Op herhaling

Nu we weten hoe we het handig moeten aanpakken, dan ook meteen maar doorpakken. Afgelopen weekend de rode holle Muldenpannen ook op het andere dakvlak van de werkplaats gelegd. Ik had er al zoveel mogelijk van de zwarte oude holle pannen af gehaald (hoe vaak heb ik die dakpannen intussen in mijn handen gehad?). Vervolgens zaterdag de rest er af gehaald. Daarna heeft Joris alle panlatten verplaatst, ruiterfolie onder de nokvorsten gelegd en de nokvorsten vastgeschroefd. En op zondag hebben we het hele dak gedekt met de rode pannen. Wat een heerlijk gevoel, dat de pannen nu niet meer kunnen weg waaien en dat er geen sneeuw of regen meer onder kan komen.

Vóór…
Tijdens…

En na!
Wát een plaatje!

En de hele week lonkten de muurtjes… Na het eten zei Joris dan “het is nog wel even licht, we wassen zo dadelijk wel af…”en dan ging hij even nog een muurtje om meppen. En ik natuurlijk ook. Eerst de muurplaten eraf wrikken, en dan even kijken hoe stevig het nog was. Niet zo stevig, meestal.  Zeer bevredigend werk.  De oudste muurtjes zijn met kalkmortel gemetseld en die zijn zo om te gooien (met één hand, zonder handschoen aan…). De muurtjes die in de jaren ’60 zijn gemetseld zijn keihard, zij het dan ook vrijwel niet gefundeerd.

Een daar komt ons tijdelijke onderkomen achter de boerderij vandaan… eindelijk uitzicht!
Alleen de muren van de werkplaats staan nog!

Het schone puin wordt allemaal grondstof om het pad te versterken. Maar dat is natuurlijk ook wel een klusje.  Want of we het puin nu éérst breken en dan naar het pad verslepen, of eerst langs het pad leggen en ter plaatse breken, het is veel en zwaar werk. Maar wel bijzonder nuttig en zichtbaar werk. Wie heeft er zin om zich een dagje uit te komen leven en te zien hoe mooi de Hof in de lente is?

De beuk erin

Nu we eindelijk zover waren dat we wisten welke dakpannen we op de werkplaats wilden leggen (het logistieke dingetje waar we vorige zomer nog mee worstelden) èn ze netjes op pallets hadden èn het KNMI vier dagen mooi weer beloofd had moest het er maar van komen: afgelopen weekend pannen op het voordakvlak van de werkplaats gelegd.

Stap 1: Hond uit logeren sturen (Dankjewel Dorien en Jaap!)

Stap 2: Afrastering rond het erf weghalen zodat we er goed bij konden en de steiger konden opzetten.

Stap 3: Kapot gewaaide zeilen weghalen en panlatten op het dak bevestigen.

Stap 4: Met de trekker de pallets  dakpannen tot steigerhoogte optillen.

Stap 5: Pannen op het dak leggen.

Stap 6: Verbijsterd constateren dat we stap 4 en 5 in slechts een halve dag  met ons tweeën hebben uitgevoerd! (Nou ja, overstek, boeidelen, windveren en goten komen nog, daar denken we nu nog even niet aan.)

\

En toen was er dus nog tijd over om even te slopen. Het dakje van de ‘kantine’  was nog een projectje. Want toen we eenmaal de kozijnen eruit gehaald hadden begonnen de plafondbalken heel eng door te buigen. Durfden we niet meer op te klimmen. Joris was opnieuw creatief met de trekker en tilde het hele dak gewoon op, zodat hij rustig de halfsteens muurtjes eronder uit kon tikken.

Daarna trokken we het dak zó los. Het kamertje stelde ook niets voor. Het was aan het oorspronkelijke boerderijtje gebouwd in (waarschijnlijk) de jaren ’30. Halfsteens vrijwel ongefundeerde muurtjes, daarop wat balkjes van 5 cm breed en 7 cm hoog, daarop planken van hooguit 12 mm dik en daarop teerpapier. Ooit was het dak verzwaard door er een laag bitumen overheen te gieten en grint op te storten.

Toen het geheel toch ging lekken heeft de vorige bewoner er gewoon een nieuw dakje overheen gelegd. Verschillende tweede- of derdehands balken erop, tweedehands stukken golfplaat eroverheen, alles vastgezet met een heel assortiment aan schroeven, bouten en spijkers en hoppekee, het kon weer even mee.  Het moet gezegd worden: het lekte daar afgelopen winter niet. Maar het verbaast ons niet meer dat we het niet warm konden houden.

