Woningsdag

De Koningsdag (ik denk nog steeds: ‘Koninginnedag’ ) die anders was dan alle andere was hier gewoon een dag als alle andere. Maar we werkten wel aan het huis dus de term Woningsdag was toch wel toepasselijk.

Vorige week is het eerste deel van de muuropbouw gestart. Dit is weer een gedeelte van de bouw met allerlei details om ‘koudebruggen’ te voorkomen. Het is namelijk ook de overgang tussen de damp-open kalkhennepmuren en de dampdichte fundering. Als je dat niet juist uitvoert kan de waterdamp die door de kalkhennep vrij kan diffunderen gaan condenseren op het beton. Dan krijg je vochtvorming in de muren en dat willen we natuurlijk niet.

Het gewapend beton dat het huis draagt ligt weliswaar op 50 cm schuimbeton (dus het is al redelijk geïsoleerd), maar er komt toch nog een laag overheen van isolerend foamglass. Prachtig materiaal, een soort Brosreep van gerecycled glas. Heel licht, heel isolerend, heel inert (niet giftig) en heel duur. Omdat de bovenkant perfect recht moest worden (daar bovenop bouwt Joris het houtskelet voor de muren) hebben we dat weer door de aannemer laten doen.

Hier overheen heeft de architect een ‘houten stelregel duurzaamheidsklasse 1’ getekend. Dat komt goed uit, daarvoor kunnen we de oude hardhouten vlonderplanken gebruiken die we van Joost en Monique gekregen hebben.

Die stelregel moet overigens worden aangebracht op compriband. Dat is een soort schuim-band. Het schuim zet uit en zorgt dat er geen tocht kan ontstaan. Je kunt het dan ook als tochtstrip kopen, 1 cm breed. Maar onze architect had het 20 cm breed getekend. Dat bleek niet verkrijgbaar. Uiteindelijk vond Joris het bij een Zweedse webshop van 5 cm breed. Dan maar twee stroken.

Hieroverheen moet een waterwerende laag, om te voorkomen dat er water in de fundering kan trekken. Dat is ook weer zo’n aandachtspunt. Ons huis is gefundeerd op een plaat schuimbeton, die rondom 50 cm uitsteekt. Producenten van schuimbeton zeggen dat water er niet dieper dan 2 cm in kan trekken. Maar Peter en Marleen, die dezelfde fundering hebben als wij, hebben onbedoeld de proef op de som gesteld. Zij moesten (anders dan de bedoeling was) naderhand toch een gat in hun fundering maken. Daarbij bleek dat het schuimbeton behoorlijk nat was. En dan isoleert het een stuk minder!

Nu hopen we dat de nattigheid bij ons iets minder zal zijn: het huis staat precies op een zandkop, dus grondwater staat sowieso veel dieper. We hebben een grondwaterbuis niet ver van het huis staan en het grondwater staat daar zelfs in natte perioden anderhalve meter onder maaiveld. Maar regenwater van bovenaf is iets anders.

Terwijl wij in december, januari en februari bezig waren aan het dak kletterde al het regenwater dat van het vorderende dak af liep precies recht op het schuimbeton. Daar zal dus aardig wat water in zijn getrokken. En dat zal zich hebben opgehoopt aan de onderkant, op het plastic wat er nog onder zit (en langs de zijkanten) van het storten. Op dat moment was daar weinig aan te doen. De afgelopen weken is het lekker opgedroogd, maar of alles er nu uit is? Dat lijkt wat te optimistisch.

Om te voorkomen dat toekomstig regenwater dat langs de muren loopt in het schuimbeton trekt dekken we het dus af met een waterwerende laag EPDM. (In de tekening staat ‘geotextiel’, maar dat is anti-worteldoek, dus niet waterdicht.)

Maar waterdicht afsluiten betekent ook dat water wat er al in zit er niet meer uit kan. Wat een dilemma… Uiteindelijk hebben we besloten wel de EPDM laag aan de bovenkant aan te brengen en aan de zijkanten van het schuimbeton te laten overhangen, maar het plastic langs de zijkanten zo diep mogelijk weg te halen. Dat hadden we dus beter half maart al kunnen doen, dan had het zes weken kunnen opdrogen. Maar ja, dat wisten we toen nog niet. En toen stonden ook de steigers nog rond het huis.

