Eigen vee!

Eén van de redenen om buiten te gaan wonen was, dat ik zo graag geiten zou willen. En dan zelf melken. Land genoeg hier. Maar… geiten (melkgeiten althans) kunnen niet goed tegen langdurige kou en nattigheid. ’s Winters heb je een stal nodig. En die hebben we niet. Nou ja, nu nog wel. Maar zodra de werkplaats af is gaat die tegen de vlakte.

(NB: in de moderne geitenhouderij staan de dieren meestal zomer en winter op stal. Met zijn 1500-en tegelijk. “Ja”, zegt de boer dan, “maar ze wíllen ook helemaal niet naar buiten. Als je de deur open laat komen ze meteen weer binnen.” Tja. Dat zie je ook wel bij kinderen. Die hangen vaak ook het liefst binnen voor de tv. Maar of dat nou het beste voor ze is?!)

Nu heb ik vier jaar geleden een maandje als ‘stagiaire’ meegelopen op de Ouwendorperhoeve in Garderen. Adriaan en Nelleke dachten ook ooit over geiten. Maar hun schuur, hoewel een stuk beter dan wat wij hebben, was ook aan de kleine kant om een volledige geitenkudde in te huisvesten. Zij kozen daarom voor melkschapen. En dat is een succes. Nelleke maakt fantastische schapenkaas en schapenyoghurt.  (En ze verkopen héérlijk lamsvlees en varkensvlees en nog veel meer, dus als je in de buurt van Garderen woont, of er langs komt op weg naar je vakantiebestemming: ga er vooral even shoppen!)

En wat later in hetzelfde jaar liep ik een maand mee op Farm Camping Lazy in  Slowakije, waar Arnold en Bernadette om vergelijkbare redenen eveneens kozen voor melkschapen. Zij hebben dan wel geiten erbij, maar dat zijn Slowaakse geiten, die net wat minder kleinzerig zijn dan Nederlands vee. (Overigens geldt voor Lazy hetzelfde als voor de Ouwendorperhoeve: een aanrader! Maar spring niet meteen in de auto, in het hoogseizoen zijn ze hartstikke vol, zó leuk zijn ze. In het naseizoen kan je er altijd terecht voor een week genieten.)

Dus melkschapen leek een goed alternatief voor geiten. Maar momenteel komen er maar weinig melkschapen op de markt (om de één of andere reden is Nederlands vee momenteel erg geliefd in Rusland en wordt er heel veel opgekocht voor Rusland).Uiteindelijk wist Nelleke wat voor me te vinden: bij de houder van het Stamboek Fries Melkschaap waren dit voorjaar twee bonte ooitjes geboren.

Dat kán helemaal niet: Friese melkschapen zijn wit, en deze dames komen van twee onberispelijk witte ouderdieren, met een onberispelijk witte stamboom. Maar tóch zijn ze gevlekt. En wij vinden dat eigenlijk juist heel leuk. Blijkt dat zo’n kleine soortgroep toch nog verrassingen kan herbergen!

Welkom dus, bonte schaapjes. En uiteraard zijn deze twee dames vernoemd naar bovengenoemde boerinnen. Maar Nelleke en Bernadette vonden we te lange namen voor een schaapje – het zijn Nelly en Babette geworden. Die inmiddels al naar me binnen te roepen als ze me zien, graag komen knuffelen en uit de hand eten. Knuffelschaapjes!

 

 

Tocht en vocht

De dagen vliegen letterlijk voorbij, er is nooit tijd om alles af te maken. Ook hier in Friesland is het kurkdroog. De boer heeft het gras weer gemaaid – waarschijnlijk voor de laatste keer dit jaar. Vorig jaar kwamen er drie sneden vanaf, dit jaar verwacht hij niet meer dan twee.

Toch zijn we erg bezig met tocht en vocht uit de werkplaats te houden. Van binnen naar buiten bestaat die (nu) uit drie lagen: binnenin OSB, dan het houtskelet gevuld met vlaswol en daaromheen houtvezelplaten. Aan de binnenkant komt er nog leem tegenaan; aan de buitenkant potdekselplanken. Daarmee is het mooi damp-open en vocht-regulerend. Maar tocht het niet?

