Aska

Op een boerderij hoort een hond. Die kan waarschuwen als er volk op het erf is en dat is wel handig hier. (Ik heb al een paar keer gehad dat er onverhoeds mensen stonden, die ik niet had opgemerkt omdat ik achter op het erf bezig was. Tot nu toe nog niet op een moment dat ik net bloot    onder de douche vandaan kwam, maar dat is natuurlijk een kwestie van tijd…) Maar wat voor hond? Ik ben eigenlijk nooit zo’n hondenliefhebber geweest. Als kind was ik er doodsbang voor en ik houd nog steeds niet van de lucht van honden.

Maar toen ik 20 jaar geleden in Australië rondreisde heb ik op een schepenfarm Australian Kelpies aan het werk gezien. Niet te grote hondjes, die buiten op het erf van de boerderij woonden en flink moesten werken voor de kost. Dat werk bestond uit het opdrijven en bij elkaar houden van de enorme kuddes schapen. Eén van mijn leukste herinneringen aan dat jaar is toen ik zelf een keer meeging met schapen ophalen (“ronding up a coupla herds”). Op een motorfiets over de heuvels crossen, met een nieuw hondje achterop. Toen we kwamen waar de schapen waren was het prachtig om te zien hoe de honden de aanwijzingen van de boer volgden. Ze wisten precies wat ze moesten doen en genoten duidelijk van het werk.

Kelpies zijn kleiner en lichter dan de ‘Australian Shepherd’ (die trouwens helemaal niet uit Australië komt!) en de ‘Australian Cattle Dog’ (die, zoals de naam al zegt, gefokt is om koeien te drijven). Daardoor kunnen ze over de ruggen van de schapen heen rennen als ze snel aan de andere kant van de kudde moeten zijn of de schapen dicht op elkaar door een geleiderail moeten worden gedreven. Wat de schapen daarvan vinden is niet bekend (maar ik heb wel een idee).

Dus toen Dorien liet weten dat hun hond puppies had met een Kelpie als vader was ik wel heel erg geïnteresseerd. De moeder is een mengelmoes, net iets groter dan een Kelpie. Maar ook een gezonde en slimme hond die goed is in schapen en geiten drijven. Bovendien zijn ‘vuilnisbak’-honden meestal gezonder dan echte rashonden.

Dus we besloten dit dit toch wel een hele goede kans was om een gezond beestje van bekende oorsprong en met waarschijnlijk goede eigenschappen aan te schaffen. En sinds afgelopen zondag woont Aska in huis. Half Kelpie, 1/8 Duitse Staander, 1/8 van nog iets bekends en 1/4 vuilnisbak.  Met een mooie black-and-tan tekening en jammer genoeg de hangende oren van de moeder (ik vind de rechtopstaande Kelpie-oren eigenlijk mooier).

Voor de poezen is het even wennen, maar ze zijn al snel vriendjes geworden. Aska en Max gaan lekker samen op avontuur en ze kunnen leuk samen spelen. Ik vind dat erg dapper van Max want Aska is wel 5 x zo zwaar als hij. Maar hij is natuurlijk een puber-kater, dus hij kan ook wel tegen een stootje. Als het spelletje te ruig wordt krijgt Aska een haal over d’r neus en ze begint al te begrijpen dat het dan afgelopen moet zijn. Ze waren al bezig om samen muizen te vangen (Aska graaft een muizenhol uit en Max zit er gespannen naast, klaar om wegrennende muizen te bespringen) dus ik voorzie een vruchtbare samenwerking.

Ze doet hard haar best om de nieuwe omgeving en de poezen te begrijpen en kan (als ze niet afgeleid wordt) al heel goed de commando’s “kom”en “zit” volgen. En zoals het een halve Kelpie betaamt heeft ze enorm veel energie!

Moestuin

Het seizoen voor de interim-moestuin is afgelopen, de pompoenen en courgettes zijn geoogst. Nu kan ik eindelijk een begin maken met de echte moestuin.

Omdat ik verwacht dat er hier heel wat konijnen en reeën belangstelling zullen hebben voor mijn groente ben ik begonnen met een degelijk hek. Gaas van 1,20 m hoog en daarboven komt nog een draad.  Langs de onderkant ligt nu een balk. Misschien dat ik daar langs ook nog gaas moet ingraven, maar dat stel ik nog even uit.

