Lente

En toen schoten de temperaturen ineens omhoog naar (hoog)zomerse waarden!  Nu bloeit de kers wel – het is één golvende, wiegende massa witte takken, gonzend van bijen en hommels. In het weiland knallen de paarden- en pinksterbloemen open en in de moestuin komen de kapucijners, peultjes en aardappelen op. Wat een paradijs!

Ik heb de kippen verplaatst naar een nieuw stukje, waar ze op het gras lopen. En meteen grote voorjaarsschoonmaak gehouden: het hele hok leeg gehaald, goed uitgezogen, van binnen schoon gemaakt met heet water en soda, nagespeeld met kokend water, alle kieren met de verfföhn droog gestoomd en alle kieren en houtwerk bestreken met een dikke laag witkalk. Hopelijk blijven we dan dit jaar verschoond van vieze bloedluis-uitbraken. De kippen lijken er wel tevreden mee.

Nadeel van de nieuwe plek is dat ze minder bosjes hebben om voor de buizerds te schuilen. Vorig jaar hebben we daar één kip aan verloren. Hopelijk houdt het feit dat wij nu dagelijks op het erf bezig zijn de  buizerds op enige afstand…

Kippenhok in ochtendmist en avondzon, romantisch onder de kersenbloesem

Er zijn kippen die het slechter hebben…

 

Het eerste jaar

Een jaar geleden kregen we de sleutels. Toen stond de kersenboom prachtig in bloei. In Japan schijnt de kersenbloesem symbool te zijn van een nieuw begin. En dat was het hier natuurlijk ook.

Door de late koude winter bloeit de kersenboom nu nog (net) niet. Maar nu de temperatuur de laatste dagen omhoog is geschoten spuit ook hier het groen overal uit de bomen en de grond. Het weiland wordt met de dag groener, iedere dag zijn er meer struiken met blaadjes, dagelijks gaan er meer paardenbloemen open en als je in het weiland even rondkijkt zie je de pinksterbloemen omhoog komen. Binnenkort kunnen we niet meer door de houtwal heen kijken.

Tijd voor de balans van het eerste jaar. Wat hebben we bereikt?

Vele kuubs schroot, hout, rommel en asbest zijn afgevoerd. Er zijn geen gebouwen met onbekende inhoud meer. De meeste (anorganische) rotzooi uit de houtwallen is opgeruimd (maar er moet nog heel veel prikkeldraad, overtollige braamstruiken en Amerikaanse vogelkers verwijderd worden).  Er zijn 34 fruitbomen, 20 grote lindebomen en 265 stuks autochtoon ‘bosplantsoen’ geplant. Er is een degelijk, breed pad aangelegd. Er is een nieuwe septic tank met helofytenfilter aangelegd (de rietplantjes moeten nog een beetje gaan groeien, we hopen dat het filter dit seizoen echt op gang komt). De fundering van de werkplaats staat als een huis.  De moestuin is aangelegd: uien, rode melde, goudsbloemen en slaplantjes staan al boven de grond.

En het belangrijkste: we hebben ons de plek ‘eigen’gemaakt. We kennen het erf nu goed. We weten waar er hoge en lage, natte en droge plekken in het land zitten, en we hebben een idee waardoor die zijn ontstaan. Afgezien van de grote houtwal (daar moeten we nog een beetje meer in rondstruinen), kennen we ook de houtwallen op ons terrein, de grote bomen en de ondergroei. We kennen de directe omgeving en we weten hoe die er in het verleden heeft uitgezien.

We hebben kennis gemaakt met onze buren en de andere mensen uit het dorp. We hebben een hondje, twee katten, één bijenvolk, twee loopeenden en vijf kippen. We hebben de winter doorstaan. We hebben internet, waterleiding, riolering en elektriciteit.

We hebben heel wat om blij mee te zijn!

Eén stap vooruit, twee stappen terug…

Vrijdag was het dan eindelijk zover: het beton van de werkplaats kon gestort worden. Joris moest werken, maar omdat het beton gepompt werd, in plaats van het met kruiwagens heen en weer te rijden,  moest het met drie personen wel lukken.  Om acht uur zou de aannemer komen.

Om negen uur belde ik maar eens. “Zeg, jullie zouden toch het beton komen storten?”

“Ja, om tien uur. Was dat niet doorgekomen?”

Om tien voor tien zag ik een grote betonwagen over de Ratellaan langs rijden . Door een sprintje te trekken door het weiland kon ik nog net voorkomen dat hij vast kwam te zitten in de oprit van de buren.

