Orkaan doorstaan

De vorige storm viel me alleszins mee. Maar de vraag was: hoe gaat het huis zich houden bij een noordwesterstorm? En zie: ik word op mijn wenken bediend, met een noordwesterstorm, opnieuw lekker compact, een halve dag lang en overdag, zodat ik goed in de gaten kon houden hoe het ging.

Het was inderdaad een stuk heftiger dan de zuidwester. De pannen rinkelden alarmerend op het dak. Maar ze bleven wel liggen! Ook de plastic zeiltjes die een deel van ons dak vervangen zijn niet gescheurd. En voor zover ik heb kunnen zien geen serieuze schade aan bomen. Enkel één (1!) afgewaaide pan van de half afgebroken ‘westschuur’. En dat terwijl de  windvlagen het af en toe moeilijk maakten om staande te blijven. Kortom: alleszins tevreden.

Komende winter gaan we hopelijk, met hulp van Landschapsbeheer Friesland, het ‘windgat’ aan de westkant dichtplanten. Het zal wel een paar jaar duren voor de boompjes hoog genoeg zijn om voor serieuze beschutting te zorgen. Maar tot die tijd is het een geruststellend idee dat we een echte noordwesterstorm blijkbaar ook heelhuids kunnen doorstaan.

Het enige puntje van aandacht is dat Joris níet thuis was. Die moest naar een conferentie in Berlijn. En laat de storm in Berlijn nu zijn aangewakkerd tot orkaansterkte. Zodat hij vanmorgen tevergeefs op het station stond voor de terugreis: alle treinverkeer van en naar Berlijn ligt plat. We hopen maar dat de Deutsche Bahn dat op tüchtiger Weise aanpakt.

Oogst

Ik schreef al eerder over de courgette- en pompoenplanten die ik zonder al teveel omhaal op een hoop stof en hooi had gepoot, met wat oude varkensmest als krachtvoer en verder niet al teveel verzorging.De courgetteplanten leverden meer dan voldoende courgettes op (hoewel ik één plant halverwege het seizoen onbedoeld onthoofdde toen ik een vrucht wilde oogsten). De patissons deden het vooral in juli en augustus dapper,  september was echt te nat voor deze zuiderlingen.

Maar de pompoenen ‘Warty Hubbard’ en ‘Pink Banana Jumbo’ vonden het geweldig. Ik was al zeer onder de indruk van de formaten die deze snelle groeiers konden bereiken in mijn Amersfoortse achtertuin. In 2015 heb ik ze geteeld op goedbemeste leemgrond bij een bevriende kweker – toen werden het echte joekels. Maar tot mijn verbazing doen stof en hooi (en een beetje varkensmest) daar blijkbaar niet voor onder als groeimedium!

Eén zo’n joekel ligt nog te rijpen en ééntje hebben we al op. Van de rest kunnen we tot april pompoen eten. De vraag is alleen: waar bewaar ik ze? In het vorige huis had ik een onverwarmde maar vorstvrije kamer boven, zónder muizen.  Maar nu…

Kachel!

Met zoveel hout van eigen land willen we natuurlijk in het nieuwe huis geen combiketel op gas meer ophangen. Sowieso hè, wie koopt er nog een gas cv? Dat is zóóó 2016!

In het nieuwe huis komt een hyperefficiënte massakachel met rocket-batch-box technologie, waarmee je met één mandje hout je hele huis 24 uur verwarmt. (Meer over verschillende soorten kachels kan je vinden op dit blog. Evelien komt tot dezelfde conclusie als wij). En het nieuwe huis wordt natuurlijk ook supergoed geïsoleerd. Dat is leuk en aardig, maar intussen moeten we komende winter nog even door in het oude huisje. Dat bestaat uit halfsteens muurtjes met een asbestplaat er tegenaan en dubbelglasramen waar je ook aan de buitenkant van het kozijn langs naar buiten kunt kijken.

Zo stond het kacheltje in de huiskamer op de dag van de overdracht, 11 april

De oude mijnheer had een houtkacheltje. Een best wel chique kachel, trouwens: een Intrepid II van Vermont Castings. Toen ik even ging googelen bleek het de Rolls Royce onder de kachels te zijn. Helaas was dit exemplaar niet zo goed behandeld. De buurvrouw had al gezegd dat als de oude mijnheer stookte de kamer blauw stond en het zelfs bij hen (100 m verderop) stonk. Geen wonder, want de kachel zat helemaal vol met as  en halfverkoolde sap-pakken en was van binnen voorzien van een dikke laag teer, terwijl ongeveer de helft van het kachelkoord ontbrak. Toen ik de kachel had leeggehaald bleken ook de stookstenen te ontbreken en de achterkant gescheurd te zijn doordat hij te heet gestookt was. “Niets meer mee te doen”, was het vonnis van de kachel-reviseur.