Intussen wordt er éindelijk regen voorspeld. Jammer van het droge schuimbeton, maar goed voor de moestuin. Als het goed is komt die regen nu in onze nieuwe dakgoten terecht. Maar daar zitten nog geen regenpijpen aan. Die kunnen we namelijk nog nergens aan vastmaken zo lang er geen muren zijn. Maar daar hadden we al rekening mee gehouden: bij het afbreken van de oude boerderij hebben we zo veel mogelijk van de dakgoten bewaard. Er zijn er precies genoeg om bij iedere uitloop het regenwater van het huis weg te leiden. Het ziet er niet uit. Maar als het huis maar droog blijft!

Het schuimbeton is tijdelijk afgedekt met het EPDM folie (ook prijzig spul. Op de hoeken hebben we het daarom aangevuld met een restje wat ik nog over had van een vorig project.) Laat het nu maar even regenen! De volgende stap zijn de bakstenen muurtjes aan de voet.

Veel geblaat…

Zoals ik al eerder schreef, had ik dit jaar alleen een lammetje (een rammetje) van Nel gepland. Babette heeft vorig jaar heel laat gelammerd, daarna longontsteking gehad en de hele winter heel veel melk gegeven. Dus die wilde ik even een pauze geven en pas komend najaar weer laten dekken. En de twee ooitjes die vorig jaar zijn geboren (Lieke en Fen) vond ik ook nog wat te jong om te laten dekken.

Maar ja, de natuur hè. Eind november, toen ik net uit het ziekenhuis kwam na de kaakoperatie en nog wat groggy op de bank zat, speelde Arie het klaar om te ontsnappen. En trof Joris hem aan bij de andere drie dames. O jee. 

Arie en Babette zijn dol op elkaar

28 november plus 145 dagen is 21 april. Dus stond ik zo langzamerhand op scherp. Lieke was duidelijk drachtig: bolrond, met een prachtig roze uier van heb ik jou daar. Maar Babette toonde helemaal geen uier en leek ook niet veel ronder dan anders. Ze sprong ook nog altijd lenig en vrolijk op de melktafel.

Terwijl Nel de afgelopen weken opeens Helemaal Niet Meer Wist waar de melktafel voor diende. In de maanden dat ze bij Arie in de wei stond heb ik haar brokjes in de wei gebracht (dat was makkelijker dan het hele schaap elke ochtend in het donker ophalen naar de stal en daarna weer terugbrengen). En nu was de melktafel opeens een Eng Ding. Waar ze Niet Op Ging. Eindeloos soebatten, rammelen met brokjes, sjorren aan het beest (één poot op de melktafel, nog een poot, duwen, ‘toe maar Nel’, schaap zakt door de knieën, luidkeels protest, etc). Twee keer per dag dus. Met als resultaat dat het beest niet eens meer bij de melktafel in de buurt wilde komen.

Na een week heb ik haar samen met Joris met tamelijk grof geweld op de melktafel geduwd. (70 kg tegenstribbelend schaap plus een heleboel wol kan ik in mijn eentje niet in bedwang houden). En toen viel het kwartje blijkbaar. Nu springt ze er weer op als vanouds, om luidkeels brokjes te eisen. Gelukkig maar, want zoon Krelis is intussen 3 weken oud en dat betekent dat hij zo langzamerhand met wat minder melk toe kan. Hij moet nu ’s nachts apart van zijn moeder, zodat ik Nel ’s ochtends kan melken. Tenslotte was dat het hele punt van de melkschapen.

Op de voorgrond, helaas maar half op de foto: bolronde Lieke. De rest van de kudde maakt dankbaar gebruik van de steigers rond het huis als schurkpaal.

