Zolder en kelder

De werkplaats is nog niet helemaal af. Maar we hebben besloten de zolder alvast in gebruik te nemen, nog vóórdat hij af is. Dat wil zeggen, we tapen de naden van de OSB-platen aan de binnenkant niet helemaal af. Aan de buitenkant is het dak wel helemaal kierdicht, want er moet natuurlijk geen vocht in komen. Maar dat beetje tocht doordat de naden aan de binnenkant niet kierdicht zijn nemen we voor lief. Misschien is het zelfs wel gunstig voor een beetje ventilatie als het straks vol staat met al onze zooi.

We zijn vast begonnen om het één en ander naar boven te verplaatsen. Zo heb ik eindelijk mijzelf gedwongen de kelder leeg te halen. Daar stonden maar liefst 54 prachtige oude weckpotten, dik onder het stof, zand, spinnewebben, dode pissebedden en andere viezigheid  – waarschijnlijk al zo’n 45 jaar. Op basis van de oude kranten die we vonden in de bedstee bóven de kelder schatten we dat het kelderluik sinds de vroege jaren ’70 niet meer open is geweest. Het is natuurlijk niet een helemaal waterdichte datering – de kranten kunnen ook later naar de bedstee verplaatst zijn.  De rubber ringen heb ik maar weggegooid: de weckpotten vullen weer twee dozen voor de zolder.

Wel een opluchting om zaken naar een ‘schone’ ruimte  te kunnen verplaatsen. In een doos met kampeerspullen en in verschillende dozen  met (antiek) porselein hebben muizen huisgehouden. Misschien nog van vóórdat we de katten hadden, want die dozen hadden we al verplaatst vóór de verhuizing. Verpakkingsmateriaal is aangeknaagd (en onze lakenzakken, opblaaskussentjes en het grondlaken voor de tent ook 🙁 ) en alles zit vol poep en pies. Getver! Alle dozen moeten dus gecontroleerd en zo nodig uitgepakt, de inhoud afgewassen en opnieuw ingepakt.

 

Beneden is inmiddels de hele uur met warme houtvezelplaat bekleed. Nog ‘even’ de elektriciteit aanleggen en dan kan de leemstuc erop.

Pannendak

Afgelopen weekend kwamen Wies en Robert met de kleine meisjes logeren; wij vormden een handige  uitvalsbasis om naar de reuzen in Leeuwarden te gaan kijken. Bart en Willemien kwamen ook en Karali bood aan om ook langs te komen. Zoveel helpende handen was een goede gelegenheid om eindelijk een begin te maken met het dakdekken, want er lijkt nu toch wel echt een einde aan het mooie weer te zijn gekomen.

Maar zoals het altijd gaat: vóór je iets kunt doen moet je eerst nog iets anders doen. In dit geval: het schoonmaken van de stapels dakpannen die van de oude schuur af kwamen, en die sinds oktober vorig jaar op stapels in een hoek van het erf lagen.

En tijdens het schoonmaken zag ik weer, dat het weliswaar allemaal donker geglazuurde ‘oude holle’ pannen zijn, maar wel van verschillende partijen. Die allemaal nèt ietsje anders zijn. Soms duidelijke verschillen, soms héle subtiele, die je eigenlijk pas gaat zien als je er een stuk of 1000 door je handen hebt gehad. Dat is niet gunstig voor de waterdichtheid. Een pannendak sluit het mooist als de pannen zo uniform en maatvast mogelijk zijn.

De aangewezen methode zou dus zijn: eerst alle (>1000) pannen zorgvuldig op soort sorteren, bepalen hoeveel je van elke soort hebt en welke het best op elkaar aansluiten en vervolgens het dak dekken diagonaal vanuit één hoek met opeenvolgende reeksen pannen.

En daar kwam het gat tussen theorie en praktijk: toen ik eenmaal enigszins een idee had van wat de kenmerken waren van de verschillende partijen was het al zaterdagmiddag. Bovendien wisten we niet precies hoeveel pannen er in de lengterichting van de werkplaats zouden komen te liggen.

Dus als het niet kan zoals het moet dan moet het maar zoals het kan: we hebben de meest herkenbare soorten eruit geselecteerd en zijn daarmee begonnen. Met zoveel handen konden we een mooi ‘treintje’  maken. Lotis werkte dapper mee. We moeten toch maar op zoek naar werkhandschoenen maatje XXS want met je blote handen dakpannen doorgeven vonden wij voor een vierjarige wel erg hardcore (zelf vond ze dat ze ook best wel twéé dakpannen tegelijk kon doorgeven.)