De meeste huizen tochten enorm. Vaak is dat maar goed ook, want die zijn met moderne materialen damp-dicht gebouwd.  Dan moet er dus heel veel ventilatie zijn, om waterdamp, CO2 en andere gasvormige zaken naar buiten te krijgen. Maar met (ongecontroleerde)  ventilatie gaat ook heel veel   warmte verloren. Hoeveel een huis tocht, kan je bijvoorbeeld laten zien door het vol rook te zetten, zoals hier te zien is.

Hoewel we een werkplaats bouwen en geen huis, willen we het zo goed mogelijk doen. Dus dat betekent: zoek de zwakke plekken in de luchtdichte laag op (de OSB laag). De aansluitingen met de kozijnen, de deuren en het houtskelet zijn allemaal afgeplakt met luchtdichte, dampopen tape, voor de isolatie er in ging. En nu doen we hetzelfde voor vocht, want er mag natuurlijk geen vocht in de muren gaan stagneren. Dus de aansluitingen van de houtvezel platen met de kozijnen, de deuren en het houtskelet plakken we ook allemaal netjes af met tape. Daarbij zorgvuldig van beneden naar boven en van binnen naar buiten werkend, zodat nergens plekken ontstaan waar ook maar een druppel water die tussen de planken door waait zou kunnen blijven staan.

En dat is énorm veel werk!

(Want ik schrijf het zo even snel op, maar ladders neerzetten, lijm op de houtvezelplaten aanbrengen, laten drogen,  lijm van je handen af krijgen, met tape de ladder weer op klimmen, tape onder en tussen de daksporen aanbrengen was 1 dag werk. Volgende dag: bovenkant van de houtvezelplaten insmeren en tape aan de bovenkant van de overgang dak-muur aanbrengen. Dan de kozijnen nog. En de hoeken. En…)

Vervolgens brengen we aan de onderkant ‘kantplanken’ aan: de ‘regenlaarzen’ voor de werkplaats. Die zijn niet dampopen; zij beschermen aan de buitenkant de onderkant van de muren tegen spatwater en water dat langs het potdekselwerk naar beneden loopt. En dan zijn we eindelijk zover dat Joris de potdekselplanken kan aanbrengen!

Voor de bouw is het natuurlijk heerlijk dat het zulk droog weer is. Maar al die mooie boompjes die ik afgelopen winter heb geplant staan ernstig te verdrogen. Ongelooflijk dat we een half jaar geleden nog zoveel water op het land hadden!  De regenbakken staan droog en ik kon niet meer slapen omdat mijn schouders zeer deden van het slepen met gieters. Dus hebben we twee IBC containers gekocht. Daarmee kunnen we water naar de boompjes brengen. Daar zijn we iedere avond uren mee in touw.

Leidingwater gebruiken voor irrigatie, en dan ook nog het met diesel ter plaatse brengen… eigenlijk zeer tegen mijn principes. Maar we hebben geen keuze, als we willen behouden wat ik afgelopen jaar geplant heb!

 

Vlaswol

We bouwen een goed geïsoleerde werkplaats. Als je wilt isoleren met natuurlijke materialen zie je al snel door de bomen het bos niet meer. Stro, (kalk)hennep, gerecyclede spijkerbroeken, cellulosevlokken, houtvezelplaat, schapenwol en vlaswol. Dat laatste gebruiken wij. Waarom?

We hebben ons er een beetje in verdiept. Het lastige is dat gezaghebbende websites zoals DuurzaamThuis en MilieuCentraal volkomen tegengesteld advies geven. Dus we zijn op ons eigen gezond verstand afgegaan. Glaswol is akelig spul, dat willen we sowieso niet gebruiken. Schapenwol komt meestal van ver, evenals kurk. Papier en cellulose lijkt ons op de lange duur niet vochtbestendig. Datzelfde geldt voor gerecyclede spijkerbroeken: als je een katoenen theedoek een jaar in de tuin laat liggen valt-ie uit elkaar. Vlas- en hennepvezels werden vroeger gebruikt om touwen te maken waarmee een beetje zeventiende eeuws schip de halve wereld over voer. Dus die zijn toch wat robuuster. Waarbij vlas net wat beter schijnt te isoleren en een stuk goedkoper is. En onze architect adviseerde het ook.