En dit zat er in…
Van buiten ziet het er nog redelijk uit maar het binnenwerk is helemaal stuk gestookt

Om even een massakachel te bouwen voor één winter gaat ons te ver. Dus hebben we een nieuw kacheltje aangeschaft. Een mooi klein gietijzeren Noors kacheltje (voor de kenners: de ‘Orion’ van Nordpeis). En de oude kachelpijp (die óók was voorzien van een centimeters dikke teerlaag, en die trouwens sowieso te smal was voor hedendaagse standaarden) vervangen door een nieuwe dubbelwandige flexibele pijp. Dat was trouwens wel even een gedoe, want de oude pijp was vastgezet in 15 cm dik, keihard gewapend beton. Geweldig, om daar liggend op je rug een gat in te proberen te boren. In dit geval liet ik de afdeling ‘steen en beton’ met liefde aan Joris over 🙂

schouw met oude kachelpijp
beetje creosootaanslag…

Kachel is één, hout is twee. Onze houtvoorraad is met het huis in Amersfoort verkocht. Sloophout is er in overvloed, maar het meeste is geverfd of behandeld en dat stoken we natuurlijk niet. En heel veel zit ook zó vol met spijkers dat je het bijna als oud ijzer kan inleveren. En dat zagen we liever niet. Maar er is De Abeel.

In het Staatsbosbeheer-bosje stond langs onze ‘oprit’ een abeel (soort populier) waar ooit de kruin was uitgewaaid en die nu op halfzeven hing. We vonden dat een risico, want als hij ooit zou omwaaien zouden wij ons land niet meer op of af kunnen. Dus Staatsberenbos gebeld. Niets meer van gehoord, tot op een ochtend er opeens een joekel van een hoogwerker stond. In no time hadden de mannen de hele kruin eruitgezaagd. “Mogen wij het dikkere hout?” vroeg ik. Dat mocht.

 

Dus Joris heeft een weekend staan zagen. Nu moet ik nog kloven en opstapelen. Van hout word je drie keer warm zeggen ze.

De katten zijn het in elk geval al helemaal eens met de aanschaf van de kachel.

 

 

 

Het Pad

Het is een poosje stil gewest op het blog. Niet dat er niets te doen was.

Afgelopen week stond – onder andere – in het teken van Het Pad. En het gebrek daaraan. Want nadat op 8 september (de natste vrijdag van de eeuw, of zoiets) het pad door de asbestmannen aan gort was gereden kon ik dus echt niet meer het terrein op of af met de bus. Want die stond bij het erf. Achter 300 meter bagger-pad. En het weiland was ook veel te nat en te zacht om door te rijden.

Joris was die dag natuurlijk naar zijn werk. Dus zijn auto stond bij de Ratellaan. Tien dagen moest hij, als hij ’s ochtends naar zijn werk vertrok (om 06.00) eerst in het stikkedonker (en de regen) over 250 m kletsnat weiland (waar het gras alweer kniehoog begon te worden) lopen. En dan de laarzen verwisselen voor droge schoenen…

’s Avonds in het donker met de fiets thuiskomen was trouwens ook een belevenis. Ik heb – heel ouderwets- een fietslamp op een dynamo. Gaat prima zolang je kunt doorrijden. Maar als je moet afremmen vanwege baggerpad, gaat je licht ook uit. En voor de goede orde: het is hier Serieus Donker. Geen straatlantaarn te bekennen. Ook geen lichtvervuiling dus, nog nooit zulke mooie sterrenhemels gezien. Maar intussen weet je niet wáár de voet in landt die je uitsteekt om je evenwicht te bewaren op die remmende fiets.

De kliko buiten zetten was trouwens ook een feest. En ga zo maar door.

We hadden nu dus besloten dat de loonwerker het hele pad maar moest verharden. En daarbij meteen de loop van het pad iets verleggen. Het pad liep namelijk wat eigenaardig: als je vanaf de Ratellaan kwam liep het eerste stukje links van (onze) houtwal, dan maakte het een slingertje, en dan ging het rechts van de houtwal verder. Waarom niet direct op eigen grond?

