Puinruimerij

De afgelopen weken hebben we geleidelijk alle muurtjes van de boerderij omgeduwd en -geslagen. Het resultaat: een grote puinhoop. En het puin wat we samen met de buren hebben gebroken lag er ook nog. Om het allemaal met kruiwagens over het pad te rijden was loodzwaar. Ik  probeerde elke dag een paar kruiwagens te doen, maar meer dan een paar lukte niet, dan vielen mijn armen er af. Dinsdag kwamen Berber en Jacob gelukkig een middagje helpen. Ze hebben het pad versterkt met ettelijke kuubs gebroken puin en het laatste muurtje wat nog overeind stond omgeduwd.

Om verder te kunnen met de afbraak van de boerderij moest het puin uit de weg. Maar het duurt nog even voor we weer een puinbreker kunnen huren (die zijn erg populair op het moment). We besloten dus eerst maar een shovel te huren. Daarmee hebben we op vrijdag en zaterdag al het losse (maar nog niet gebroken) puin getransporteerd naar hoopjes langs het pad. Zo zal het veel makkelijker worden om het straks met de puinbreker op het pad te breken.

Met de shovel manoeuvreren was nog helemaal niet zo makkelijk. Gelukkig werd Joris er snel handiger in. Het ding maakte het slopen van de laatste onderkanten van de muurtjes en de houten vloeren uit het woongedeelte ook een stuk eenvoudiger.

En toen was de boerderij echt met de grond gelijk. Dat gaf op Paaszondag de gelegenheid voor een bijzonder Paasontbijt. Zeg nou zelf: hoe vaak heb je de mogelijkheid om met Pasen buiten te ontbijten en dan ook nog op de vloer van wat ooit een boerderij was en waar je nieuwe huis gaat komen?

Volgende stap: het gebint. En dat was even puzzelen. Want het originele (grenen) gebint was deels al helemaal doorgerot en staat ook deels nog in het stukje schuur wat voorlopig overeind blijft staan. Maar het stuk waarmee het ooit verlengd was, was van eiken, dus loodzwaar en mooi. Dat wilde ik graag heel houden.

En dan moest het ook nog op zo’n manier naar beneden komen dat het niet op de stacaravan of het tijdelijke schuurtje zou komen. En ook niet de steiger wegslaan waar Joris op stond…

Het grijze is de stacaravan. Die staat deels ín de noordschuur (met zwarte planken en houthok er tegenaan) geparkeerd. Daarvóór staat de grupstal, het stukje schuur wat nog even blijft staan. En de palen van het oude gebint houden dat stukje nog overeind… hoeveel kan je veilig weghalen?

Uiteindelijk hebben we eerst de ene horizontale verbindingslegger doorgezaagd.Daarbij heeft Joris aan beide kanten er eerst een stevige plank onder geschroefd (alleen vastgeschroefd aan het deel wat nog bleef staan). De losgehaalde stukken rustten dus op die plankjes. Met een lange paal konden we de ligger er toen veilig vanaf duwen.

Daarna hebben we het staande deel met spanbanden gezekerd aan de Jonge Eik, zodat het in elk geval niet achterover kon vallen.

Daarna de andere ligger (bijna helemaal) doorgezaagd, opnieuw met een plank eronder om te voorkomen dat hij zou gaan doorhangen en het gebint naar achteren zou omtrekken.

En toen konden we het met ons tweeën vanuit een veilige positie omtrekken. Best spannend.

Daarna was het grenen gebint eigenlijk een fluitje van een cent. Dit keer vormde ik de zekering (dus daar heb ik weinig foto’s van)

Het grenen bintwerk, vol boktor en houtworm, is helaas alleen nog bruikbaar als brandhout. Maar het eiken gebint is nog prachtig! De eiken deuvels kregen we er (met enige overtuigingskracht), nog uit, zodat we het helemaal netjes konden demonteren. Deze bouwwijze maakte het vroeger mogelijk een hele boerderij relatief eenvoudig te verplaatsen. In dit geval zullen we het netjes bewaren. Ik ben al aan het broeden op de vraag hoe dit het uitgangspunt kan worden voor de stal die ooit op de plaats van de noordschuur moet komen.