Het is makkelijk  te verwerken, dampopen en natuurlijk. Maar… volgens de website van Milieu Centraal scoort het minder goed dan steenwol en glaswol. Milieu Centraal beschouw ik toch altijd als een autoriteit. Toch eens achteraan gebeld. Wat blijkt: MilieuCentraal beoordeelt de producten niet zelf, maar gaat af op rapporten die een fabrikant door één of andere centrale instantie kan laten opstellen. Maar MilieuCentraal deelt daarbij ‘minpunten’ uit bij de vergelijking, als het beoordelingsrapport te oud is. Dus Isovlas BV zou een nieuw rapport moeten maken, alleen om dat te voorkomen. Vreemd.

Een wij kunnen er gewoon niet met ons verstand bij dat steenwol milieuvriendelijker zou zijn dan vlaswol. Het is een afvalproduct van de kledingindustrie, uit een hernieuwbare grondstof. Dus toch maar voor vlas gekozen. Het werkt inderdaad prettig. Wel erg jammer is de hoeveelheid verpakkingsmateriaal: de dekens zitten per twee of drie verpakt in enorme plastic zakken, die opgestapeld op een pallet arriveren met nog meer plastic er omheen. Dat zou Isovlas eigenlijk weer moeten innemen voor hergebruik of recycling, vinden wij.

Joris heeft de maatvoering van het houtskelet precies afgestemd op de afmetingen van de vlaswoldekens, dus de grote vlakken zijn in no time op te vullen. Vanzelfsprekend geldt dat niet voor alle kleine stukjes boven de ramen en de schuine stukjes van het dak- die kosten veel meer tijd. Daarna wordt het volledige houtskelet ingepakt met dampopen houtvezelplaten en dáárop komen potdekselplanken. Aan de binnenkant zit al OSB, daaroverheen komt dan nog een stucplaat waarop ik me straks mag uitleven met leemstuc.

Al met al een heel werk. Het gaat dan ook een stuk langzamer dan we        hadden gehoopt. We dachten vorig jaar dat we al in maart in dit stadium zouden zijn. “Anything worth having is worth waiting for”, houden we onszelf maar voor.

 

Opgraving aan huis

Lange dagen, veel te doen. Onkruid wieden, verder bouwen aan de werkplaats, ridderzuring uitsteken (oef!), zware balken ophalen die iemand weg wil doen  en af en toe ook wat leuks, zoals een kunsttentoonstelling met muziek bij vrienden in de tuin.

Tussen de bedrijven door timmer ik af en toe een beetje verder aan het varkenskot-cum-schapenstalletje. En al timmerend viel mij op dat er ook erg veel stenen vóór het varkenskot lagen. Zou het…?

En ja hoor. Onder een 5 cm dikke zode van gras en buitengewoon taaie brandnetelwortels komt een bestrating vandaan, van hergebruikte bakstenen, ooit netjes in verband gelegd.

Als archeoloog wil je meteen verder onderzoeken. Hoe ver zou de bestrating doorlopen? Maar ik kan telkens maar een klein stukje doen. Ik heb mijn schouders, elleboog èn onderrug overbelast bij het uitsteken van de ridderzuring.  En de gras-en-brandnetelzode is ook vreselijk taai en zwaar.    Dus dat blijft nog even een verrassing…

 

Hooistress

Het grootste deel van ons weiland is weliswaar gemaaid door de boer, maar tussen de afgelopen najaar geplante boompjes (het begin van een voedselbos) durfde de boer niet goed te komen. Dus er stond nog aardig wat gras op het land. Nu zijn er twee scholen wat dat betreft.

De ene zegt: “Maaien Moet! Als je het gras laat gaan, valt het om en gaat het vervilten en verruigen! Er komen bramen en brandnetels en ellende! Bovendien concurreert de dichte grasmat met de oppervlakkige wortels van je fruitboompjes!”