Dat wordt duidelijk als je de oude kaarten bekijkt (www.topotijdreis.nl). Oorspronkelijk lag er ook een boerderijtje op het perceel ten zuiden van het onze (‘De Bult’). Dus het pad liep eerst langs die boerderij (met een aftakkinkje), er liep een schelpenpaadje naar het boerderijtje op ‘De Hoogte’ en vandaar liep het pad verder naar onze boerderij. (De boerderijtjes op ‘De Bult’ en ‘De Hoogte’ zijn met de ruilverkaveling verdwenen, net als heel veel andere boerderijtjes.)

Maar in de huidige situatie was het niet logisch. En niet handig. Want het groot materieel dat wij over de vloer krijgen moet noodgedwongen wat afstand houden van de houtwal, al is het maar vanwege de hoogte. En daardoor schoven de bandensporen steeds verder het malse weiland van de buurman in. Vonden we geen goed idee.

Dus ik heb een dagje Rijkswaterstaat gespeeld en bedacht hoe de nieuwe loop van het pad moest komen. Daarvoor was ook wat snoeiwerk van de houtwal nodig, trouwens, want die was aan de binnenkant helemaal lekker uitgegroeid.

 

Daarna was het wachten op beter weer en op tijd in de agenda van de loonwerker. In de tussentijd heb ik de gesnoeide takken verhakseld tot mooi mulchmateriaal om straks de moestuinbedden mee aan te leggen.

Op 19 september kon de loonwerker beginnen. Ze hebben er twee dagen over gedaan, maar nu is er weer een pad! Wat heet pad, het voelt als een snelweg! Wat een luxe om met droge voeten naar de brievenbus te kunnen! (Hoewel ze het dit keer minder netjes hebben gedaan dan de eerste keer, het ligt nog wat hobbelig en er ligt nu wel een èrg brede strook zwarte grond langs. Maar de voorman heeft me bezworen dat er nog iemand komt om het netjes af te werken…)

Storm!

Gisteren was de eerste echte storm sinds we hier zitten. Spannend, want ik vroeg me al weken af hoe ons provisorisch gerepareerde dak het zou houden bij harde wind. Op sommige plekken bestaat het dak namelijk uit niet meer dan een plastic zeiltje. En op heel veel andere plekken hoeft er maar één dakpan scheef te waaien of een zeiltje om te slaan om enorm veel regen naar binnen te laten lopen. Erg fijn dus dat er een overzichtelijke storm kwam: één dag en met de hardste wind ook nog overdag. Kon ik mooi in de gaten houden wat er gebeurde.

Dat gaf bovendien ook de kans om lekker over het terrein te lopen en er daar achter te komen waar het het hardste waait. Gek genoeg lijkt zo’n storm (en de regen) altijd erger als je binnen zit dan wanneer je er daadwerkelijk in loopt. En zelf vind ik het dan op het platteland ook nog minder erg dan in de stad.

(Kleine kanttekening: het was minder aangenaam om erachter te komen dat van de twee paar oude laarzen die hier staan één rechter en één linkerlaars lek bleek te zijn. Oké, het was nog vervelender als er twéé rechter- of linkerlaarzen lek waren geweest. Dan had ik moeten hinkelen. Nu liep ik wat onevenwichtig door het veld met één halfhoge laars maat 41 met een dunne sok en één hoge laars maat 43 met twee paar dikke sokken erin. Op het lijstje ‘kopen’: nieuwe laarzen.)

Het is meteen te merken dat onze houtwallen (en de houtwallen verderop) héél veel wind breken. En de Grote Eik beschermt het erf tegen de hardste windstoten. Ze maken veel lawaai, maar als je erachter staat merk je eigenlijk relatief weinig van de wind. Nou ja, het waaide natuurlijk wel hard, maar niet dat je van de voet geblazen wordt of zo. De wind is hier duidelijk minder dan aan de kust van Noord-Holland (waar ik opgroeide). En je hebt niet van die vervelende wervelingen en ‘windtunnels’ die tussen de bebouwing in de stad kunnen ontstaan.

Natuurlijk: alles wapperde en klapperde wel. En op een zeker moment schoot één stuk plastic (dat na de asbestsanering de waterkerende functie voor een stukje stal heeft overgenomen) los. Gelukkig was ik er toen bij, dus kon ik het snel weer vastzetten met ducttape en nietjes.