Al met al een zeer welbesteed paasweekend. En wat een verschil!

Grote schoonmaak

Het is april, het is mooi weer, en dus werd Witte Donderdag de jaarlijkse Schoonmaakdag Van Het Kippenhok. Om bloedluis en andere parasieten te voorkomen doe ik dat ieder jaar in het voorjaar (behalve in 2017, toen ik er door de verhuizing geen tijd voor had – en in augustus dan ook prompt een enorme bloedluis-uitbraak kreeg).

Dat is een hele dag werk: al het losse stro en strooisel eruit, met de stofzuiger helemaal schoonmaken, al het ‘meubilair’ (zitstokken, poepplank etc.) er uit, hele hok (inclusief dak) schoonmaken met kokendheet sodawater, alle naden föhnen met een verfbrander in de hoop nog wat bloedluis dood te stomen, alles dik in de witkalk zetten en helemaal laten drogen (daarvoor moet het dus  warm en droog weer zijn, liefst met een windje).

Daarna heb ik nieuwe zitstokken en een nieuwe poep-plank gemaakt. De schroeven waarmee de zitstokken aan de wand zijn gemonteerd lopen door een oliebadje. In theorie kunnen de bloedluizen dus niet anders dan via dat oliebadje bij de kippen komen. En daar kunnen ze niet doorheen, dan lopen hun tracheeën (adembuisjes) vol. Moeten de kippen natuurlijk niet met hun veren tegen de zijkant van het hok komen. Daarvoor zitten er zijstukken op de zitplanken gemonteerd.

Al met al een hele dag knutselwerk. Maar het resultaat mag er wezen: een fris en schoon hok met gloednieuw meubilair, waar Harrie en de dames weer rustig kunnen slapen zonder ’s nachts door de kleine vampiertjes belaagd te worden. Het was ook geen dag te vroeg: in kieren en naden en op de uiteinden van de zitstokken zaten nu al korsten bloedluis. Die zouden zich in het warme weer akelig snel vermenigvuldigd hebben.

Zou het komen door de zachte winter waardoor de bloedluizen niet zijn doodgevroren? Of doordat het hok nu toch aardig vol zit en daardoor ook ’s winters relatief warm blijft? Of gewoon doordat er altijd naden en kieren zijn waar je niet goed bij kunt en waar de bloedluis zich kan handhaven? Het lijkt raadzaam om voortaan ook in oktober zo’n Kippenhok-Schoonmaakdag te gaan houden. En er schijnt één of ander wondermiddel te bestaan wat diatomeeënaarde heet en waar de mijten niet tegen kunnen. Misschien ga ik dat ook maar eens proberen.

Melktafel

Als Arie heeft gedaan waarvoor-ie is aangeschaft zijn mijn Friese Melkschaapjes drachtig. En dan kan ik dus over ongeveer een maand mijn eerste lammetjes verwelkomen! Hartstikke spannend, want er kan best veel mis gaan bij zo’n geboorte, zeker omdat het voor de schapen ook de eerste keer is.

Bij Hanneke Kuppens in Zevenhuizen (aanrader – overheerlijke geitenkaasjes!) heb ik de afgelopen jaren af en toe geholpen tijdens het lammerseizoen. Dus ik ben niet helemaal onbekend met het principe. Maar ja, dat zijn geiten. En op de Ouwendorperhoeve (aanrader! overheerlijke schapenkaas, -yoghurt en -vlees) heb ik wel enige ervaring met schapen opgedaan, maar dat is al vijf jaar geleden. Er staat alvast navelstreng-ontsmetspul, glijmiddel en een lammetjesfles klaar en het telefoonnummer van de dierenarts staat onder ‘favorieten’ in mijn telefoon.