Ik blogde al eerder over de staat van de moestuin: een stevige grasmat, vol kweek en bramen. Omspitten is geen optie. Niet alleen is dat heel zwaar werk, maar de wortels van het kweek (en de overige grassoorten) zullen eindeloos blijven uitlopen, zolang de blaadjes het licht kunnen bereiken. Dus ik neem mijn toevlucht tot een beproefde methode: de grasmat verstikken met een mulchlaag. Omdat ik daar veel vragen over krijg wat uitleg.

Met ‘mulchen’ maakte ik twintig jaar geleden voor het eerst kennis in Australië. Het betekent simpelweg het afdekken van de grond en is in de Angelsaksische landen een beproefde methode om het opkomen van onkruid en verdamping van water tegen te gaan. In Nederland is vaak nog blote aarde de norm, liefst netjes geschoffeld. Maar dat biedt weinig bescherming aan de enorme verzameling van schimmels, bacteriën, insecten, wormen, springstaarten, mijten en andere organismen die we samenvatten onder de noemer ‘het bodemleven’. En dat bodemleven wil je juist stimuleren. Regenwormen maken de grond luchtig en transporteren voedingsstoffen door de bodemlagen. Bacteriën en schimmels breken organisch en anorganisch materiaal af tot bestanddelen die als voedingsstoffen door de planten kunnen worden opgenomen en humus die deze nutriënten vasthoudt. Schimmeldraden kunnen nutriënten over vele meters transporteren. Kortom, deze nuttige hulptroepen wil je koesteren. Maar dat doe je niet door de grond om te spitten (waarbij je het bodemleven enorm verstoort) en kaal te houden (waardoor harde wind, UV-straling van de zon , vrieskou en plensregens vrij spel hebben op het oppervlak), maar door haar te bedekken. Liefst met organisch materiaal, maar zwart plastic kan soms ook nuttig zijn. Mijn tuiniermethode is de afgelopen twintig jaar dan ook steeds meer gericht op het niet keren van de bodem en het stimuleren van het bodemleven.

Ik ben begonnen met het uitzetten van de bedden. Die worden 1,20 m breed, met paden van 80 cm er tussen. Dat lijkt verspilling van ruimte, maar doordat ik niet op de bedden loop blijft de grond daarin luchtig en vruchtbaar. Daardoor kan ik de bedden straks helemaal tot de rand vol planten. De planten zullen in het groeiseizoen ook over de randen van de bedden hangen. In de winter kan ik dankzij de brede paden overal goed bij met de kruiwagen.

De bramen heb ik uitgestoken, die laten zich niet makkelijk verstikken. De grasmat dek ik af met grote stukken karton, dat ik heb gekregen van de Kluswijs in Noordwolde. Daarop komt een dikke laag (50 cm!) organisch materiaal. Liefst met een goede verhouding tussen koolstofrijk en stikstofrijk materiaal, zodat het kan verteren tot vruchtbare compost. Ik gebruik wat ik maar voorhanden heb of waar ik makkelijk aan kan komen. Op dit moment heb ik vooral gehakselde takken en bladeren en oud hooi tot mijn beschikking. Dat bevat vooral koolstof en zal dus niet erg snel composteren. Geeft niet: de voedingsstoffen zouden in de winter toch maar uitspoelen door de regen. Hoofdzaak is nu eerst dat het gras verstikt wordt.

De planten plant ik komend voorjaar in de mulchlaag, waar ik dan wat mest bij voeg. De mest brengt het verteringsproces goed op gang. Daarbij ontwikkelt het bodemleven zich en worden de mulchlaag en het inmiddels dode gras omgezet tot nutriënten die de planten kunnen opnemen. De eerste vijf bedden zijn aangelegd: nu de rest nog.