De fantastische daglicht doorlatende oplossing bij de hoge deuren in de wagenschuur: plastic met ducttape en een oud douchegordijn met badeendjes 🙂

So far, so good! Enige kanttekening is nog wel dat dit een zuidwesterstorm was. Van een storm die uit het westen tot noordwesten komt zullen we meer last hebben. Aan die kant ontbreekt onze eigen houtwal en is het landschap ook een stuk ijler. En noordwesterstormen houden meestal langer aan dan één dag. Dus we duimen nog even door voor een paar rustige (en zachte) winters, tot de bouw klaar is.

Ik duim trouwens ook voor droog weer. Vooralsnog wordt er alleen maar regen en nog meer regen voorspeld. Dat betekent dat het nog wel even zal duren voor de loonwerker ons pad kan komen repareren.

 

En weg was de weg weer!

Zo’n groot project als het onze bestaat uit allemaal sub-projecten, die allemaal weer hun eigen eisen en voorwaarden en steeds kleinere sub-projectjes met zich meebrengen. Die dan, bij nader inzien, helemaal niet zo klein zijn. Zo is daar: de bouw van het huis. Daarvoor willen we eerst een werkplaats bouwen. Maar om op de plek van één van de oude schuren een werkplaats te bouwen moest eerst het asbest van die schuur gesaneerd. Maar omdat tijdens de aanleg van het helofytenfilter het pad deels aan gort was gereden, moest dat eerst gerepareerd. Anders kon de asbestsaneerder het terrein niet op.

Dat hadden we laten doen. Dus konden gisteren de asbestmannen weer aan de slag. Om half acht stonden ze op de stoep. (Nou ja, op het erf dus. Van een stoep is geen sprake, we hebben buitengewoon weinig verharding op het terrein.) Bij de vorige ronde woonden we nog in Amersfoort, nu kon ik het allemaal (vanaf een veilige afstand) gadeslaan.  Voor zo ver ik naar buiten wilde dan, want er viel een onophoudelijke regen. Op zich prima om de  vrijgekomen asbestvezeltjes meteen uit de lucht te wassen. Maar het deel van het pad wat de loonwerker nog níet met puin had verhard werd allengs drassiger…

Nog even schrikken toen bij het verwijderen van het dak dat deel van de schuur spontaan instortte. De draagconstructie was blijkbaar toch verder verrot dan we dachten.

 

Om half vier was het gedaan en wilden de mannen wegrijden. En toen ging het mis. Door combinatie van 50 mm (?) regen en toch het nodige heen-en-weer-gerij was het pad te zacht geworden. Binnen no time zaten de mannen vast.

Uiteindelijk moest de loonwerker uit het dorp als reddende engel optreden. Gelukkig was die net thuis. Maar nu is wel duidelijk dat we toch echt wat dieper in de buidel zullen moeten tasten en het hele pad moeten laten voorzien van een dikke puinlaag. Dat betekent dan ook het einde van een deel van het mooie microreliëf, want daar blijft natuurlijk weinig van over als de kraanmachinist er bij de aanleg van het pad overheen gaat rijden.

Voorlopig zitten we weer even geïsoleerd, achter een pad van 300 m dat deels uit netjes puin, maar deels uit zuigende modder bestaat. En gezien het weerbericht zal het nog wel even duren voor dat weer is opgedroogd… Wat een avontuur!

 

Fruit uit eigen tuin

Al weken zie ik op allerlei wildpluk- en eetbare-planten-pagina’s berichten voorbijkomen over het goede bramenjaar en hoeveel liters bramensap mensen wel niet gemaakt hebben van de overdadige oogst. Terwijl de -overvloedig aanwezige- braamstruiken hier enkel nog onrijp fruit vertoonden. Het is duidelijk dat hier in Het Noorden het groeiseizoen later begint.

Maar nu is het eindelijk zover: massa’s bramen. En vlierbessen. Voorlopig de enige fruitoogst. We hebben op ons terrein heel wat bomen staan, maar wat nadrukkelijk ontbreekt zijn fruitbomen. Welgeteld één kersenboom (maar dan wel een hele grote) staat er. Maar die heeft dit voorjaar overdadig gebloeid en vervolgens niet één enkele kers gegeven, dus daar verwachten we niet teveel van. De komende maanden willen we dus heel wat fruit aanplanten.