Maar áls alles goed gaat, en er kómen lammetjes, dan komt er dus ook melk. Want daarvoor heb ik immers Friese melkschapen. En dan kan ik (na een paar weken) dus ook gaan melken. Nu zijn de schapen op dat moment voor het eerst moeder, dus die hebben al heel veel aan hun kop.  En zullen niet zo in de stemming zijn voor nog meer nieuwigheden. Het is dus handig ze alvast aan het principe van de melktafel te laten wennen.

Zó troffen we ‘m aan… wat zou het geweest zijn?

Eén van de objecten die we hier tussen de zooi aantroffen was een soort oerstevig gelast onderstel met twee miniwieltjes. Hans zag er een buitenkeuken in, maar Joris leek het wel een mooi uitgangspunt voor een verplaatsbaar melktafeltje. Oude planken zijn er in overvloed en mooi hoeft het niet te zijn voor schapen… maar wel stevig! Het is een prototype, maar het werkt wel.

      

Hmmm, een hekje aan één kant en een trappetje zijn wel handig
Wat ben je aan het doen?

Wat moet dat met die rommel hier?
Lekker tegenaan schurken… met 70 kilo schaap

 

Zijn dat brokjes? NEE, dat zijn bitjes!

Een melktafel maken is één, de schapen er op krijgen is twee. Gelukkig gaat het na een week al heel aardig. De dames krijgen nu dus twee keer per dag hun brokjes op de melktafel. Ze springen er geheel zelfstandig op, vaak nog vóór het trapje is uitgeklapt. “Waar blijven die brokjes?!”

Het is goed dat hij ook de wei weer kan worden uitgereden, want Babette vindt het vooral een leuk speelobject.

En arme Arie snapt maar niet waarom hij niet met dit nieuwe spelletje mag meedoen!

 

 

Het tweede jaar

Het is haast niet te geloven, we zijn hier alweer twee jaar bezig. De kersenboom bloeit weer – en is al een week één gonzende massa hommels en bijen. Het afgelopen jaar is er veel gebeurd.

De werkplaats is gebouwd.

De poel is gegraven.

De moestuin gaat zijn tweede seizoen in en is uitgebreid.

Er zijn weer heel veel bomen en boompjes geplant.

We hebben er nieuwe kippen bij, en natuurlijk de schapen.

En de boerderij is (bijna) afgebroken.

We kijken uit naar het komend jaar. Hoe zal het zijn als we echt gaan bouwen? Hoe zal het er hier over een jaar uit zien?

 

Eieren conserveren

De hele winter heb ik lopen mopperen op de kippen. De vier jonge hennen, “tegen de leg aan”, die we in september aanschaften legden slechts zo heel af en toe een eitje. Met vier jonge Barnevelders en één oudere, twee jonge Drentse Hoenders en Leentje het Loopeendje hadden we hooguit één ei per dag en vaak helemaal niks. Ik heb zelfs een paar keer eieren moeten kopen, dat was voor het eerst sinds we onze eerste kippen kregen!

Maar nu hebben ze eindelijk begrepen wat de bedoeling is. De acht dames (inclusief Leentje dus) samen produceren nu vijf of zes eieren per dag. Nu eten wij graag eieren, maar dit is zelfs ons te gek. We delen er heel wat uit, maar met de winter nog vers in het geheugen willen we ook weer eens proberen eieren te conserveren.

Ooit heb ik wel eens eieren ingevroren, maar dat was niets. Je moet eiwitten en dooiers scheiden, en dan de dooiers mengen met zout of suiker, omdat ze anders rubberig zouden worden. Dan gebruikte ik ze eigenlijk niet.

Peter en Marleen, die ook een huis aan het bouwen zijn, hebben het vorig jaar geprobeerd met kalkwater. Dat wilde ik ook wel eens proberen. Marleen heeft er een mooie blog over geschreven.