 

 

 

 

 

 

Hulst

We willen deze winter heel veel bomen planten, maar er zullen ook enkele bomen gekapt moeten worden. De eerste is de hulstboom, die links van het huis staat (intussen: stond). Op zich een heel mooi exemplaar: gladrandig, dus zonder die akelige stekels, en met mooie bessen. Maar hij (of eigenlijk dus: zij, want alleen vrouwelijke exemplaren dragen bessen)  stond heel dicht op de Jonge Eik (alle prominente eiken op ons terrein hebben een naam) en was al aardig door de kruin heen gegroeid. Bovendien stond ze ten zuiden van het huis, dus ook ten zuiden van het nieuwe huis. En zo’n uitgegroeide hulst neemt héél veel zon weg. Zon die wij graag als passieve energie willen opvangen. Als ze nou aan de andere kant van het huis had gestaan had ik haar graag behouden, maar nu we moesten kiezen tussen de eik+zonlicht in huis en de hulst kozen we zonder twijfel voor het eerste.

Het was nog best spannend, want ze viel in de moestuin en daar ben ik al een eind op gang met het maken van bedden en een hek. Maar het is ons gelukt om de boom niet te laten vallen op het kippenhok, het hek, onszelf, de poort, de poezen, de kippen of de eenden (die natuurlijk allemaal hun best deden om erg in de weg te lopen).

De stam willen we een tweede leven gunnen ergens in ons nieuwe huis. Hulsthout schijnt super hard en vast te zijn, dus we vinden er vast een toepassing voor. De dikkere takken zal ik ook bewaren om nog  eens als timmer- of draaihout te gebruiken. En het fijne spul? Over twee maanden zou het heel geschikt zijn als kerstversiering (en volgens deze website werden in vroeger tijden aan hulsttakken ook allerlei magische eigenschappen toegedicht) maar ik weet niet of het dan nog goed is. Dus waarschijnlijk wordt dat toch ook versnipperd voor de moestuinbedden.

Orkaan doorstaan

De vorige storm viel me alleszins mee. Maar de vraag was: hoe gaat het huis zich houden bij een noordwesterstorm? En zie: ik word op mijn wenken bediend, met een noordwesterstorm, opnieuw lekker compact, een halve dag lang en overdag, zodat ik goed in de gaten kon houden hoe het ging.

Het was inderdaad een stuk heftiger dan de zuidwester. De pannen rinkelden alarmerend op het dak. Maar ze bleven wel liggen! Ook de plastic zeiltjes die een deel van ons dak vervangen zijn niet gescheurd. En voor zover ik heb kunnen zien geen serieuze schade aan bomen. Enkel één (1!) afgewaaide pan van de half afgebroken ‘westschuur’. En dat terwijl de  windvlagen het af en toe moeilijk maakten om staande te blijven. Kortom: alleszins tevreden.

Komende winter gaan we hopelijk, met hulp van Landschapsbeheer Friesland, het ‘windgat’ aan de westkant dichtplanten. Het zal wel een paar jaar duren voor de boompjes hoog genoeg zijn om voor serieuze beschutting te zorgen. Maar tot die tijd is het een geruststellend idee dat we een echte noordwesterstorm blijkbaar ook heelhuids kunnen doorstaan.

Het enige puntje van aandacht is dat Joris níet thuis was. Die moest naar een conferentie in Berlijn. En laat de storm in Berlijn nu zijn aangewakkerd tot orkaansterkte. Zodat hij vanmorgen tevergeefs op het station stond voor de terugreis: alle treinverkeer van en naar Berlijn ligt plat. We hopen maar dat de Deutsche Bahn dat op tüchtiger Weise aanpakt.

Oogst

Ik schreef al eerder over de courgette- en pompoenplanten die ik zonder al teveel omhaal op een hoop stof en hooi had gepoot, met wat oude varkensmest als krachtvoer en verder niet al teveel verzorging.De courgetteplanten leverden meer dan voldoende courgettes op (hoewel ik één plant halverwege het seizoen onbedoeld onthoofdde toen ik een vrucht wilde oogsten). De patissons deden het vooral in juli en augustus dapper,  september was echt te nat voor deze zuiderlingen.

Maar de pompoenen ‘Warty Hubbard’ en ‘Pink Banana Jumbo’ vonden het geweldig. Ik was al zeer onder de indruk van de formaten die deze snelle groeiers konden bereiken in mijn Amersfoortse achtertuin. In 2015 heb ik ze geteeld op goedbemeste leemgrond bij een bevriende kweker – toen werden het echte joekels. Maar tot mijn verbazing doen stof en hooi (en een beetje varkensmest) daar blijkbaar niet voor onder als groeimedium!