Vooraleerst bramen en vlierbessen plukken. En verwerken, want bramen zijn rauw ook lekker, maar vlierbessen niet. Je kunt er natuurlijk jam van maken, maar om heel eerlijk te zijn – ik máák altijd wel jam, van van alles en nog wat, maar we éten het nauwelijks. De potjes jam stapelen zich op in de voorraadkamer, totdat ik uit wanhoop pannenkoeken ga bakken (op de één of andere manier vind ik jam op pannenkoeken veel lekkerder dan op brood).

Bramen plukken is jeugdsentiment. In de achtertuin van mijn ouderlijk huis groeide een bramenstruik. Met gemene stekels, maar heerlijke vruchten. Die aten we als toetje, met vanillevla. In Amersfoort heb ik verschillende keren een doornloze braam aangeplant. Zonder uitzondering bloeiden ze prachtig en gaven ze vervolgens volkomen smakeloze, droge vruchten. Die heb ik er dus subiet weer uitgemieterd.

Hier op het landgoed  staan heel veel braamstruiken. Allemaal met stekels, maar met grote verschillen in smaak van de vruchten. De lekkerste groeien over het varkenskotje heen. Uiteraard moeilijk bereikbaar, omdat (dankzij de varkensmest?) de brandnetels daar ook tot schouderhoogte staan. Maar de beloning is groot: heerlijk sappig fruit uit eigen tuin. Misschien moet ik ook maar weer eens vanillevla gaan kopen, dat hebben we ook in geen jaren gegeten.

En de rest? Die verwerk ik, samen met de vlierbessen, tot sap en siroop. En een lekkere vlierbessen-bramenport. Dat soort inmaak  gaat er bij ons altijd veel sneller doorheen dan jam 🙂

 

 

 

Werkverdeling, leiding en glazen plafond

Tot mijn schrik zie ik dat ik maandag wel een blogje heb geschreven, maar niet op de site gezet. Dus bij deze alsnog…

Joris had afgelopen week een weekje vrij genomen. Zo konden we wat klussen doen waarvoor we echt met ons tweeën moesten zijn. Over het algemeen hebben we een duidelijke werkverdeling waar het op constructief werk aankomt: Joris doet houtbouw, dingen die op netjes zagen aankomen en elektra, ik doe zand, stenen, plastische materialen (zoals pleister en cement) en schilderwerk. Destructief werk (slopen) doen we gezamenlijk.

Dus Joris heeft eindelijk ons Glazen Plafond in de keuken vervangen.

Het Glazen Plafond toen het nog in werking was (foto van Willemien, met dank!)

Het keukentje van de boerderij grenst niet aan een buitenmuur. Oorspronkelijk waarschijnlijk wel, maar bij de verbouwing waarbij de nieuwe stal is gebouwd is het helemaal inpandig geworden. Ramen om daglicht binnen te laten waren dus niet mogelijk.  Daar had de oude meneer (of zijn ouders) iets op gevonden. Bij wijze van plafond had hij twee oude ramen over de keuken gelegd. En een deel van het dak van de stal erboven had hij ook vervangen door glasplaten. Die glasplaten zitten gewoon een beetje tussen de panlatten en de dakpannen erboven geschoven. En het Glazen Plafond in de keuken lag netjes horizontaal. Bij regen druppelt er dus water door de glasplaten, wat op het Glazen Plafond bleef staan. Of erlangs de keuken in liep, dat hing een beetje af van de windrichting. Bovendien pasten de ramen niet helemaal, dus aan alle kanten waren kieren met voldoende ruimte om de dikste muis (of rat) binnen te laten. Daarom was er ooit een stuk plastic overheen getrokken. Dat was uiteraard flink smerig geworden. En gedurende de leegstand (of misschien zelfs toen de meneer er al woonde), had er een beest (bunzing?) op gebivakkeerd en als souvenir een stapel vodden, drollen en afgeknaagde muizen- en vogellijken achtergelaten…

Dat wás het Glazen Plafond

Joris heeft het geheel vervangen door een ordentelijk plafond van de lexaanplaten van Rik. Nog steeds daglichtdoorlatend, maar afwaterend, enigszins isolerend, met een stuk minder kieren en niet meer het gevoel dat de glazen ruiten ieder moment uit hun rotte sponningen op je kop kunnen vallen. Wat je noemt een verbetering.

Verder hebben we maar eens een minikraanmachine gehuurd om (tijdelijke) riolering aan te leggen en de tijdelijke waterleiding onder de grond te leggen.  Tot nu toe loosden we op de oude septic tank van de boerderij, maar die begon aardig vol te raken en bovendien stonk het. Nu het nieuwe afvalwaterzuiveringssysteem er is willen we daar op lozen ook!

