Nog meer betonstaal

Afgelopen weekend hebben we enorm hard gewerkt. Bovenop het schuimbeton komt de laag gewapend beton, de eigenlijke constructief dragende laag. Die wordt iets kleiner dan de laag schuimbeton (het schuimbeton steekt een paar decimeter onder het huis uit) dus daarvoor moest een nieuwe bekisting gemaakt worden. Eigenlijk was het plan om daarvoor de platen die we voor het schuimbeton hebben gebruikt opnieuw te gebruiken. Maar we wisten niet goed hoe we de bekisting dan konden vastzetten. Uiteindelijk toch maar nieuwe platen gekocht. We zullen ze nog wel een keer nodig hebben tijdens de bouw…

De architect en de constructeur hebben ons voor flinke uitdagingen gesteld in deze laag. Het is namelijk niet gewoon een 13 cm dikke betonplaat. Ter plaatse van de staanders van het gebint en van onze zware leemkachel moet de laag 20 cm dik zijn – dus 7 cm onder de bovenkant van het schuimbeton, met een tweede wapeningsnet erin. En rondom moet een extra opstaande gewapende rand komen. (Daarbinnen zal uiteindelijk de laatste laag schuimbeton gestort worden, maar dat gebeurt pas over een héle tijd).

 

Die extra verzwaring ter plaatse van de staanders en de leemkachel, daar gaan we wel in mee. Tenslotte draagt het gebint het hele gebouw en de kachel weegt ook wel een paar ton. Maar de opstaande betonrand onder de muur begrijpen we eigenlijk niet. De buitenmuren worden namelijk niet dragend. En houtskeletbouw met kalkhennep isolatie, dat weegt (in termen van bouwwerken) bijna niets. Is de constructeur toch uitgegaan van een bakstenen muur?

(Dat is dus iets waar we vragen over hadden moeten stellen toen we vorig jaar de tekeningen van de constructeur terugkregen. Maar daar hadden we toen al drie maanden op zitten wachten en we waren al lang blij dat we door konden. We gingen er vanuit dat het zo zou zijn als we met de architect besproken hadden. En nu is de vergunning op deze manier verleend en moeten we het dus netjes op deze manier uitvoeren. Wat we dan maar doen. Jammer als je probeert zo min mogelijk staal en beton te gebruiken. Nou ja, de fundering wordt in ieder geval héél stevig. Dat is fijn als iemand over honderd jaar, als wij allang dood zijn, het huis nog eens wil verbouwen.)

Joris is begonnen met rondom planken vast te zetten die exact de buitenmaat van de betonnen rand volgen (plus 2 cm, omdat er nog platen tegenaan komen). Daarna heeft hij rondom balkjes exact op maat gezaagd (uit oude balken van de sloop) en tegen de ‘oude’ bekisting van het schuimbeton vastgezet. Daarbinnen hebben we samen de platen (de bekisting voor de betonnen rand dus) met de laserwaterpas op exact de juiste hoogte ingemeten. Nu is te zien tot waar het beton precies komt.

Daarna heeft hij de ‘kooiwapening’ voor de betonnen rand aangebracht, terwijl ik het schuimbeton ter plaatse van de geplande poeren 7 cm verdiepte. Dat was allebei erg zwaar werk. Het schuimbeton is een soort puimsteen, relatief zacht dus, maar ook weer niet zo zacht als zand. En het is lastig om de bodem van de uitdiepingen mooi vlak te krijgen. Eigenlijk zou het het makkelijkst zijn als je al tijdens het storten van het schuimbeton  uitsparingen kon maken met een soort zwevende bekisting. Maar het is natuurlijk  onmogelijk om dat goed en op de juiste plek te krijgen. ‘Gewoon wegscheppen’, zei de aannemer. Het levert een beeld op wat me aan een Pompeïaanse opgraving doet denken. En spierpijn.

Intussen worstelde Joris met meters en meters loodzwaar betonstaal. De kooiconstructie was gelukkig al voorgeproduceerd, maar de segmenten moesten natuurlijk wel rondom aan elkaar gezet en er moesten ook nog L-vormig stekken doorheen gestoken. Daarna moest alles aan elkaar gezet met ijzerdraadjes. En daarbij controleren of het staal nergens dichter dan 2 cm tegen de bekisting zit (dat zou zorgen voor onvoldoende betondekking e dus betonrot.)