Intussen werd Lieke dus ronder en ronder en toen ze zondag na de ochtend-etensronde in de stal niet meer terug wilde naar de wei wist ik het wel. En ja hoor, een paar uur later waren er twee rammetjes. Lieke likt ze keurig schoon, beter dan haar moeder het vorig jaar deed. Maar net als haar moeder heeft ze melk genoeg, maar stilstaan om de kinderen te laten drinken is er niet zo bij. Kennelijk moet een schaap dat leren. En Lieke is met stip het meest nerveuze schaap van de kudde, dat helpt ook niet.

Rammetje nr. 1, nog in geschenkverpakking
Nummer twee in geel vlies

Overigens vindt Lieke het Helemaal Niets dat ze een paar dagen met haar kroost in afzondering mag. Ze wil terug naar de kudde! En dat heeft ze de hele nacht luidkeels laten weten. Omdat het ook de eerste nacht was dat Krelis en Nel apart stonden en Nel ook nogal vocaal is ingesteld kreeg ik niet zoveel slaap.

Aska vindt lammetjes ook heel leuk en vraagt telkens of ze in de stal mag kijken.

En toen ik vanmorgen om 05.15 slaperig de wei in liep om Nel op te halen voor het melken hoorde ik gemekker van pasgeboren lammetjes uit een verre hoek van het weiland. Twee lammetjes bij Babette! Dat had ik dus niet zien aankomen. Want Babette heeft geen uier, geen melk. En de lammetjes moeten biest krijgen! Daar zitten belangrijke antistoffen in. Gelukkig had ik gisteren van Lieke wat extra biest afgemolken (die uier stond zo strak gespannen dat de lammeren nauwelijks konden drinken). En op het bakje genoteerd wat de eerste biest, wat de tweede was etc. De samenstelling van de biest verandert namelijk steeds gedurende de eerste dagen na het lammeren, tot het na drie dagen gewoon melk is. Het is belangrijk dat de lammetjes dat steeds in de juiste volgorde krijgen.

Dus nu weer flesjes opwarmen voor de lammeren van Babette en steeds wat van Lieke afmelken. Hopelijk redden alle vier de lammeren het ermee.

Arie, de aanstichter van dit alles, loopt intussen sinds tien dagen rond met een grote bult op zijn kop. Eerst heb ik het maar even aangekeken, maar toen de bult alleen maar groter werd toch de dierenarts gebeld. ‘Een abces’, oordeelde die. ‘Laten rijpen, het moet vanzelf doorbreken. In de tussentijd kan je pijnstilling geven, ik zal drie spuitjes voor je klaarmaken, die moet je om de dag onderhuids geven.’

Slik. Spuitjes geven is iets wat ik Heel Eng vind, vooral bij een tegenspartelende ram van ongeveer 100 kg. Maar het hoort erbij. En kennelijk werkt het, want Arie vreet en herkauwt als normaal, terwijl hij intussen een afgrijselijke rode bult ter grootte van een clownsneus op zijn wang heeft. ‘Als het is doorgebroken kan je ook het gat wat groter maken of spoelen met een betadineoplossing’, raadde een bevriende schapenhouder nog aan. Ik zie er nu al naar uit.

Ik kreeg trouwens nogal wat verontwaardigde (en bezorgde) reacties over het feit dat Arie zich aan zijn dochter(s) heeft vergrepen. Of de lammeren dan wel gezond waren. Welja. Bij dieren die in groepen leven met een alfaman aan de top (schapen, koeien, kippen, bavianen, wolven…) is dat volkomen normaal. De taakomschrijving van een alfaman is namelijk:

  1. Seks hebben (met iedereen die daarvoor in aanmerking komt)
  2. Vechten (met iedereen die dat recht waagt te betwisten)

Dit verklaart waarom slap gelul op door mannen gedomineerde werkvloeren altijd gaat over vrouwen en voetbal (een gesublimeerde vorm van vechten): de sprekers aspireren alfamannetje te zijn. Waarbij ze vergeten dat zo’n alfaman natuurlijk snel slijt door al dat vechten en dus op natuurlijke wijze vervangen wordt vóórdat er al te erge inteelt optreedt.