 

Met hulp van het vogelaarsoog van Bart (getraind op het herkennen van kenmerk-combinaties) en het timmermansoog van Willemien (die van een afstand aanwijzingen gaf of we wel recht gingen) lukte het toch nog redelijk om het dak te dekken met rechte rijen. Over sommige plekken zijn we niet helemaal tevreden.  Nu maar hopen dat het voldoende water- en stormvast ligt…

Hier was Willemien dus koffie aan het zetten. Ook fijn, maar zonder het wakend timmermansoog gingen de rijen toch enigszins slingeren  
Van een afstand ziet het er best redelijk uit

Er komt nog een overstek langs de lange zijden. Daarvoor moeten eerst nog dragers worden aangebracht. De einden van de daksporen die uit de overgang muur-dak  steken liggen immers ónder de dakisolatie en de daklatten en panlatten die daarop zijn bevestigd, terwijl de panlatten van het overstek direct op de sporen bevestigd kunnen worden. Op de daksporen moeten dus dragers voor het overstek worden aangebracht. Dat heeft als voordeel dat we ook een klein knikje in de dakvoet kunnen aanbrengen, wat er net wat levendiger uitziet.  En natuurlijk komen er ook nog dakgoten.

Binnen is Joris bezig de stucplaten aan te brengen. Ook moet er nog een tussenwand geplaatst, de elektriciteit moet aangelegd en dan kan ik de binnenzijde stuken. Nog veel werk en we krijgen haast. Want pas als de binnenkant af is kunnen we de spullen uit de boerderij overbrengen en de boerderij gaan afbreken. En dan hebben we eindelijk de pannen voor de ándere zijde van het dak….

Op de boerderij liggen de ‘oude holle’ pannen wel redelijk strak. Hopelijk is dit één (maatvaste) partij.

Eindelijk regen!

En daar kwam het dan eindelijk: de langverwachte regen. Als het NOS-journaal opent met de woorden “Het regent in Nederland!” weet je zeker dat er iets bijzonders aan de hand is…

Wij kregen zomaar, in drie dagen achter elkaar, 72 mm! En schoven daarmee van de categorie gebieden met het ernstigste neerslagtekort naar het op één na kleinste neerslagtekort.

Het gras in het weiland begint al wel weer groen(ig) te worden, maar het gras op het erf is dermate stukgelopen dat het niet meer uitloopt. Dat wordt dus een modderboel komende winter. We kunnen nog wel wat metalen roosters gebruiken als tijdelijk looppad, mocht iemand ze over hebben…

 

Intussen zitten we niet stil met het werk aan de werkplaats: we hebben weer kilometers tape geplakt, Joris heeft binnen al een deel van de wand bekleed met houtvezelplaten waarop ik straks kan stuken, en ik heb de twee resterende gevels zwart geschilderd. Dat honingkleurige was ook mooi, maar het blijft niet honingkleurig… na één winter is het onregelmatig grauw verkleurd. Met een beits op basis van lijnolie is het hout goed beschermd.

En we hebben, met hulp van onze fantastische buren Leo en Henderika, de trap geplaatst. Dat geeft ook al weer meer het gevoel van een ‘echt’ gebouw.

Wat moet er nu nog gebeuren? Dakpannen op het dak! Dat is natuurlijk heel belangrijk. Een klus die met meerdere handjes veel sneller geklaard is. Wie komt er komend weekend helpen?

Binnen komt nog een laag houtvezelplaat tegen de muren en plaatsen we een binnenwand tussen het ‘kantoor’ en de werkplaats. Dan moet er nog elektriciteit worden aangelegd en moeten de muren met leem worden gestuukt en gesaust. We zijn dus nog niet klaar. Maar dan hebben we ook echt een plezierige ruimte voor het werk tijdens de bouw van het woonhuis.

Het voelt nu al heel fijn. Eindelijk echt iets wat als een ‘gebouw’ voelt, met dichte, tochtvrije muren, een plezierig binnenklimaat en een vlakke vloer die niet zwiept als je eroverheen loopt.

Hulp!

Afgelopen weekend kwamen Bart en Willemien helpen. Dat was erg fijn: Bart heeft binnen in de werkplaats weer kilometers panelen afgetapet en Willemien en ik hebben weer een gevel zwart geschilderd. Wat wordt het mooi!