Kortom, na het weekend waren we allebei blij dat er weer wat kantoorwerk te doen is. Volgend weekend nog één laag wapeningsnetten aanleggen en dan kan weer de volgende laag beton gestort.

 

Schuimbeton 2

Gisteren  werd dan eindelijk de tweede laag schuimbeton gestort.  Het had nog wat voeten in de aarde, want ergens was iets mis gegaan in de communicatie en aanvankelijk kwam er maar een betonwagen met de helft van de benodigde hoeveelheid beton. Vervolgens liet de tweede wagen op zich wachten. En dat is niet goed voor schuimbeton…

Met een uur vertraging kwam de tweede wagen aan. Toen kon het schuimbeton al niet meer vlakgetrokken worden, de aannemer kon er niet gaan inzakken na het storten. Niet heel erg, dus we maken het oppervlak wel weer glad met de volgende laag (gewapend) beton. Voor de stevigheid maakt het niet uit en de isolatiewaarde van onze vloeropbouw is toch al gigantisch.

Hiermee is de fundering nog niet af. Er moet nog een laag gewapend beton op, en rondom komt nog een iets hoger liggende rand. Dat betekent nog twee bezoeken van de betonauto en nog een hoop gepuzzel met bewapening en bekisting de komende weken.

Kaas en wachten

Eindelijk ging het regenen. Dat was hard nodig voor de grond. Alleen betekende het, dat het storten van de tweede laag schuimbeton moest worden uitgesteld. Dat kan namelijk niet als het regent: dan tikken de regendruppels de schuimbelletjes kapot en heb je dus geen schuimbeton meer.

Op zich was ik erg blij met de regen. Het land is namelijk nog steeds kurkdroog. Het is zoeken naar goede plekken voor de hongerige schapen. om de twee dagen hebben ze het gras op en moet ik weer een nieuw weitje voor ze uitzetten. Ze geven nu allebei melk, dus ze hebben heel wat gras nodig.

En dat is best veel melk. Meer dan we consumeren als melk of yoghurt. Ik ben daarom hard aan het experimenteren met  kaasmaken. Vijf jaar geleden heb ik wel geleerd om kaas te maken, maar dat was in professionele kaasmakerijen, eerst van geitenboerderij de Grote Stroe en later op kaasboerderij de Kopermolen. Daar verkaasden we 1500 liter (koe)melk tegelijk. Dat is toch anders dan improviseren met 3,5 liter schapenmelk in een stacaravankeukentje.

Mijn grootste pan gebruik ik om de melk te laten stremmen; de één na grootste zit overvol met kokend water en al het andere materiaal.

Kaasmaken is een proces waar bacteriën bij komen kijken. Je moet uiterst hygiënisch werken om te zorgen dat wel de goede bacteriën in de melk komen, maar geen andere. In een professionele kaasmakerij gebruik je daarom onvermijdelijk best veel chloor. Maar daar kan ons helofytenfilter niet tegen. Ik kook daarom zoveel mogelijk materialen uit.

Kaasje na het persen (in de vorm) en ricotta die ik nog van de wei gemaakt heb in het vergiet

En een gecontroleerde rijpingsruimte met klimaatbeheersing hebben we al helemaal niet: de caravan is gewoon ongeveer de buitentemperatuur. Die is de afgelopen weken tussen de 35 en de 5 graden C geweest… het was dan ook een grote verrassing dat het eerste harde ‘Goudse’ kaasje na drie weken rijpen zowaar een smakelijk kaasje opleverde. Eens  zien of me dat een tweede keer lukt.

Ik probeer ook een goed recept te vinden voor een zachte schapenkaas, maar dat is nog niet gelukt. Nou ja, recepten genoeg (de meeste voor geitenmelk) maar het resultaat is nog niet naar mijn zin. Verder experimenteren dus. Gelukkig zijn er allerlei leuke Facebookgroepen die met me meedenken.

Intussen staat de koelkast vol met potjes en pannetjes melk, uitlekkende zachte kaasjes, ricotta, yoghurt en kefir, staan op ieder beschikbaar oppervlak kaasjes in verschillende stadia van rijping  en zit de wasmand vol met gebruikte stukjes kaasdoek. Hoe landelijk !