Maar toen hij eindelijk op het juiste adres was ging het snel. Met een gigantische pomp, die óver de bomen heen reikte, werd het beton rechtstreeks naar de werkplaats gepompt. In een kwartiertje zat de hele massa erin en kon de wagen weer wegrijden.

En toen ging het mis. Ondanks dat Joris, de beide aannemers en ikzelf   de chauffeur herhaaldelijk, mondeling èn schriftelijk hadden gewaarschuwd om NIET te keren op de rijplaten (want die zijn prima voor personenwagens, maar onvoldoende voor zware vrachtwagens) deed hij het toch. We zagen de rijplaten wegschuiven. “Goh”, dacht ik nog, wat komt daar een blubber onder vandaan.”

Maar het was geen gewone modder.

“Volgens mij is zijn brandstoftank geknapt!”riep de aannemer. We roken eraan. Geen benzine: het was de olie van de hydrauliek die inmiddels aan alle kanten uit de betonwagen spoot. Ik deed nog een poging om het spul op te dweilen, maar dat was letterlijk dweilen met de kraan open.

“Hoeveel liter olie zit er in zo’n wagen?” vroeg ik.

“Ja, toch wel een litertje of 300” zei de chauffeur. Die bleef er verder nogal rustig onder en belde het hoofdkantoor van Friesland Beton. Dat ze maar even met wat nieuw gebroken puin moesten komen om het pad schoon te maken. Over anderhalf uur zou er iemand komen.

Na twee uur belde ik maar eens.

“Goedemiddag. Er is hier vanmorgen een ongeluk gebeurd met een betonwagen waarvan de hydrauliek ontploft is.”

“Ja, daar heb ik wel iets van gehoord. Maar we sturen iemand om het op te ruimen hoor.”

“Maar kunt u zeggen wanneer die komt? Want er staan hier nu poelen olie op het land en op het pad en dat trekt nu wel mooi allemaal de grond in. Die grond wàs schoon – we hebben vorig jaar een bodemonderzoek gedaan. Maar als we straks gaan bouwen en de grond is vervuild zitten wij met de gebakken peren.”

“Nou mevrouw, poelen olie, u moet het niet groter maken dan het is. Ik heb die wagen hier gezien en zoveel olie is het niet. En ik kan ook op zo’n korte termijn niemand regelen.”

“Zal ik u even wat foto’s sturen?”

Dat hielp blijkbaar, evenals het feit dat de aannemer, op mijn verzoek, bevestigde dat het echt om een groot oppervlak ging wat vervuild was. Even later belde de voorman van de betoncentrale dat er een loonwerker aan kwam. Niet met anderhalve kuub puingranulaat, maar  met 12 kuub.

Maar toen die loonwerker halverwege de middag eindelijk arriveerde (die moest, met de trekker en de graafmachine, helemaal uit Heerenveen komen, je denkt: bel er dan ééntje bij ons in de buurt…)  verschoot hij een beetje en belde subiet de betoncentrale weer.

“Ja hoor eens, dit is veel groter dan je had aangegeven. Dat moet op de officiële wijze gesaneerd worden. Regel maar een vloeistofdichte container om die grond af te voeren.”

Goed, het eind van het liedje was dat we met ons allen tot half zes stonden te wachten tot de vloeistofdichte container er was. Alle vervuilde grond en puingranulaat is weg geschept en het pad is min of meer weer gerepareerd met een veel te grote berg puingranulaat. Jammer genoeg niet zo netjes en glad als het eerst was. Gelukkig was de grond nog vrij nat, waardoor de olie niet al te ver de grond in was getrokken.

Netto opbrengst van een heel lange dag vol wachten, telefoneren en veel ergernis: een berijdbaar, maar èrg hobbelig laatste stukje pad, grote kuilen aan weerszijden van het pad (waar het nu éindelijk weer wat groener begon te worden…) en een prachtige, spiegelglad gevlinderde betonvloer voor de werkplaats.

 

 

 

 

 

 

Zuidschuur

 

We hebben op ons land diverse schuren staan. Die hebben we allemaal een naam gegeven: de zuidschuur, de noordschuur, de westschuur en de stal. En dan was er nog de overkapping (inmiddels verwijderd) tussen de stal en de noordschuur, en het varkenskot.

Varkenskot en noordschuur

De westschuur heeft inmiddels moeten wijken; daar bouwen we nu de werkplaats. Zodra die afgebouwd is kunnen de spullen erin die nu nog in het huisje en de stal staan opgeslagen. Het huisje en de stal kunnen dan worden afgebroken zodat we daar het nieuwe huis kunnen bouwen. En als dát af is (als het ooit zover komt) kunnen we de noord- en de zuidschuur aanpakken. Die moeten in de tussentijd dus nog even blijven staan, zodat we er zaken in kunnen opslaan die enigszins tegen de elementen kunnen.