Nu kunnen binnenkort de pannen op het dak, dan is het eindelijk echt wind- en waterdicht. Dat is wel een klus waarvoor het handig is als er veel mensen zijn. Wie komt er helpen?

We hebben alvast (met hulp van Bart, verschillende héél dikke en zware balken, een palletwagen en een aantal kunststof rijplaten)  Joris’ zware vlakbank en zaagtafel naar de nieuwe werkplaats overgebracht. Ze hebben flink geleden van het verblijf in de koude en vochtige stal afgelopen winter. Het wordt heel wat poetsen om de roest er weer af te krijgen.

Water is leven (2)

We hebben een bron!

Het landgoed zucht en steunt onder de droogte. De mooie grote kers laat zijn blaadjes vallen of het herfst is. In de houtwallen is zoveel blad afgevallen dat je er dwars doorheen de huizen van het dorp ziet (vorig jaar was het een groene muur tot eind oktober). De lijsterbessen hebben het meeste last, die zien eruit alsof ze dood zijn.

In de moestuin heb ik verschillende gewassen maar gewoon opgegeven, die zijn niet meer te redden. Het gras op het erf is eerst dood gegaan en toen stuk gelopen. Het erf is nu een zandbak. (Dat wordt weer fijn van de winter, dan zal het weer één modderpoel zijn.) Alles is bedekt met een laagje zwart stof: de humus uit onze grond.

      

En al het water moest uit de waterleiding komen. (Hoe de oude Haanstra het in vredesnaam deed in een droge zomer met enkel die twee regenbakken en koeien en een moestuin, daar breken we  ons werkelijk het hoofd over…)

Een vriend van me heeft een buurman die hydrotechnicus is. Op aanwijzingen van de buurman had de vriend zelf een bron geslagen in de achtertuin, met onbeperkt prachtig helder, koud water. Dat wilde ik ook wel!  De buurman wilde het zelf ook wel komen doen voor een zacht prijsje, samen met zijn zoon.

   

Vorige week donderdag kwamen ze, gewapend met grote buizen en een aanhanger vol materiaal. Maar in tegenstelling tot Bennekom, waar de vriend en de buurman wonen, bestaat hier de grond niet enkel uit zand, maar uit zand en leem. Keileem. Met keitjes erin dus. Die blijven hangen in de puls. Na een hele dag pulsen (bij 35 graden in de schaduw!), was het nog niet gelukt om een  pakket aan te boren dat voldoende doorlatend was voor een bron.

Afgelopen vrijdag een nieuwe poging, met een ander soort boor. Ze moesten tot 14 meter diep gaan, en zelfs deze boor had moeite met de  keien die hij tegenkwam. Gelukkig geen echt grote blokken. Aan het eind van de dag was het even spannend… we dachten dat hij wéér geen water gaf… maar het lukte! Nu kunnen we eigen grondwater oppompen!

Er zit wat leem in het water, en vrij veel ijzer, maar verder is het goed. Waarschijnlijk kunnen we het, als we er een ontijzeringsinstallatie achter zetten, ook gebruiken voor de wc in het nieuwe huis. Die wilden we met regenwater gaan doorspoelen. Maar dan moet er een tank worden ingegraven op het erf. En de tank en de bezorging en het graafwerk gaan bij elkaar veel meer kosten dan een ontijzeringsinstallatie. (Nog los van alle problemen met vrachtwagens die ons pad niet op kunnen, oude septic tanks die nog in de grond in het erf zitten en dergelijke.) We voeren geen water af van het perceel: al ons afvalwater komt, na zuivering door het helofytenfilter, weer terug in het perceel. Dus feitelijk gebruiken we de grond dan als opslagtank.

De nieuwe locatie is iets moeilijker bereikbaar met de trekker dan de ‘bouwput’ waar het kraanwater zit, dus het blijft een enorm karwei om de boompjes van water te voorzien. We moeten nog een waterleiding aanleggen naar een tappunt waar we goed bij kunnen. Voorlopig is het nog veel heen en weer rijden. Ik vraag me af wat er over blijft van het historische microreliëf. Eén voordeel: ik leer heel goed manoeuvreren met de trekker.

De moestuin is met de tuinslang goed bereikbaar vanaf de pomp. Eens zien of het lukt om die te laten herleven! Jammer genoeg zit er waarschijnlijk nog  teveel zand / leem in het water om de zwenksproeier erop te zetten.