De andere zegt: “Laat De Natuur Haar Gang Gaan! Vooral niet ingrijpen! Er ontstaat vanzelf een natuurlijk successie, onder de vegetatielaag kan het bodemleven zich ontwikkelen en uiteindelijk winnen de bomen!”

Tja. Voor allebei is wat te zeggen. Mijn idee is om in elk geval de eerste jaren te maaien en het hooi af te voeren. Daardoor geef ik de bomen iets meer ruimte en verschraalt tegelijkertijd de bodem een beetje , wat meer ruimte schept voor wilde planten. Maar dan is het wel zaak tijdig te maaien, als de grasplanten hun energie nog in groei aan het stoppen zijn en mals jong blad hebben. Ben je te laat, dan gaat alle energie in het zaad zitten. Dan heb je stengelig hooi met lage voedingswaarde, en valt het graszaad tijdens het bewerken van het hooi weer terug op de bodem. Dus verschralen doe je dan ook niet echt meer.

Bovendien loopt mijn vaste ochtendrondje-met-Aska een stuk door het weiland. En van dat hoge natte gras is dan niet echt lekker om door te lopen.

Door het warme weer stond de witbol, een grassoort met zachte roze pluimen, intussen prachtig in bloei. Een schitterend gezicht in het avondlicht, vooral in contrast met het gemaaide stuk, waar inmiddels al weer jong groen gras staat. Maar wel tijd om te maaien dus. Maar hoe? Ik heb het geprobeerd met de zeis. Maar ik kan nog altijd niet goed haren. En met een zeis die niet scherp genoeg is, is het lastig maaien.

Tweede Pinksterdag heeft Hans een groot stuk met de balkmaaier gemaaid. Dat was heel fijn, en we dachten dat we in ieder geval t/m het weekend zouden hebben om het droog en binnen te krijgen. Gelukkig maar, want ik had een drukke week op kantoor en veel afspraken buiten de deur. Dinsdagavond heb ik tot 22.30 het gras met de hand gekeerd. Dat was meer werk dan ik dacht en ik kwam maar tot halverwege.

 

Woensdag meldde het KNMI opeens dat er donderdagavond al regen verwacht werd! Dus toen werd het een race tegen de klok. Want Hooi Moet Op Tijd Droog Binnen Zijn. Woensdagavond heb ik gras gekeerd tot het te donker werd om te zien wat ik deed. Intussen harkte Joris het gras wat al gekeerd was op rijen tot zijn handen vol blaren stonden.

Donderdag had ik eigenlijk twee afspraken in Utrecht. Maar ik heb er één afgezegd, was om 14.45 thuis, ben snel uit mijn kantoorkloffie en in een spijkerbroek geschoten en verder gaan harken. Steeds met één oog op Buienradar: rond 18.00 zou de loonwerker komen en rond 18.00 zou het gaan regenen…

Stipt om 18.00 kwam de loonwerker en perste het gras waar ik urenlang als een dolle over had lopen harken in welgeteld zeven minuten tot 26 balen. En het regende nog niet!

Met hulp van onze fantastische buren Marja en Rob, en met behulp van Joop de bestelbus heb ik het hooi binnen opgestapeld gekregen vóór het ging regenen.  Echt klassieke boerenstress.

“Mooi werk”, zei onze boer. “Maar, nu je hooi hebt kan je ook wel eens wat vee aanschaffen, vind je ook niet?”

😉

Varkenskot

najaar 2016

In een hoekje van ons erf staat een oud varkenskot. Toen we het aantroffen was het in elkaar gezakt, overwoekerd met bramen en, net als alles, volgepropt met zooi. De ergste zooi hebben we er al snel uit getrokken. Daaronder bleek een laag oude varkensmest te zitten. Minstens dertig jaar oud, want zo lang wonen onze buren hier en die kunnen zich niet heugen dat de oude mijnheer ooit varkens had. Uitstekende mest voor de moestuingewassen met een grote stikstofbehoefte. Vorig najaar heb ik de mest een beetje op een hoop gegooid aan de ene kant van het kotje en de andere kant gebruikt om het oude hooi, dat we in een andere schuur vonden, droog op te slaan gedurende de winter.