Het valt nog niet mee om aan zuivere hydraatkalk te komen (al schijnen we het komend jaar met de kalkhennep vanzelf op het erf te krijgen). Daarom  heeft Peter me een pakketje wit poeder toegestuurd. Het zag er inderdaad nogal verdacht uit… 😉

Vroeger werden eieren ingelegd in Keulse Potten. Die heb ik niet. Tegenwoordig in plastic emmers. Maar ik heb alleen maar erg grote emmers. Als er dan iets mis gaat met een ei gaat de hele boel bederven, zoals Peter en Marleen hebben gemerkt.

Dus komen de weckpotten die ik in de kelder vond nu goed van pas! Ik zal nog even nieuwe rubbers en klemmen kopen. 30 gram kalk op 1 liter water en dan maar vullen met (schone, ongewassen) eieren. Het ziet er alvast mooi uit, die bepoederde eieren.

We willen ook eieren proberen te bewaren in waterglas en door ze met olie in te wrijven. Eigenlijk komt het er allemaal op neer dat je de schaal afsluit met een substantie die niet aantrekkelijk is voor bacteriën. We zijn benieuwd…

 

 

 

 

Op herhaling

Nu we weten hoe we het handig moeten aanpakken, dan ook meteen maar doorpakken. Afgelopen weekend de rode holle Muldenpannen ook op het andere dakvlak van de werkplaats gelegd. Ik had er al zoveel mogelijk van de zwarte oude holle pannen af gehaald (hoe vaak heb ik die dakpannen intussen in mijn handen gehad?). Vervolgens zaterdag de rest er af gehaald. Daarna heeft Joris alle panlatten verplaatst, ruiterfolie onder de nokvorsten gelegd en de nokvorsten vastgeschroefd. En op zondag hebben we het hele dak gedekt met de rode pannen. Wat een heerlijk gevoel, dat de pannen nu niet meer kunnen weg waaien en dat er geen sneeuw of regen meer onder kan komen.

Vóór…
Tijdens…

En na!
Wát een plaatje!

En de hele week lonkten de muurtjes… Na het eten zei Joris dan “het is nog wel even licht, we wassen zo dadelijk wel af…”en dan ging hij even nog een muurtje om meppen. En ik natuurlijk ook. Eerst de muurplaten eraf wrikken, en dan even kijken hoe stevig het nog was. Niet zo stevig, meestal.  Zeer bevredigend werk.  De oudste muurtjes zijn met kalkmortel gemetseld en die zijn zo om te gooien (met één hand, zonder handschoen aan…). De muurtjes die in de jaren ’60 zijn gemetseld zijn keihard, zij het dan ook vrijwel niet gefundeerd.

Een daar komt ons tijdelijke onderkomen achter de boerderij vandaan… eindelijk uitzicht!
Alleen de muren van de werkplaats staan nog!

Het schone puin wordt allemaal grondstof om het pad te versterken. Maar dat is natuurlijk ook wel een klusje.  Want of we het puin nu éérst breken en dan naar het pad verslepen, of eerst langs het pad leggen en ter plaatse breken, het is veel en zwaar werk. Maar wel bijzonder nuttig en zichtbaar werk. Wie heeft er zin om zich een dagje uit te komen leven en te zien hoe mooi de Hof in de lente is?

De beuk erin

Nu we eindelijk zover waren dat we wisten welke dakpannen we op de werkplaats wilden leggen (het logistieke dingetje waar we vorige zomer nog mee worstelden) èn ze netjes op pallets hadden èn het KNMI vier dagen mooi weer beloofd had moest het er maar van komen: afgelopen weekend pannen op het voordakvlak van de werkplaats gelegd.

Stap 1: Hond uit logeren sturen (Dankjewel Dorien en Jaap!)

Stap 2: Afrastering rond het erf weghalen zodat we er goed bij konden en de steiger konden opzetten.

Stap 3: Kapot gewaaide zeilen weghalen en panlatten op het dak bevestigen.