 

Heet!

Wat een zomer… Afgelopen donderdag en vrijdag waren werkelijk niet te harden. In de schaduw liep de temperatuur op tot 36 graden. Wat het in de zon was wil ik niet eens weten. Dus de moestuin heeft een behoorlijke hitte-schok gehad. Erg mooi ziet het er niet meer uit.

\

    

Sowieso doet ons domein momenteel sterk denken aan Australië. In december 1997 reisde ik daar enkele weken met een soort ‘kermisgroep’ mee, naar afgelegen plaatsjes in de outback van New South Wales, waar helemaal nooit iets gebeurde behalve één keer per jaar de ‘rodeo’. Daar kwamen wij dus voor, met een prijsschiettent, een snackbar en dergelijke. Dat was één dag en avond hard werken met veel opwinding, de volgende dag opbreken en úrenlang met 80 km / uur rijden naar het volgende minuscule plaatsje in-the-middle-of-nowhere. Daar brak dan een periode aan van voornamelijk wachten; de volgende rodeo was natuurlijk ook pas weer op zaterdag. Het landschap bestond uit geelgeblakerd gras met een zinderende zon erboven en de temperatuur in de caravan die mij was toebedeeld liep op tot boven de 40 graden (de kermismensen zelf hadden luxe woonwagens met airco).  Het was een ervaring, maar niet één die ik nu per se hoefde te herhalen. En ook niet één waarvan ik had verwacht dat de verhuizing van Friesland me eraan zou herinneren.

Zaterdag kregen we zowaar een paar buien. Omdat we nog altijd niet weten hoe we het gaan oplossen met de dakpannen liggen er tijdelijk zeilen over het dak van de werkplaats.

Werkplaats

Yesss! Vandaag heeft Joris het laatste potdekselplankje op de buitenkant van de werkplaats geschroefd. Dat was héél veel werk, hij is er bijna twee weken full-time mee bezig geweest. Met de hitte trokken de planken krom (of misschien waren het toch niet zulke goede kwaliteit planken als bij de vorige werkplaats…). En het is héél veel passen en meten, steiger op, steiger af…

\

 

Nu is de buitenkant af, op de dakpannen na. Normaal gesproken doe je die éérst, zodat het dak dicht is. Maar het regende toch niet. En het is makkelijker om de aansluiting van de muren en het dak bovenaan te maken als je van onder naar boven werkt.

Bovendien zijn die pannen nog een beetje een logistiek dingetje. We  willen namelijk graag rode pannen op de schuur. Maar die liggen nu nog op de stal en op het huisje. En als we die nu er al af halen en het gaat (eindelijk) regenen, dan hebben we wel een probleempje. Want vóórdat alles over kan naar de werkplaats moet eerst de binnenkant nog afgemaakt worden.

We hebben wel de oude zwarte pannen, van de vorige schuur. Dus waarschijnlijk wordt het deels zwarte pannen en deels zeil, voorlopig.

Rob en Roos hebben alvast geholpen om één wand zwart te schilderen. Het begint er op te lijken!

Droog!

Zó staat de helft van je land onder water, en zó heb je, amper een half jaar later, een dagtaak aan het water geven van je nieuwe aanplant. Het moge duidelijk zijn dat het klimaat echt aan het veranderen is.

Momenteel is ons land helemaal geel. De boompjes zijn nog wel groen, maar ik ben dan ook de hele dag bezig met water geven. We vullen de IBC-containers met (helaas leiding-)water , zetten ze met de trekker bij de bomen en leggen dan steeds een half uur, drie kwartier een slang bij een boom. Dat betekent dat ik intussen wel iets anders kan doen, maar telkens moet ophouden om de slang te verleggen (of de hele container te verzetten of opnieuw te vullen). Maar op die manier zakt het water precies ter plaatse van de boomwortels langzaam (dus diep) de grond in, in plaats van over de uitgedroogde grond weg te lopen zodat alleen het oppervlak vochtig wordt. Dat water aan het oppervlak verdampt namelijk ook weer snel. Bovendien stimuleer je dan dat de boomwortels ook oppervlakkig groeien. Met mijn methode moeten ze wel naar beneden. En zo kunnen ze volgende droogteperioden beter weerstaan. Als ze deze overleven…

Voor het eerst in mijn moestuincarrière (en met zware gewetenswroeging) giet ik met leidingwater in de moestuin. Zeer beperkt. Dus de vroege aardappels en de uien zijn inmiddels gerooid (en het ziet er naar uit dat de bewaaraardappels dit jaar ook een heel vroege, maar heel kleine oogst gaan geven). Maar ik durf eenvoudigweg geen prei en boerenkoolplantjes uit te planten in de vrijgekomen bedden. Het kost al moeite genoeg om alles in leven te houden zonder dat ik de wortels beschadig. En dan is er ook nog een hittegolf voorspeld!