Dus. Nu heb ik één volwassen ooi (Nel) die ’s nachts luidkeels protesteert omdat ze van haar lam (Krelis) is gescheiden, één volwassen ooi (Babette) die op omvallen staat wegens overdadig lammeren en melkgift, één jonge ooi (Lieke) die permanent luidkeels protesteert omdat ze naar de kudde terug wil, één jonge ooi (Fen) die luidkeels loopt te brullen omdat haar moeder (Babette) met nieuw grut in de stal ligt, twee jonge lammetjes met een moeder (Lieke) die niet wil stilstaan, twee jonge lammetjes met een moeder (Babette) die geen melk heeft en een ram (Arie) met een clownsneus van een abces op zijn kop.

‘Het wordt al een mooi koppel!’ vond onze boer. Ik vind het meer een circus…

Het derde jaar

Het is 11 april, de wilde kers staat weer in volle bloei en we beginnen aan ons vierde jaar hier. Wat hebben we het afgelopen jaar volbracht?

Rond de werkplaats is de grond op niveau gebracht. Nu nog een mooi vlonderterras er tegenaan.

Zo was het mei 2019

De moestuin heeft (bijna) zijn definitieve vorm. Nu nog een Mooi Hek er omheen. Dat kan nu ook, omdat eindelijk de jonge wilde kers is verplaats, die op de foto hierboven nog in de weg stond.

Wat betreft zelfvoorziening hebben we bijna het hele jaar melk en kaas van eigen erf gehad. En wat lamsvlees. Samen met groente en aardappelen uit de moestuin en eieren van de kippen komen we al een heel eind. Al kunnen we nog niet helemaal zonder de supermarkt.

En mijn hele beugel-en-kaakoperatie-episode is achter de rug. Nèt voor de coronacrisis had ik de laatste controle bij de kaakchirug.

Maar het belangrijkst is natuurlijk: De oude boerderij is afgebroken. En het nieuwe huis staat. Van kelder tot dak. Al moet daar tussenin nog wel het één en ander gebeuren…

Wat gaat er het komend jaar gebeuren? We hopen dat het huis dan wind- en waterdicht is, dat de dakramen er in zitten en dat we mooi op streek zijn met de binnenkant: dakisolatie, installaties en binnenwanden.

Voor nu wensen we iedereen bijzondere, maar fijne paasdagen!

Dak boven je hoofd

The devil is in the detail… Joris is dágen bezig geweest met de laatste voorbereidingen voor de dakgoten. Omdat de sporenkap stiekem net niet helemaal recht is (tja, het is hout hè) moest Joris allemaal klosjes exact op maat maken, om te zorgen dat de goten het juiste afschot zouden krijgen.

Maar deze week kon het installatiebedrijf voor de dakgoten komen. Na de ‘episode dakdekkers’ hadden we eigenlijk helemaal geen zin in weer Mannen Op Het Erf, maar dit zagen we onszelf toch echt niet doen. En het was een heel verschil: dit waren twee keurige, hardwerkende jongens. Die prachtige goten aanlegden, in éen dag rond het hele huis. En wat ziet het er dan opeens echt uit!

De goten glimmen nog wel heel erg, maar dat schijnt na drie regenbuien voorbij te zijn.

Daarna nog ‘even’

  • de onderste panlatten erop (met speciale stripjes zodat we niet door het folie geen hoeven te schroeven;
  • de laatste laag pannen (inclusief weer pannen die moeten worden doorgeslepen bij de hoekkepers);
  • het folie in de dakgoot en de ruiterrol over de kepers op maat afknippen;
  • de zijkanten van de voorgevel afwerken;
  • en een tijdelijke plastic goot (van de oude boerderij) aan de voorkant bevestigen (daar komt nog een mooie optimmerde bakgoot op klossen)

En dan… IS HET DAK AF! Niet gedacht dat we 4 1/2 maand bezig zouden zijn, enkel om pannen op het dak te krijgen…

Tijdelijke voorziening . Niet heel mooi, maar wel functioneel. De omtimmerde goot op klossen komt nog…

Dat is nog eens een mijlpaal, op de valreep van het vierde jaar!