Stap 4: Met de trekker de pallets  dakpannen tot steigerhoogte optillen.

Stap 5: Pannen op het dak leggen.

Stap 6: Verbijsterd constateren dat we stap 4 en 5 in slechts een halve dag  met ons tweeën hebben uitgevoerd! (Nou ja, overstek, boeidelen, windveren en goten komen nog, daar denken we nu nog even niet aan.)

\

En toen was er dus nog tijd over om even te slopen. Het dakje van de ‘kantine’  was nog een projectje. Want toen we eenmaal de kozijnen eruit gehaald hadden begonnen de plafondbalken heel eng door te buigen. Durfden we niet meer op te klimmen. Joris was opnieuw creatief met de trekker en tilde het hele dak gewoon op, zodat hij rustig de halfsteens muurtjes eronder uit kon tikken.

Daarna trokken we het dak zó los. Het kamertje stelde ook niets voor. Het was aan het oorspronkelijke boerderijtje gebouwd in (waarschijnlijk) de jaren ’30. Halfsteens vrijwel ongefundeerde muurtjes, daarop wat balkjes van 5 cm breed en 7 cm hoog, daarop planken van hooguit 12 mm dik en daarop teerpapier. Ooit was het dak verzwaard door er een laag bitumen overheen te gieten en grint op te storten.

Toen het geheel toch ging lekken heeft de vorige bewoner er gewoon een nieuw dakje overheen gelegd. Verschillende tweede- of derdehands balken erop, tweedehands stukken golfplaat eroverheen, alles vastgezet met een heel assortiment aan schroeven, bouten en spijkers en hoppekee, het kon weer even mee.  Het moet gezegd worden: het lekte daar afgelopen winter niet. Maar het verbaast ons niet meer dat we het niet warm konden houden.

In de ruimte tussen de daken (dus bovenop het grint) vonden we een oude stofzuiger, een frisbee, verschillende blikjes, een gebruikt schuursponsje, heel veel plastic buizen, twee borden en allerlei stukken hout. Tja, wat moet je er anders mee, nietwaar?

En toen we het dak eenmaal hadden weggewerkt konden we gaan doen wat altijd zo LEUK is bij slopen: muurtjes omgooien. Dat is dan lastig stoppen…

Al met al een productief weekend.

Spontane hulp

Op zich zit er best wel vooruitgang in het project. Maar af en toe is het wat moeilijk om de moed erin te houden.  Vooral als het weer zich van zijn maartse kant laat zien en een koude noordwestenwind de ene bui na de andere tegen de ramen slaat. Zo’n afbraakproject ziet er dan ook niet heel opbeurend uit. Dan moet er af en toe Iets Leuks gebeuren.

En toen was daar Henk. Oud-brandweerman en veiligheidsexpert, en vooral: houdt zich creatief bezig met oude materialen een tweede leven geven. Hij kwam af op een Marktplaats-advertentie voor de paneeldeuren. En hij zag allerlei mooie toepassingen voor allerlei andere ‘doorleefde’ stukken hout die we anders gewoon de container in hadden gegooid.

In ruil voor een aanhanger vol sloophout en de jakobsladder (waar hij dan een kast van maakt) kwam hij een ‘dagje helpen’. Gewapend met professioneel gereedschap en een enorme werklust. Met ons tweeën sloopten we in één dag de hele houten betimmering van de voormalige hooischuur weg. Èn de zoldering boven de smeerputschuur. Èn een heleboel sloophout wordt nog een tweede leven gegund. Wat jammer dat we Henk niet eerder zijn tegengekomen!

Toen Joris thuis kwam wist hij niet wat hij zag. En dat wakkert dan de slooplust aan. Dus sloeg hij ook nog even een muurtje om.

“Ik wilde weten hoe stevig het was.”

 

Dakpannenfestival

Toen de pannen van het dak kwamen hebben onze hulptroepen ze zo snel mogelijk opgestapeld op pallets rond het huis. En daar lagen ze nog steeds. Want in de gauwigheid was wel duidelijk geworden dat het níet maar twéé soorten dakpannen waren, zoals ik hoopte.