maart 2017
december 2017

Inmiddels ligt het hooi als mulch op de moestuin, evenals een groot deel van de mest. Toen ik de laatste mest (en zand, stof, oud hooi, muizennesten en de gebruikelijk ondefinieerbare rommel) uit het kot aan het scheppen was, stuitte ik op stenen. En wat blijkt: onder de laag mest bevindt zich een heus stenen vloertje, gemaakt van oude brokken beton en metselwerk, aangevuld met losse bakstenen en bielzen. Wel een beetje verzakt, waarschijnlijk door ondergraving door muizen.

En toen het helemaal schoon was en ik ook de laatste oude planken die er waren opgeslagen eruit had gefrunnikt en de dertig jaar oude spinnenwebgordijnen had weg geveegd en een paar van de aller-rotste planken van de voorkant had afgetrokken zag het er eigenlijk nog helemaal niet zo slecht uit.

Momenteel heb ik er even wat vers hooi in opgeslagen dat op het land was blijven liggen nadat de boer gemaaid had. Het ruikt er meteen véél lekkerder. Maar ik begin voorzichtig te denken: zou het – met enig opknapwerk – bruikbaar zijn als stalletje, zodat we al vast wat van de vurig door mij gewenste geiten of schapen kunnen aanschaffen?

Groeiseizoen

 

Het voorjaar is vol losgebroken en we hebben het (dus) heel druk. De moestuin doet het goed: we eten al volop sla en raapsteeltjes en de aardappelen, uien, tuinbonen, snijbiet, bietjes, kapucijners en sugar snaps zien er al veelbelovend uit. Courgettes, patissons en pompoenen zijn uitgeplant,  pronk- stok- en droogbonen (Friese waldbeantsjes!) komen op en zelfs de heel laat gepote dahlia’s beginnen uit te lopen.

Het systeem met de moestuinbedden die eigenlijk bestaan uit één dikke mulchlaag lijkt redelijk te werken. Ik zie wel, dat de bedden die ik vorig najaar al heb aangelegd en waarin (1) een laag karton, met daarop (2) een laag gehakseld blad en twijgen, daarover (3) een laag hooi en daar bovenop (4) een laag compost ligt, het beste werken. De variaties, waarbij ik de laag gehakseld blad heb weggelaten, of zelfs ook de laag hooi, doen het minder goed, of de kweek komt er toch doorheen. Elke dag wieden dus, hopelijk raken zelfs kweekwortels ooit uitgeput.

Aan de slootkant van de moestuin bevond zich weer een klein mysterie; om onduidelijke redenen was daar een stuk landbouwplastic ingegraven, met daaronder weer tientallen van de inmiddels bekende kunstmest- en voederzakken. Als barrière tegen de ruige begroeiing (bramen en brandnetels) uit de slootkant? Of juist om te voorkomen dat vruchtbare aarde en meststoffen naar beneden de sloot in zouden in spoelen? Hoe het ook zij, het werkte niet (meer), want de wortels van brandnetels, bramen hadden er zich een weg door gevonden en de uitlopers waren er eenvoudig overheen gegroeid. Ik ben een dag bezig geweest om plastic,onkruidwortels en allerhande andere rotzooi die er tussen terecht was gekomen te verwijderen en zoveel mogelijk  kweekwortels uit de grond te zeven.

Wat ook steeds groeit is de werkplaats. Met het mooie weer heeft Joris een aantal dagen vrij genomen om daaraan verder te kunnen werken. Toen het houtskelet stond hebben we eerst de zoldervloer er op gelegd. Daarna heeft Joris alle muren dichtgezet en ‘stijf’ gemaakt met platen formaldehydevrije OSB. Dat was wel jammer van het mooie uitzicht…

Een kleine tegenvaller waren de ramen. Toen die arriveerden, bleken we ons verkeken te hebben op het verschil tussen glas- en kozijnmaat. Hoewel de gevelopeningen best groot zijn, vinden we de ramen zelf maar klein. Reden om meteen het ontwerp voor het huis weer aan te passen en daar grotere ramen in te verlangen. Tot ongenoegen van de architect, want het betekent ook dat de energieberekeningen en detailleringen weer moeten worden aangepast. We zijn dus nog stééds niet toe aan het indienen van de vergunningaanvraag. Maar dat geeft niet, want we kunnen toch pas gaan bouwen als de werkplaats helemaal af is.