In de ruimte tussen de daken (dus bovenop het grint) vonden we een oude stofzuiger, een frisbee, verschillende blikjes, een gebruikt schuursponsje, heel veel plastic buizen, twee borden en allerlei stukken hout. Tja, wat moet je er anders mee, nietwaar?

En toen we het dak eenmaal hadden weggewerkt konden we gaan doen wat altijd zo LEUK is bij slopen: muurtjes omgooien. Dat is dan lastig stoppen…

Al met al een productief weekend.

Spontane hulp

Op zich zit er best wel vooruitgang in het project. Maar af en toe is het wat moeilijk om de moed erin te houden.  Vooral als het weer zich van zijn maartse kant laat zien en een koude noordwestenwind de ene bui na de andere tegen de ramen slaat. Zo’n afbraakproject ziet er dan ook niet heel opbeurend uit. Dan moet er af en toe Iets Leuks gebeuren.

En toen was daar Henk. Oud-brandweerman en veiligheidsexpert, en vooral: houdt zich creatief bezig met oude materialen een tweede leven geven. Hij kwam af op een Marktplaats-advertentie voor de paneeldeuren. En hij zag allerlei mooie toepassingen voor allerlei andere ‘doorleefde’ stukken hout die we anders gewoon de container in hadden gegooid.

In ruil voor een aanhanger vol sloophout en de jakobsladder (waar hij dan een kast van maakt) kwam hij een ‘dagje helpen’. Gewapend met professioneel gereedschap en een enorme werklust. Met ons tweeën sloopten we in één dag de hele houten betimmering van de voormalige hooischuur weg. Èn de zoldering boven de smeerputschuur. Èn een heleboel sloophout wordt nog een tweede leven gegund. Wat jammer dat we Henk niet eerder zijn tegengekomen!

Toen Joris thuis kwam wist hij niet wat hij zag. En dat wakkert dan de slooplust aan. Dus sloeg hij ook nog even een muurtje om.

“Ik wilde weten hoe stevig het was.”

 

Dakpannenfestival

Toen de pannen van het dak kwamen hebben onze hulptroepen ze zo snel mogelijk opgestapeld op pallets rond het huis. En daar lagen ze nog steeds. Want in de gauwigheid was wel duidelijk geworden dat het níet maar twéé soorten dakpannen waren, zoals ik hoopte.

Al op de eerste Funda-foto’s van de boerderij zagen we dat er twee typen pannen op lagen: Holle Muldenpannen (volgens de gezaghebbende website van Joost de Vree mogen ze officieel niet zo heten, maar ik zie ze op internet overal zo aangeprezen) op de ene helft.  En Oude Holle Pannen op de andere helft.

(Niet te verwisselen met de Verbeterde Holle Pan of de Opnieuw Verbeterde Holle Pan 😉 )

Toen we vorig jaar de pannen op de helft van de nieuwe werkplaats legden hebben we gemerkt dat oude Oude Holle Pannen erg variabel kunnen zijn. In tegenstelling tot nieuw gemaakte Oude Holle Pannen.

De Oude Holle Pan wordt nog steeds gemaakt. Tegenwoordig gebeurt dat met machines en volautomatische ovens. Nieuwe Oude Holle Pannen  zijn daarom allemaal netjes hetzelfde. Vroeger gebeurde het met arbeiders die ze ‘uit de hand’ sneden, ovens die nogal wisselend van temperatuur waren en misschien ook met klei die wisselend van kwaliteit kon zijn. Met wisselende dakpannen als gevolg. Net wat dikker, dunner, korter, langer, breder, platter, holler…

En als het dan ook nog verschillende partijen door elkaar zijn, van verschillende fabrieken, dan gaan de rijen slingeren en krom liggen en is het dus vrijwel onmogelijk om er een goed sluitend dak van te leggen. In het dakvlak wat we vorig jaar op de werkplaats legden zitten dus best wat punten waar we ons niet helemaal senang bij voelen. Vooral niet bij sneeuw.

Dus we hoopten dat wat er van de boerderij af zou komen wat eenvormiger zou zijn.