Al op de eerste Funda-foto’s van de boerderij zagen we dat er twee typen pannen op lagen: Holle Muldenpannen (volgens de gezaghebbende website van Joost de Vree mogen ze officieel niet zo heten, maar ik zie ze op internet overal zo aangeprezen) op de ene helft.  En Oude Holle Pannen op de andere helft.

(Niet te verwisselen met de Verbeterde Holle Pan of de Opnieuw Verbeterde Holle Pan 😉 )

Toen we vorig jaar de pannen op de helft van de nieuwe werkplaats legden hebben we gemerkt dat oude Oude Holle Pannen erg variabel kunnen zijn. In tegenstelling tot nieuw gemaakte Oude Holle Pannen.

De Oude Holle Pan wordt nog steeds gemaakt. Tegenwoordig gebeurt dat met machines en volautomatische ovens. Nieuwe Oude Holle Pannen  zijn daarom allemaal netjes hetzelfde. Vroeger gebeurde het met arbeiders die ze ‘uit de hand’ sneden, ovens die nogal wisselend van temperatuur waren en misschien ook met klei die wisselend van kwaliteit kon zijn. Met wisselende dakpannen als gevolg. Net wat dikker, dunner, korter, langer, breder, platter, holler…

En als het dan ook nog verschillende partijen door elkaar zijn, van verschillende fabrieken, dan gaan de rijen slingeren en krom liggen en is het dus vrijwel onmogelijk om er een goed sluitend dak van te leggen. In het dakvlak wat we vorig jaar op de werkplaats legden zitten dus best wat punten waar we ons niet helemaal senang bij voelen. Vooral niet bij sneeuw.

Dus we hoopten dat wat er van de boerderij af zou komen wat eenvormiger zou zijn.

De Holle Muldenpannen zijn gemakkelijk genoeg te herkennen. Er zit wel enige variatie in lengte en breedte en mate van kromheid in (en er staan vingerafdrukken van de arbeiders in, handgevormd dus), maar ze zijn redelijk  als een sluitend dak te leggen. Maar de Oude Holle Pannen bleken verschillende partijen. En ook binnen de partij kennen ze een enorme variatie. En dan was een groot deel ook nog afgeschilferd door weersomstandigheden in de loop der jaren. Het advies van onze aannemer was dan ook: “Gooi ze maar op het pad, daar heb je niets meer aan!”

Maar… wij vinden de Oude Holle Pannen veel móóier dan de Holle Muldenpannen! Liefst zouden we de Oude Holle Pannen op de werkplaats hergebruiken.

Maar ja, dan zit er maar één ding op: per partij sorteren en bepalen wat er bij elkaar past,  in welke volgorde je ze dan kunt combineren en of je er genoeg hebt. En dat was een klus waar ik behoorlijk tegen op zag. Het is namelijk rotwerk. Zeker bij slecht weer.  Zware dakpannen sjouwen (gewicht Holle Muldenpan 2,7 kg, de Oude Holle Pannen heb ik niet gewogen maar wegen zeker ook meer dan 2 kg per stuk), alsmaar heen en weer lopen en Heel Veel Niet Ergonomisch Verantwoord Bukken. Dus de pannen stonden er nog steeds zoals ze vier weken geleden van het dak af kwamen.

Maar dit weekend kwam Barbara TWEE dagen helpen. En Barbara is iemand die er volkomen de humor van kan inzien om te bepalen of “dit nou zo één van die wat dikkere is, of hoort-ie toch bij die andere, die iets dunner zijn en een wat scherper hoekje hebben?”

Dus we hebben, onder werkelijk abjecte weersomstandigheden (het begon zaterdag nog zonnig, ging steeds harder waaien, tot stormkracht, vervolgens kregen we zondag buien, toen regen en uiteindelijk sneeuw) duizenden dakpannen door onze handen gehad.