De lathyrus bloeit desondanks schitterend.

Een voordeel van het droge weer is dat Joris zich met het bouwen kan bezighouden zonder zich te bekommeren over de volgorde ‘eerst het dak, dan de muren’ of over het ’s avonds opruimen van gereedscap. Inmiddels zijn de muren aan drie kanten helemaal voorzien van isolatie en afgewerkt met potdekselplanken. Dat is veel precisiewerk, met lastige randjes en hoekjes en gaat dus langzaam. Maar het wordt móóóóóói!

 

Maar hoe droog het ook is, de nattigheid van afgelopen winter staat ons nog levendig voor de geest. Dus om herhaling van dit tafereel te voorkomen

is de loonwerker langsgekomen om de sloot bij de Grote Eik uit te diepen. Na enig graven vond ik daar namelijk, onder 25 cm prut, de bovenkant van een duiker. En nadat ik die had blootgelegd bleek dat de sloot wel een halve meter dieper was geweest. Dat is hij nu weer. Het levert een enorme berg zand en grond op, en een héél steile en hoge slootkant. Daar moeten we nog wel iets op verzinnen…

 

Eigen vee!

Eén van de redenen om buiten te gaan wonen was, dat ik zo graag geiten zou willen. En dan zelf melken. Land genoeg hier. Maar… geiten (melkgeiten althans) kunnen niet goed tegen langdurige kou en nattigheid. ’s Winters heb je een stal nodig. En die hebben we niet. Nou ja, nu nog wel. Maar zodra de werkplaats af is gaat die tegen de vlakte.

(NB: in de moderne geitenhouderij staan de dieren meestal zomer en winter op stal. Met zijn 1500-en tegelijk. “Ja”, zegt de boer dan, “maar ze wíllen ook helemaal niet naar buiten. Als je de deur open laat komen ze meteen weer binnen.” Tja. Dat zie je ook wel bij kinderen. Die hangen vaak ook het liefst binnen voor de tv. Maar of dat nou het beste voor ze is?!)

Nu heb ik vier jaar geleden een maandje als ‘stagiaire’ meegelopen op de Ouwendorperhoeve in Garderen. Adriaan en Nelleke dachten ook ooit over geiten. Maar hun schuur, hoewel een stuk beter dan wat wij hebben, was ook aan de kleine kant om een volledige geitenkudde in te huisvesten. Zij kozen daarom voor melkschapen. En dat is een succes. Nelleke maakt fantastische schapenkaas en schapenyoghurt.  (En ze verkopen héérlijk lamsvlees en varkensvlees en nog veel meer, dus als je in de buurt van Garderen woont, of er langs komt op weg naar je vakantiebestemming: ga er vooral even shoppen!)

En wat later in hetzelfde jaar liep ik een maand mee op Farm Camping Lazy in  Slowakije, waar Arnold en Bernadette om vergelijkbare redenen eveneens kozen voor melkschapen. Zij hebben dan wel geiten erbij, maar dat zijn Slowaakse geiten, die net wat minder kleinzerig zijn dan Nederlands vee. (Overigens geldt voor Lazy hetzelfde als voor de Ouwendorperhoeve: een aanrader! Maar spring niet meteen in de auto, in het hoogseizoen zijn ze hartstikke vol, zó leuk zijn ze. In het naseizoen kan je er altijd terecht voor een week genieten.)

Dus melkschapen leek een goed alternatief voor geiten. Maar momenteel komen er maar weinig melkschapen op de markt (om de één of andere reden is Nederlands vee momenteel erg geliefd in Rusland en wordt er heel veel opgekocht voor Rusland).Uiteindelijk wist Nelleke wat voor me te vinden: bij de houder van het Stamboek Fries Melkschaap waren dit voorjaar twee bonte ooitjes geboren.