Zuidschuur, maart 2017

Maar bij de zuidschuur werd dat steeds problematischer. Die was al niet best, meer een soort kapschuur. Een gebint wat deels uit levende eiken bestaat (!), met een bekleding van oude planken, aluminium, verzinkt en glasvezel golfplaat, uitgehamerde stukken blik en heel veel asbest. In september is het deel van het dak en de ‘muren’ dat uit asbestplaten bestond er af gehaald. In de loop van de winter  heb ik de zijkanten weer dichtgezet met oude deuren en het dak aangeheeld met  stukken metaal en kunststof die vrij waren gekomen bij de afbraak van de westschuur en de overkapping. En nèt toen ik daarmee klaar was kwam de eerste ‘Siberische beer’ langs. Mijn eigen nieuwe-oude-golfplaten-dakje hield goed. Maar de noordoostenwind  dook daaronder door en scheurde de oude, bros geworden kunststof platen aan de andere kant er finaal uit.

Dat was lastig, want hoe repareer je dat? Je kunt het dak namelijk niet op, omdat het allemaal oude, wrakke brosse golfplaten zijn.  En aan de achterkant kan je er ook niet dichtbij komen, omdat daar een sloot loopt.  Een echt degelijke oplossing is zonde van het geld en de tijd – ooit moet daar een echt gebouwtje komen . Uiteindelijk besloten we er maar een zeil overheen te spannen. Dus dat was één van de klusjes voor het Paasweekend.

Stap 1 was het verwijderen van zoveel mogelijk van de dikke laag blad en takjes die zich op het dak had verzameld. Dat kostte nog veel moeite – het dak was toch wel groot en zoals gezegd kon ik er slecht bij.

Ook bij deze schuur zijn levende bomen domweg als staanders gebruikt
Het líjkt alsof de keukentrap op droge grond staat. Maar in feite staat hij in de sloot achter de schuur. De ‘droge grond’ is wat ik van het dak geveegd heb.

Daarna moest ik alle scherpe zaken op het dak verwijderen die door het zeil zouden kunnen heen prikken. Spijkers en schroeven lieten zich verwijderen of platslaan. Over de scherpe randen en hoeken  van de metalen golfplaten, waar die tegen de nokbalk getimmerd zitten, heb ik stukken oude dakgoot ondersteboven aangebracht. Door ze een beetje plat te duwen kon ik ze domweg aan de nokbalk vast schroeven en zorgden ze voor een mooie ronding, waar het zeil niet door beschadigd zou worden.  Echt heel leuk om te doen was het niet, want ik moest dat plat op mijn buik liggend op de nokbalk doen, met aan weerkanten niets dan wrakke golfplaten tussen mij en vier meter lager.

Stap 3 was het aanbrengen van een raamwerk van latten om het zeil over het ‘gat’ enigszins te ondersteunen. Anders zou het bij regenachtig weer waarschijnlijk erg gaan doorhangen.

En tenslotte hebben we met ons tweeën het zeil van binnenuit over het dak geduwd, verdeeld, uitgerold en rondom vastgezet met goedkope ‘spinnen’ van de Action.

Een echte stormvaste oplossing is dit nog niet, daar moeten we nog even over nadenken. Vastschroeven van het zeil met latten kan in elk geval niet. De planken van de schuur zijn zó rot, dat je die latten eenvoudigweg nergens aan vast kunt schroeven. Maar in ieder geval is er voorlopig weer een droog plekje gecreëerd.

Intussen heeft Joris de isolatie en wapening aangebracht voor  de vloer van de nieuwe werkplaats. Het pak isolatie (piepschuim) is dikker geworden dan we oorspronkelijk van plan waren. Maar de aannemer wilde liever dat de vloer gelijk werd met de gemetselde muurtjes, in plaats van 8 cm eronder. Hij gaat de betonvloer namelijk afvlinderen en het schijnt te kunnen gebeuren dat je dan met het zware, ronddraaiende vlinderapparaat tegen de muur tikt, er een steen uit breekt en de hele halfharde betonmassa naar buiten loopt. Dus hebben we er nóg maar eens 8 cm piepschuim onder gestopt. Er zit nu haast 30 cm piepschuim onder het beton. Mochten we ooit besluiten om vloerverwarming in de werkplaats te leggen, dan moet dat geen probleem zijn…