“Zijn deze nou korter dan die andere, of horen ze wel bij elkaar?”

“Leg ze maar even apart, dan kijken we zo dadelijk wel of ze bij elkaar horen.”

“Vind jij dit een rond of een scherp hoekje?”

“Mmmm, rond. Nee, toch scherp. Kijk eens vanaf de achterkant? O ja, kijk, hij heeft een breder nokje. Die hoort dáárbij.”

“Wat denk jij, is deze nog te hergebruiken?”

“Hmmm. Is dat gat door en door? O, kijk, hij heeft hier ook een haarscheur. Leg maar bij de B-keuze.”

“Is dit nu wel een machinaal gevormde? Hij heeft wel van die strepen maar ik kan het niet goed zien want het hoekje is eraf”

“Dit lijkt wel zo’n omgeslagen randje. Alleen kan je het niet goed meer zien, want hij is afgebrokkeld.”

“Hee, van dit type ligt volgens mij ook nog een stapeltje achter de werkplaats. O nee, dit is een andere, zie je wel. Volgens mij hoort deze bij de iets bredere die op die pallet liggen bij die wat dieper gegolfde, met een smaller nokje.”

Etcetera. En intussen duizenden kilo’s gebakken klei heen en weer tillen. Je krijgt diep respect voor de arbeiders wier vingerafdrukken in de dakpannen stonden die door onze (beschermend gehandschoende) handen  gingen.

We liepen dus niet in de Klimaatmars mee, maar waren wel heel ecologisch bezig. Althans, wat betreft hergebruik. Want hoe verplaats je vervolgens pallets met dakpannen? Met de trekker. Maar rijden met een pallet vol hoog opgestapelde dakpannen over ongelijk terrein – dat is vragen om scherven. En hoe zet je ze vast? Harmen gaf het antwoord: met rekfolie. Dat is dus weer wat minder ecologisch; ben je allemaal plastic zakjes aan het besparen, wikkel je een hele rol plastic om je bouwmateriaal. Het zat me niet lekker, maar ik wist ook geen betere methode.

De eindscore viel helaas een beetje tegen. Er waren toch wel heel veel dakpannen in erg slechte staat. Nog bruikbaar voor een houthok of zo, maar niet voor een dak wat echt dicht moet zijn. We hebben niet genoeg Oude Holle Pannen voor de werkplaats. Maar wel precies genoeg Holle Muldenpannen. De Oude Holle Pannen moeten wachten tot we de kapschuur bouwen, waar nu de noordschuur nog staat. Ooit, als het huis af is…

Van boven naar beneden…

Het werk gaat harder dan de berichtgeving. We klussen zo hard, dat ik s’avonds te moe ben om er een blogje over te schrijven.

Het afbreken van de kapconstructie is… spannend. Je moet nadenken welke balken je in welke volgorde afzaagt. Als ze blijven hangen en op een verkeerde manier naar beneden komen kan dat tot levensgevaarlijke situaties leiden. Gelukkig hebben we al een keer zoiets gedaan; de stal achter ons huis in de van Bemmelstraat. Al was die wel een stukje kleiner. Joris heeft de steiger tot 6 m hoog opgebouwd, veel werk, maar een stuk veiliger dan vanaf een ladder. En dan maar zagen.

eerst alle panlatten door, anders blijft alles aan elkaar hangen
voor ieder stukje dak moet de steiger opnieuw opgebouwd… veel werk, maar wel zo veilig!

 

Het oude hooiluik kan voor het eerst in een halve eeuw weer open

De palen van het gebint van de oude hooischuur zijn van grenen en sterk aangetast door rot en houtworm. Het gebint wat de oude meneer begin jaren ’60 op de kop heeft getikt om de constructie te verlengen is van eiken en heel mooi. Er staat zelfs nog een timmermansmerk in. Jammer dat we het niet kunnen gebruiken in het nieuwe huis, maar het heeft niet de juiste afmetingen (en op maat maken is veel duurder dan een nieuw gebint maken). Dan moet het maar het uitgangspunt worden voor een toekomstige schuur!