Eén zo’n joekel ligt nog te rijpen en ééntje hebben we al op. Van de rest kunnen we tot april pompoen eten. De vraag is alleen: waar bewaar ik ze? In het vorige huis had ik een onverwarmde maar vorstvrije kamer boven, zónder muizen.  Maar nu…

Kachel!

Met zoveel hout van eigen land willen we natuurlijk in het nieuwe huis geen combiketel op gas meer ophangen. Sowieso hè, wie koopt er nog een gas cv? Dat is zóóó 2016!

In het nieuwe huis komt een hyperefficiënte massakachel met rocket-batch-box technologie, waarmee je met één mandje hout je hele huis 24 uur verwarmt. (Meer over verschillende soorten kachels kan je vinden op dit blog. Evelien komt tot dezelfde conclusie als wij). En het nieuwe huis wordt natuurlijk ook supergoed geïsoleerd. Dat is leuk en aardig, maar intussen moeten we komende winter nog even door in het oude huisje. Dat bestaat uit halfsteens muurtjes met een asbestplaat er tegenaan en dubbelglasramen waar je ook aan de buitenkant van het kozijn langs naar buiten kunt kijken.

Zo stond het kacheltje in de huiskamer op de dag van de overdracht, 11 april

De oude mijnheer had een houtkacheltje. Een best wel chique kachel, trouwens: een Intrepid II van Vermont Castings. Toen ik even ging googelen bleek het de Rolls Royce onder de kachels te zijn. Helaas was dit exemplaar niet zo goed behandeld. De buurvrouw had al gezegd dat als de oude mijnheer stookte de kamer blauw stond en het zelfs bij hen (100 m verderop) stonk. Geen wonder, want de kachel zat helemaal vol met as  en halfverkoolde sap-pakken en was van binnen voorzien van een dikke laag teer, terwijl ongeveer de helft van het kachelkoord ontbrak. Toen ik de kachel had leeggehaald bleken ook de stookstenen te ontbreken en de achterkant gescheurd te zijn doordat hij te heet gestookt was. “Niets meer mee te doen”, was het vonnis van de kachel-reviseur.

En dit zat er in…
Van buiten ziet het er nog redelijk uit maar het binnenwerk is helemaal stuk gestookt

Om even een massakachel te bouwen voor één winter gaat ons te ver. Dus hebben we een nieuw kacheltje aangeschaft. Een mooi klein gietijzeren Noors kacheltje (voor de kenners: de ‘Orion’ van Nordpeis). En de oude kachelpijp (die óók was voorzien van een centimeters dikke teerlaag, en die trouwens sowieso te smal was voor hedendaagse standaarden) vervangen door een nieuwe dubbelwandige flexibele pijp. Dat was trouwens wel even een gedoe, want de oude pijp was vastgezet in 15 cm dik, keihard gewapend beton. Geweldig, om daar liggend op je rug een gat in te proberen te boren. In dit geval liet ik de afdeling ‘steen en beton’ met liefde aan Joris over 🙂

schouw met oude kachelpijp
beetje creosootaanslag…

Kachel is één, hout is twee. Onze houtvoorraad is met het huis in Amersfoort verkocht. Sloophout is er in overvloed, maar het meeste is geverfd of behandeld en dat stoken we natuurlijk niet. En heel veel zit ook zó vol met spijkers dat je het bijna als oud ijzer kan inleveren. En dat zagen we liever niet. Maar er is De Abeel.

In het Staatsbosbeheer-bosje stond langs onze ‘oprit’ een abeel (soort populier) waar ooit de kruin was uitgewaaid en die nu op halfzeven hing. We vonden dat een risico, want als hij ooit zou omwaaien zouden wij ons land niet meer op of af kunnen. Dus Staatsberenbos gebeld. Niets meer van gehoord, tot op een ochtend er opeens een joekel van een hoogwerker stond. In no time hadden de mannen de hele kruin eruitgezaagd. “Mogen wij het dikkere hout?” vroeg ik. Dat mocht.

 

Dus Joris heeft een weekend staan zagen. Nu moet ik nog kloven en opstapelen. Van hout word je drie keer warm zeggen ze.

De katten zijn het in elk geval al helemaal eens met de aanschaf van de kachel.