Kalk en hennep partijtje

Eind juni gaan we (hopelijk!) de kalkhennepmuren storten. Nu is de wereld door het coronavirus opeens heel onvoorspelbaar geworden. We weten dus nog niet of we tegen die tijd, zoals gepland, met vrijwilligers kunnen en mogen werken.

Een andere onzekere factor is levering. Er zijn maar een paar leveranciers van de materialen. En de kalk moet uit België komen. Ook in normale tijden is levering van minder gangbare bouwmaterialen soms een vertragende factor. Laat staan in tijden van gesloten grenzen en mogelijke faillissementen.

Daarom hadden we bedacht dat we de kalkhennep wel alvast konden bestellen. Dat bleek een goed idee, want de levering duurde inderdaad een paar weken langer dan de kalkhennep-aannemer (Ecobouw Salland) gewend was. Maar dinsdag werd ik gebeld door het transportbedrijf, om even kort te sluiten over de levering.

“Hier staat dat u een stuk van de weg woont. Hoever is dat dan? Want dan rijden we achteruit. Of kunnen we bij u keren? En er ligt toch wel voldoende bestrating? Want hoe moeten we het er anders af krijgen?”

We geven bij bestellingen altijd héél nadrukkelijk aan dat we ver van de weg wonen, op een lastig bereikbare plaats en dat het bestelde alleen ter plaatse gebracht kan worden met een auto van maximaal 10 meter lang, met goede chauffeur. Die kan normaal gesproken hier wel keren (als het weiland niet te nat is) , maar nu staat het rond het huis vol met de kisten van de dakpannen en allerhande andere zooi. En blijkbaar was deze transporteur gewend aan bestrate oppervlakken, maar die hebben wij helemaal niet. Dus we moesten even goed nadenken over de logistiek. Temeer omdat de dakgootmannen er ook waren, met auto’s, materieel en al.

Het ‘hennephout’ zou komen op 8 pallets met 33 pakken van 14 kg hennephout. Groot, maar met onze trekker wel te hanteren. Maar de kalk zou komen op 5 pallets van 40 pakken á 25 kg. Onze trekker kan geen 1000 kg aan, weten we uit ervaring. We hebben al eens een palletvork gescheurd…

Gelukkig wonen we in een dorp met fantastisch hulpvaardige mensen. Even rond-whatsappen (‘Kan jouw shovel het aan?’ ‘Nee, maar misschien heeft Edwin geschikt materieel?’ ‘Nee, ik heb geen voorlader, maar ik heb het Koen gevraagd, die wil wel helpen’) en in no time was het geregeld dat Koen zijn platte kar van 10 meter lang op de parkeerplaats tegenover de school zette, zodat de pallets zó konden worden overgeladen.

De vrachtwagen die kwam was 18 meter lang. Die was nooit van zijn leven de Ratellaan in gekomen, laat staan bij ons huis. En hij kwam niet met een kooiaap of grijper, maar met een pompkarretje. Gelukkig was de chauffeur creatief en het parkeerterrein (dankzij de coronacrisis) leeg. In een uurtje stonden de 5 zware pallets kalk op de platte kar.

’s Middags heeft Koen ze met zijn grote trekker bezorgd. Het is toch telkens spannend, al dat groot materieel om het huis. En het viel nog niet mee om de pallets strak tegen elkaar aan te zetten. Het is sowieso moeilijk om precies te manoeuvreren op hobbelig terrein, en we moesten natuurlijk ook voorkomen dat de palletvork de al geparkeerde zakken met kalk zou beschadigen. Maar een boer krijgt altijd alles overal, dat blijkt maar weer.

Het valt niet op, maar deze trekker is echt anderhalf keer zo groot als de onze. Misschien had ik een foto moeten maken waar ze allebei op stonden. Maar op dit moment was Joris met onze trekker het hennephout aan het halen dus.