 

 

Bij de afbraak van die stal in de van Bemmelstraat hebben Corrie en Maarten ons destijds goed geholpen. Dus kwamen ze dit keer ook weer een dagje. Het wordt een soort traditie. Al hopen we niet dat we over wéér 10 jaar wéér een huis aan het afbreken zijn (maar wie weet wat Corrie en Maarten nog voor plannen hebben?)

Trip Down Memory Lane: twee foto’s van juni 2008. Tja, ons huidige project is wel echt versie 2.0. Maar we hebben veel geleerd van de vorige keer. En het was net zulk mooi weer… en dat in februari!
En Maarten en Corrie hebben er nog altijd lol in!

Het grootste deel van het dak was (gelukkig) onbeschoten; je keek van onderaf direct tegen de pannen aan. Maar in de werkplaats en de zolder boven het huisje zat er dakleer (asfaltpapier) en kippengaas onder de panlatten. Dat bleek enorm lastig te verwijderen; het kippengaas hield alles stevig bij elkaar. Corrie en ik volgden de strategie om het gaas draadje voor draadje weg te knippen en zo de kap van het huisje bloot te leggen. De mannen kozen voor de rechtstreekse benadering: eerst het hele dak van de werkplaats naar beneden, en dan demonteren. Dat ging wel sneller.

De sporen van het huisje waren verbijsterend slecht. Allerlei verschillende stukjes rest- en afvalhout, vol houtworm en half vergaan. Toen het kippengaas er eenmaal af was trokken mannen zó de hele kap om.

A je to!

En toen stond de topgevel vrij… en ook dat was 10 jaar geleden geen feest. Gelukkig hadden we dit keer iets meer ruimte. Tien jaar geleden viel de schoorsteen bijna in de steeg waar kleine buurjongetjes heen en weer renden. Dat kon nu gelukkig niet gebeuren.

(En nog even een plaatje van 10 jaar geleden… vanaf een steiger werkt het een stuk plezieriger. Maar de schoorsteen van ons huidige project was wel een stuk harder dan deze topgevel!)

De voorgevel van de woonkamer bleek in spouw gebouwd! Gek genoeg loopt het binnenspouwblad naadloos door in de (buiten)muur van de ‘aangebouwde’ kamer, terwijl het buitenspouwblad aansloot bij de muur van de slaapkamertjes. Hoe dit nu weer zit met volgorde en bouwhistorie?

In ieder geval zijn er maar weinig spouwankers voorzien. Het buitenspouwblad was met een balkje zó los te wrikken!

Nog een deel van het hout weg en dan de muren! Het voelt goed om het langzaam en zorgvuldig te doen. We willen zoveel mogelijk hergebruiken.

Stevige balken ontspijker ik om straks te gebruiken bij het stutten van de bekisting als we beton gaan storten. Kleine balkjes worden tijdelijke boompalen (ze zullen maar een jaar of twee, drie meegaan, maar tegen die tijd moeten boompjes ook op eigen wortels kunnen staan).

Het overige onbehandeld hout kan de kachel in.

Dakpannen zoeken we uit: wat hergebruikt kan worden gaat netjes op pallets (die we kregen van buurman Koos!). En de rest gaat, met het overige puin, de puinbreker in. Want straks moeten de funderingstrucks het pad over (en als ik denk aan de mogelijkheid van een vastgelopen betonwagen vol uithardend beton krijg ik wel een beetje buikpijn. Dus dat pad moet stevig zijn!)

Kippengaas en ander metaal gaan naar de schroothandel. Al met al hoeft alleen het behandeld hout, het dakleer en wat overig los spul (piepschuim, pur, plastic) afgevoerd te worden. Het voelt dan ook meer als ‘demonteren’ dan als ‘slopen’. Cradle to cradle, circulaire economie enzo…