Bart en Willemien kwamen helpen met de dakconstructie van de werkplaats. Gezamenlijk hebben we de kopse gevel en (het eerste deel van) de nokbalk er op gelegd. Erg handig dat we daarbij twee paar extra handen hadden, want dat viel nog niet mee! Joris heeft de overige sporen bevestigd terwijl Bart, Willemien en ik de laatste isolatie rond de fundering aanbrachten. Nu kan de grond rond de fundering weer aangestort worden. En opeens staat er een heel gebouw!

Tussendoor groeide ook het gras hard. Het weiland werd ronduit schitterend, vol paarde- en pinksterbloemen, donkere plekken met vossenstaart en hoge pluimen veldzuring. Maar op een zeker moment moest de boer toch komen maaien. Dat werd spannend, want ik heb natuurlijk overal allemaal boompjes geplant, die nog ,maar nauwelijks boven het gras uit kwamen. Ik heb een dag lang aan alle kleine boompjes lintjes lopen bevestigen, zodat hij ze goed zou zien. En met de zeis rond de boompjes gemaaid.

Helaas waren er toch nog wel veel plekken waar de boer niet bij kon komen met de machines. Dus ja, dan moeten we ófwel heel veel gaan zeisen, ofwel toch zelf een paar schapen nemen. Want de logeerschaapjes, die keurig een aantal moeilijke stukken hebben kortgeknabbeld, gaan binnenkort weer naar huis. (Jammer, ze doen het heel goed. Tot grote verrassing van de eigenaar kon ik op een zeker moment zelfs melden dat er ééntje totaal onverwacht een lammetje geworpen had!).

Joris heeft me voor mijn verjaardag vast een schrikdraadhek-apparaat op zonne-energie gegeven.

Behalve het gras zouden ook de blaadjes aan de bomen goed moeten groeien. En daar gaat het wat minder, want we hebben een beetje last van rupsen. Zeg maar gerust: een rupsenplaag! Sommige eiken lopen gewoonweg niet uit, ze worden finaal kaalgevreten. Als je onder de bomen staat hoor je de rupsenpoep op de grond tikken alsof het regent. Aska’s drinkwater is binnen een half uur bruin van de rupsenpoep die er in valt en nog geen half uur nadat je de tuintafel hebt schoongedweild ligt hij alweer vol met zwarte korteltjes.  Hele gordijnen van rupsen zweven aan glanzende draden door de lucht. En ieder rupsje wil maar één ding: ETEN!

De grote eiken gaan het wel overleven, maar ik houd mijn hart vast voor de nieuw aangeplante (fruit)bomen. ‘Zonder rupsen geen vlinders’ houd ik mezelf voor. Maar ja, ik hoop toch eigenlijk wel dat de boompjes het gaan overleven. Komend jaar maar héél veel nestkastjes ophangen?  ‘Every cloud has a silver lining’ zeggen ze in Amerika. En dat is waar. De kippen  zijn gèk op rupsen!

 

 

Het verleden van de boerderij

Een paar jaar geleden is er een boekje gemaakt over de geschiedenis van De Hoeve. Jammer genoeg is het niet meer verkrijgbaar, maar we hebben een exemplaar geleend van iemand van de biljartclub. (Joris heeft afgelopen seizoen meegedaan met de biljartclub, om mensen te leren kennen. Hij heeft subiet de seizoenspool gewonnen en begint het Stellingwarfs al aardig te verstaan.)

Tot mijn vreugde stonden er twee foto’s  in van onze boerderij. Maar weinig scherp en héél klein afgedrukt. Jammer genoeg is het digitale bestand met de foto’s voor het boekje verloren gegaan. Dus ik zette een oproep in de dorpskrant of er misschien nog iemand foto’s had van onze boerderij of de omgeving.