Levering is één, droog opslaan is twee. We hadden gedacht de partytent er overheen te zetten. Maar toen het allemaal stond bleek dat toch niet te passen. Uiteindelijk heb ik 8 x 33 pakken (á 14 kg) hennephout met de hand en de kruiwagen, onder de steiger door, over de betonrand heen, verplaatst naar ‘in het huis’. De zakken kalk zijn te zwaar en kwetsbaar, die hebben we maar even gelaten waar ze waren. Maar ze moeten natuurlijk wel droog blijven. Nu komt de partytent van het Postzegelpark weer goed van pas!

Al met al ben je toch een volle dag kwijt, alleen maar om het bouwmateriaal ter plekke te krijgen. Gelukkig hebben we nu de meeste grote leveranties wel gehad. Nog een keer bakstenen voor het trasraam, kozijnen en glas, schuimbeton en cement voor de cementdekvloer… maar dat duurt nog even.

Dus. Het materiaal is er. Nu de mensen nog. Of dat mogelijk wordt of niet hebben we niet in de hand. Afwachten maar hoe alles zich ontwikkelt. Vóór die tijd hebben we nog genoeg te doen. Het dak is (bijna) af. Maar het houtskelet is ook wel even werk. En vóór het houtskelet daadwerkelijk kan worden opgezet moet eerst het schuimbeton worden afgedekt (daar komen weer allerlei details bij kijken, om te voorkomen dat water via de fundering in het huis kan dringen) en het trasraam (baksteen muurtjes aan de onderkant) gemetseld. We hoeven ons dus nog altijd niet te vervelen.

Lammetje(s)!

De bedoeling was dat er dit jaar maar één schaap zou lammeren. Babette heeft vorig jaar heel laat gelammerd, daarna longontsteking gehad en de hele winter heel veel melk gegeven. Dus die wilde ik even een pauze geven en pas komend najaar weer laten dekken. En de twee ooitjes die vorig jaar zijn geboren vond ik ook nog wat te jong om te laten dekken. Bovendien was het plan dat we dit jaar vooral aan het bouwen zouden zijn en dan is het niet handig als ik dagelijks drie uur bezig ben met melkwinning en -verwerking.

Dus alleen Nel ging begin november in een weitje bij Arie de dekram. Met als planning: eind maart / begin april een lammetje. Eéntje leek me wel voldoende. De kudde hoeft niet verder uitgebreid. Er is een grens aan de hoeveelheid ooien die ik met de hand wil melken en ook aan de hoeveelheid melk, kaas en yoghurt die wij nuttigen. Geen ooilammetje dus, maar een rammetje. Mits tijdig gecastreerd zou die als gezelschap voor Arie kunnen dienen. Arie wordt namelijk ontiegelijk chagrijnig als hij in zijn eentje moet staan.

Maar ja, de natuur hè. Eind november, toen ik net uit het ziekenhuis kwam na de kaakoperatie en nog wat groggy op de bank zat, speelde Arie het klaar om te ontsnappen. En trof Joris hem aan bij de andere drie dames. O jee.

Nel leek overigens aanvankelijk helemaal niet drachtig. Balen. Had Arie helemaal niets gedaan? Tot ze opeens binnen drie dagen een uier kreeg. Op 28 maart zette ik haar vóór ons avondeten op stal en toen ik na het avondeten ging kijken… ja hoor! Helemaal volgens planning, één mooi groot, gezond rammetje. Dankjewel Nel.

Een collega van Joris suggereerde Corona als naam, maar dat leek ons toch een wat nare associatie, nu de epidemie steeds heftiger wordt. Via Cor, Coronus en Cornelis werd het uiteindelijk Krelis. Krelis wordt goed bemoederd en drinkt zelfstandig (hoera) en binnen een paar dagen lag de hele kudde gezamenlijk tevreden te herkauwen in de wei. Dat ging dus helemaal zoals de bedoeling was.

Maar nu ontwikkelt Lieke, één van de jonge ooitjes een uier. Zo kan het verlopen; van één (verwacht) drachtige ooi, naar helemaal geen, naar twee. Of meer? Zou Arie tijdens zijn escapade nog meer dames bezwangerd hebben? Omstreeks half april weten we het…

Overigens doet Nel opeens alsof ze helemaal niet meer weet waar de melktafel voor is. Waarom kan er nou nooit iets vanzelf gaan?