Graven valt duidelijk onder mijn afdeling: daar heb ik ooit voor doorgeleerd. Zij het dan ook niet voor het bedienen van de kraanmachine. Ik was wel erg blij dat we een kraantje hadden gehuurd, want met alle stenen en boomwortels die in het erf zitten was het anders nooit gelukt om in één dag 35 m rioleringssleuf en 30 m waterleidingsleuf te graven. Het aanleggen van de riolering (met niet teveel en niet te weinig afschot) ging eigenlijk verbazend goed. We hebben buizen gekocht die in elkaar klemmen en niet gelijmd hoeven te worden. Deze riolering is immers tijdelijk; na de verbouwing kunnen we de buizen dus weer opgraven en hergebruiken.

Een interessante vondst tijdens het graven van de sleuf voor de waterleiding: onder het betonnen paadje bij het deurtje van de werkplaats ligt een ouder paadje van veldkeien. En daaronder lag een potje ingemaakte sperziebonen begraven. Een wonderlijke plek. Joris opperde de theorie dat het om een ‘bouwoffer’ bij de bouw van de schuur zou gaan. Maar hoewel onze buurman (die hier geboren en getogen is) blijft herhalen dat het hier een achterlijke streek was, lijkt het me onwaarschijnlijk dat de gewoonte om bouwoffers te brengen hier tot na de Tweede Wereldoorlog in zwang is gebleven. En persoonlijk denk ik bij een bouwoffer toch meer aan een zwart stierkalf zonder enig vlekje, of zoiets. Niet aan een pot geweckte sperzies.

“Nou ja, die mijnheer was ook nogal zuunig…” zei Joris.

Al met al mogen we terugkijken op een productieve week. De tijdelijke waterleiding ligt nu veilig voor de vorst onder de grond, ons afvalwater gaat naar de nieuwe septic tank (nu alleen nog even de pomp op de elektra aansluiten – dat is Joris’ werk, dus – en dan is dat hele systeem in werking), we hebben de nieuwe septic tank maar meteen gevuld met het afvalwater uit de oude tank, zodat de rietplantjes binnenkort water en voeding krijgen, de architect heeft de oude boerderij helemaal ingemeten zodat hij aan nieuwe tekeningen kan beginnen en er staat weer een ronde asbestsanering gepland.

Weer een weg

Het toegangspad was dus ernstig aan reparatie toe. Dus toch maar de loonwerker ingeschakeld. Die heeft op de ergste 50 meter (in de bocht) netjes een laag schoon puin aangebracht. En omdat de weg daar door een kuil liep (waar dus al het water heen liep) ook een drainagebuis onder het pad aangebracht en een greppeltje gegraven naar de sloot. Nu kunnen we weer zonder problemen bij het huis komen!

Toen hij de zode eraf had geschraapt was te zien dat het oorspronkelijke toegangspad nog veel dichter langs de eikenrij liep. Zuinig om het weiland heen. En zuinig verhard, met één rijtje steentjes per bandenspoor (op de foto zie je het rechter spoor; het andere ligt inmiddels onder de begroeiing). Wij hebben nu een wat ruimere bocht door het weiland aangelegd, anders kan straks het bouwverkeer de bocht niet maken. En ook omdat we het hazelaarsbosje willen ontzien, dat ooit vlak langs het pad stond, maar intussen er overheen is gegroeid.

Nu ligt er een nette, goed berijdbare, 3 m brede puinbaan, ietsje hoger dan het weiland. De zijkanten zijn afgewerkt met de zode die eronder vandaan kwam. Het ziet er nu een beetje kaal uit, maar op den duur zal het geheel wel weer groener worden.

Door al het heen-en-weer-gerijd zal het microreliëf van het weiland wel schade hebben opgelopen. Dat is jammer, want het is een aspect van het landgoed waar ik heel blij mee ben. De oude mijnheer heeft  het nooit laten egaliseren. Daardoor is het natuurlijke hoogteverschil (van ruim 3 m!) in het perceel bewaard. Maar ook is op de website van Actueel Hoogtebestand Nederland nog te zien hoe het perceel vroeger was ingedeeld en waar tot de ruilverkaveling een ander boerderijtje heeft gestaan. Waarschijnlijk is dit één van de laatste plekken in Nederland waar nog nooit een bulldozer overheen is gegaan! Ik probeer die lijnen in het veld nu terug te vinden (dat valt nog niet mee), zodat ik ze in ere kan herstellen.