En toen werd ik gebeld door een vrolijke mevrouw, 80 lentes jong. Ze had geen foto’s, zei ze. “want toen hadden wij geen fototoestellen en zulke dingen”, maar ze had van 1938 tot 1961 in de boerderij naast ons gewoond. En ze wist nog wel het één en ander van onze boerderij. “Maar die zal nu wel afgebroken zijn. ”

“Nee hoor”, zei ik, “Dat gaat wel gebeuren, maar zover zijn we nog niet. Komt u een keer langs om het nog een keer te zien? ”

En dat werd een heel leuke middag!  Ze vertelde allerlei verhalen. Het meeste wat ze zich kon herinneren was nog uit de periode vóór 1954, toen Marten Haanstra hier woonde (de oude mijnheer van wie wij de boerderij gekocht hebben). Toen woonde de familie Hoornstra hier. “Vrolijke mensen, met veel kinderen”, wist ze te vertellen. En op de hoogte, midden op het terrein, was het huisje waar ‘tante Hildie’ woonde.

Naast de Uiterste Eik, waar een bocht in de sloot zit, heeft ook een boerderij gestaan, van Jan Veen. Die had geiten. Andries Hoornstra ging er een keer op zondag op de koffie en kreeg geitenmelk in de koffie. Maar die was blijkbaar niet goed meer (koelkasten zullen er toen ook nog wel niet geweest zijn) en Andries Hoornstra had de hele weg naar huis lopen kotsen. Ze had door dat verhaal nooit geitenmelk of -kaas willen eten. Terwijl haar moeder zei dat het onzin was, zij hadden vroeger thuis ook geiten en dat was prima melk.

Het zag er hier toen nog wel heel anders uit. Het Staatsbosbeheer-bosje was  er niet, dat was bouwland. Ze wist nog precies te vertellen welke stukken land van wie waren. Hun huis, waar nu onze buren wonen, ligt nu helemaal in het groen, maar lag toen in het open land. Er waren wel nog veel stukjes heide en meer houtwallen dan nu, al waren die wel lager. Met enige teleurstelling keek ze naar het hoge opschot van esdoorns op het kopse kantje van een oud houtwalletje. “Dat mag hier allemaal niet zijn, dit was een graskantje en daar zat ik altijd zo lekker in de zon, terwijl mijn moeder op de bouw (het bouwland, GK) aan het werk was!”

Alle boerderijen waren verbonden door smalle paadjes, vlak langs de sloot en de houtwallen, want “je was zuinig op het land!” Brede paden met ronde bochten  waar auto’s over kunnen rijden waren er niet, want niemand had een auto. De kleine keuterboertjes hier bezaten zelfs niet allemaal een paard. Dat werd geleend, als het tijd was om te ploegen of te hooien. De melkbussen werden wel met een auto opgehaald door de coöperatie. Dan zette je er een kleine bus bij, en die werd dan meteen bij de melkronde gevuld met gortepap, die in de fabriek in grote ketels gekookt werd.

Tegenover de uitgang van hun pad op de Ratellaan (toen ‘Klaeterlaene’ genoemd) liep een pad naar een andere boerderij, die ver achter in het land stond, bij de vaart. Daar woonde haar vriendinnetje, met wie ze speelde op het stukje heide wat daar nog lag “en wat mijn broer later heeft aangemaakt. Maar eigenlijk vind ik dat zonde, dat éne stukje hei had hij zo moeten laten”.

Over ons gras was ze wel te spreken. “Mooi kruderig. Mijn vader zei altijd al: dat is goed voor de beesten.”

En ook het interieur van onze boerderij riep allerlei herinneringen op. De ossenbloedrode balken in het kamertje wat er ooit is aangebouwd. “Die hadden we ook in ons oude huisje. Mijn moeder schilderde ze af en toe op, in deze kleur en dan met een geel randje erlangs. Wat een werk hè?”

Waar nu de twee slaapkamertjes zijn zat volgens haar oorspronkelijk de toegangsdeur. Waarschijnlijk in de keuken. Maar dat wist ze zich jammer genoeg niet meer precies te herinneren. Ook van de stal wist ze niets.” Daar kwam je niet zo, als meisje.”