Dat kán helemaal niet: Friese melkschapen zijn wit, en deze dames komen van twee onberispelijk witte ouderdieren, met een onberispelijk witte stamboom. Maar tóch zijn ze gevlekt. En wij vinden dat eigenlijk juist heel leuk. Blijkt dat zo’n kleine soortgroep toch nog verrassingen kan herbergen!

Welkom dus, bonte schaapjes. En uiteraard zijn deze twee dames vernoemd naar bovengenoemde boerinnen. Maar Nelleke en Bernadette vonden we te lange namen voor een schaapje – het zijn Nelly en Babette geworden. Die inmiddels al naar me binnen te roepen als ze me zien, graag komen knuffelen en uit de hand eten. Knuffelschaapjes!

 

 

Tocht en vocht

De dagen vliegen letterlijk voorbij, er is nooit tijd om alles af te maken. Ook hier in Friesland is het kurkdroog. De boer heeft het gras weer gemaaid – waarschijnlijk voor de laatste keer dit jaar. Vorig jaar kwamen er drie sneden vanaf, dit jaar verwacht hij niet meer dan twee.

Toch zijn we erg bezig met tocht en vocht uit de werkplaats te houden. Van binnen naar buiten bestaat die (nu) uit drie lagen: binnenin OSB, dan het houtskelet gevuld met vlaswol en daaromheen houtvezelplaten. Aan de binnenkant komt er nog leem tegenaan; aan de buitenkant potdekselplanken. Daarmee is het mooi damp-open en vocht-regulerend. Maar tocht het niet?

De meeste huizen tochten enorm. Vaak is dat maar goed ook, want die zijn met moderne materialen damp-dicht gebouwd.  Dan moet er dus heel veel ventilatie zijn, om waterdamp, CO2 en andere gasvormige zaken naar buiten te krijgen. Maar met (ongecontroleerde)  ventilatie gaat ook heel veel   warmte verloren. Hoeveel een huis tocht, kan je bijvoorbeeld laten zien door het vol rook te zetten, zoals hier te zien is.

Hoewel we een werkplaats bouwen en geen huis, willen we het zo goed mogelijk doen. Dus dat betekent: zoek de zwakke plekken in de luchtdichte laag op (de OSB laag). De aansluitingen met de kozijnen, de deuren en het houtskelet zijn allemaal afgeplakt met luchtdichte, dampopen tape, voor de isolatie er in ging. En nu doen we hetzelfde voor vocht, want er mag natuurlijk geen vocht in de muren gaan stagneren. Dus de aansluitingen van de houtvezel platen met de kozijnen, de deuren en het houtskelet plakken we ook allemaal netjes af met tape. Daarbij zorgvuldig van beneden naar boven en van binnen naar buiten werkend, zodat nergens plekken ontstaan waar ook maar een druppel water die tussen de planken door waait zou kunnen blijven staan.

En dat is énorm veel werk!

(Want ik schrijf het zo even snel op, maar ladders neerzetten, lijm op de houtvezelplaten aanbrengen, laten drogen,  lijm van je handen af krijgen, met tape de ladder weer op klimmen, tape onder en tussen de daksporen aanbrengen was 1 dag werk. Volgende dag: bovenkant van de houtvezelplaten insmeren en tape aan de bovenkant van de overgang dak-muur aanbrengen. Dan de kozijnen nog. En de hoeken. En…)

Vervolgens brengen we aan de onderkant ‘kantplanken’ aan: de ‘regenlaarzen’ voor de werkplaats. Die zijn niet dampopen; zij beschermen aan de buitenkant de onderkant van de muren tegen spatwater en water dat langs het potdekselwerk naar beneden loopt. En dan zijn we eindelijk zover dat Joris de potdekselplanken kan aanbrengen!

Voor de bouw is het natuurlijk heerlijk dat het zulk droog weer is. Maar al die mooie boompjes die ik afgelopen winter heb geplant staan ernstig te verdrogen. Ongelooflijk dat we een half jaar geleden nog zoveel water op het land hadden!  De regenbakken staan droog en ik kon niet meer slapen omdat mijn schouders zeer deden van het slepen met gieters. Dus hebben we twee IBC containers gekocht. Daarmee kunnen we water naar de boompjes brengen. Daar zijn we iedere avond uren mee in touw.

Leidingwater gebruiken voor irrigatie, en dan ook nog het met diesel ter plaatse brengen… eigenlijk zeer tegen mijn principes. Maar we hebben geen keuze, als we willen behouden wat ik afgelopen jaar geplant heb!