit.

Ik blogde al eerder over de staat van de moestuin: een stevige grasmat, vol kweek en bramen. Omspitten is geen optie. Niet alleen is dat heel zwaar werk, maar de wortels van het kweek (en de overige grassoorten) zullen eindeloos blijven uitlopen, zolang de blaadjes het licht kunnen bereiken. Dus ik neem mijn toevlucht tot een beproefde methode: de grasmat verstikken met een mulchlaag. Omdat ik daar veel vragen over krijg wat uitleg.

Met ‘mulchen’ maakte ik twintig jaar geleden voor het eerst kennis in Australië. Het betekent simpelweg het afdekken van de grond en is in de Angelsaksische landen een beproefde methode om het opkomen van onkruid en verdamping van water tegen te gaan. In Nederland is vaak nog blote aarde de norm, liefst netjes geschoffeld. Maar dat biedt weinig bescherming aan de enorme verzameling van schimmels, bacteriën, insecten, wormen, springstaarten, mijten en andere organismen die we samenvatten onder de noemer ‘het bodemleven’. En dat bodemleven wil je juist stimuleren. Regenwormen maken de grond luchtig en transporteren voedingsstoffen door de bodemlagen. Bacteriën en schimmels breken organisch en anorganisch materiaal af tot bestanddelen die als voedingsstoffen door de planten kunnen worden opgenomen en humus die deze nutriënten vasthoudt. Schimmeldraden kunnen nutriënten over vele meters transporteren. Kortom, deze nuttige hulptroepen wil je koesteren. Maar dat doe je niet door de grond om te spitten (waarbij je het bodemleven enorm verstoort) en kaal te houden (waardoor harde wind, UV-straling van de zon , vrieskou en plensregens vrij spel hebben op het oppervlak), maar door haar te bedekken. Liefst met organisch materiaal, maar zwart plastic kan soms ook nuttig zijn. Mijn tuiniermethode is de afgelopen twintig jaar dan ook steeds meer gericht op het niet keren van de bodem en het stimuleren van het bodemleven.

Ik ben begonnen met het uitzetten van de bedden. Die worden 1,20 m breed, met paden van 80 cm er tussen. Dat lijkt verspilling van ruimte, maar doordat ik niet op de bedden loop blijft de grond daarin luchtig en vruchtbaar. Daardoor kan ik de bedden straks helemaal tot de rand vol planten. De planten zullen in het groeiseizoen ook over de randen van de bedden hangen. In de winter kan ik dankzij de brede paden overal goed bij met de kruiwagen.

De bramen heb ik uitgestoken, die laten zich niet makkelijk verstikken. De grasmat dek ik af met grote stukken karton, dat ik heb gekregen van de Kluswijs in Noordwolde. Daarop komt een dikke laag (50 cm!) organisch materiaal. Liefst met een goede verhouding tussen koolstofrijk en stikstofrijk materiaal, zodat het kan verteren tot vruchtbare compost. Ik gebruik wat ik maar voorhanden heb of waar ik makkelijk aan kan komen. Op dit moment heb ik vooral gehakselde takken en bladeren en oud hooi tot mijn beschikking. Dat bevat vooral koolstof en zal dus niet erg snel composteren. Geeft niet: de voedingsstoffen zouden in de winter toch maar uitspoelen door de regen. Hoofdzaak is nu eerst dat het gras verstikt wordt.

De planten plant ik komend voorjaar in de mulchlaag, waar ik dan wat mest bij voeg. De mest brengt het verteringsproces goed op gang. Daarbij ontwikkelt het bodemleven zich en worden de mulchlaag en het inmiddels dode gras omgezet tot nutriënten die de planten kunnen opnemen. De eerste vijf bedden zijn aangelegd: nu de rest nog.