“Ach ja, en hier zijn de bedsteden. Zo hadden wij ze ook in het oude huisje. En in het midden zat de deur van de diggelkast (servieskast, GK).”

“Maar hoe zat dat dan?”vroeg ik. Het zijn nu alleen maar twee ruimtes en die zijn amper 1,80 m lang. Daar past niet ook nog een kast tussen. Maar ze legde uit dat die kast met twee schuine wandjes van de bedstee was afgeschoten. Dus voorin was die bedstee nóg korter. Daar sliepen de jongste kinderen, met hun voeten tegen de schuine wand van de bedstee aan. De oudere lagen wat meer naar achter.

Nadat ik haar weer naar huis heb gebracht, met heel veel dank voor alle informatie, werd ik nieuwsgierig. Wat zou er nou achter het lelijke jaren ’70-fineer zitten waar de bedsteewand mee was afgetimmerd?

En voila. Een complete originele bedsteewand. Met diggelkast. De paneeldeuren waren opgevuld met zachtboard en restjes hout, de randjes waren met bruine ver bijgewerkt zodat ze niet zo opvielen langs de randen van het fineer en de deur van de diggelkast was omgekeerd (met de vlakke achterkant naar voren) vastgezet, om het aftimmeren te vergemakkelijken. Maar met enig hak- en breekwerk was alles los te krijgen. Dit oogt veel leuker dan de fineerwand!

 

 

 

 

 

 

 

 

Houtskelet

De week mooi weer was echt een cadeautje. Joris heeft twee dagen vrij genomen om er optimaal van te profiteren. En wat gaat het bouwen van de werkplaats dan opeens snel!

Toen het droog werd hebben we de fundering drie keer behandeld met een bitumenpasta. Dat is niet erg ecologisch of cradle to cradle. Maar omdat we de werkplaats verder in houtskeletbouw maken, moeten we er wel héél zeker van zijn dat er geen optrekkend vocht via de fundering naar de onderkant van je gebouw kan trekken. Afgelopen winter stond het grondwater in één hoek tot vlak onder de fundering.

Op de fundering heeft Joris een vloerregel bevestigd van Modiwood – grenenhout dat met een thermische behandeling is verduurzaamd. En daarop het houtskelet.

Eerst nog even met de trekker en de platte kar naar de houthandel om de (tot 5 m lange!)  balken op te halen. Zelf vonden we het erg grappig, maar niemand keek er van op of om.

En hop-hop-hop, in tweeëneenhalve dag staat het houtskelet voor de muren.  Nu kunnen we ook zien waar de ramen gaan komen en wat een prachtig uitzicht we gaan krijgen vanuit het kantoor! Helaas moeten we eerst weer even een poosje ander werk doen, terwijl het houtskelet in de regen staat…

 

Lente

En toen schoten de temperaturen ineens omhoog naar (hoog)zomerse waarden!  Nu bloeit de kers wel – het is één golvende, wiegende massa witte takken, gonzend van bijen en hommels. In het weiland knallen de paarden- en pinksterbloemen open en in de moestuin komen de kapucijners, peultjes en aardappelen op. Wat een paradijs!

Ik heb de kippen verplaatst naar een nieuw stukje, waar ze op het gras lopen. En meteen grote voorjaarsschoonmaak gehouden: het hele hok leeg gehaald, goed uitgezogen, van binnen schoon gemaakt met heet water en soda, nagespeeld met kokend water, alle kieren met de verfföhn droog gestoomd en alle kieren en houtwerk bestreken met een dikke laag witkalk. Hopelijk blijven we dan dit jaar verschoond van vieze bloedluis-uitbraken. De kippen lijken er wel tevreden mee.

Nadeel van de nieuwe plek is dat ze minder bosjes hebben om voor de buizerds te schuilen. Vorig jaar hebben we daar één kip aan verloren. Hopelijk houdt het feit dat wij nu dagelijks op het erf bezig zijn de  buizerds op enige afstand…

Kippenhok in ochtendmist en avondzon, romantisch onder de kersenbloesem

Er zijn kippen die het slechter hebben…