De Holle Muldenpannen zijn gemakkelijk genoeg te herkennen. Er zit wel enige variatie in lengte en breedte en mate van kromheid in (en er staan vingerafdrukken van de arbeiders in, handgevormd dus), maar ze zijn redelijk  als een sluitend dak te leggen. Maar de Oude Holle Pannen bleken verschillende partijen. En ook binnen de partij kennen ze een enorme variatie. En dan was een groot deel ook nog afgeschilferd door weersomstandigheden in de loop der jaren. Het advies van onze aannemer was dan ook: “Gooi ze maar op het pad, daar heb je niets meer aan!”

Maar… wij vinden de Oude Holle Pannen veel móóier dan de Holle Muldenpannen! Liefst zouden we de Oude Holle Pannen op de werkplaats hergebruiken.

Maar ja, dan zit er maar één ding op: per partij sorteren en bepalen wat er bij elkaar past,  in welke volgorde je ze dan kunt combineren en of je er genoeg hebt. En dat was een klus waar ik behoorlijk tegen op zag. Het is namelijk rotwerk. Zeker bij slecht weer.  Zware dakpannen sjouwen (gewicht Holle Muldenpan 2,7 kg, de Oude Holle Pannen heb ik niet gewogen maar wegen zeker ook meer dan 2 kg per stuk), alsmaar heen en weer lopen en Heel Veel Niet Ergonomisch Verantwoord Bukken. Dus de pannen stonden er nog steeds zoals ze vier weken geleden van het dak af kwamen.

Maar dit weekend kwam Barbara TWEE dagen helpen. En Barbara is iemand die er volkomen de humor van kan inzien om te bepalen of “dit nou zo één van die wat dikkere is, of hoort-ie toch bij die andere, die iets dunner zijn en een wat scherper hoekje hebben?”

Dus we hebben, onder werkelijk abjecte weersomstandigheden (het begon zaterdag nog zonnig, ging steeds harder waaien, tot stormkracht, vervolgens kregen we zondag buien, toen regen en uiteindelijk sneeuw) duizenden dakpannen door onze handen gehad.

“Zijn deze nou korter dan die andere, of horen ze wel bij elkaar?”

“Leg ze maar even apart, dan kijken we zo dadelijk wel of ze bij elkaar horen.”

“Vind jij dit een rond of een scherp hoekje?”

“Mmmm, rond. Nee, toch scherp. Kijk eens vanaf de achterkant? O ja, kijk, hij heeft een breder nokje. Die hoort dáárbij.”

“Wat denk jij, is deze nog te hergebruiken?”

“Hmmm. Is dat gat door en door? O, kijk, hij heeft hier ook een haarscheur. Leg maar bij de B-keuze.”

“Is dit nu wel een machinaal gevormde? Hij heeft wel van die strepen maar ik kan het niet goed zien want het hoekje is eraf”

“Dit lijkt wel zo’n omgeslagen randje. Alleen kan je het niet goed meer zien, want hij is afgebrokkeld.”

“Hee, van dit type ligt volgens mij ook nog een stapeltje achter de werkplaats. O nee, dit is een andere, zie je wel. Volgens mij hoort deze bij de iets bredere die op die pallet liggen bij die wat dieper gegolfde, met een smaller nokje.”

Etcetera. En intussen duizenden kilo’s gebakken klei heen en weer tillen. Je krijgt diep respect voor de arbeiders wier vingerafdrukken in de dakpannen stonden die door onze (beschermend gehandschoende) handen  gingen.

We liepen dus niet in de Klimaatmars mee, maar waren wel heel ecologisch bezig. Althans, wat betreft hergebruik. Want hoe verplaats je vervolgens pallets met dakpannen? Met de trekker. Maar rijden met een pallet vol hoog opgestapelde dakpannen over ongelijk terrein – dat is vragen om scherven. En hoe zet je ze vast? Harmen gaf het antwoord: met rekfolie. Dat is dus weer wat minder ecologisch; ben je allemaal plastic zakjes aan het besparen, wikkel je een hele rol plastic om je bouwmateriaal. Het zat me niet lekker, maar ik wist ook geen betere methode.

De eindscore viel helaas een beetje tegen. Er waren toch wel heel veel dakpannen in erg slechte staat. Nog bruikbaar voor een houthok of zo, maar niet voor een dak wat echt dicht moet zijn. We hebben niet genoeg Oude Holle Pannen voor de werkplaats. Maar wel precies genoeg Holle Muldenpannen. De Oude Holle Pannen moeten wachten tot we de kapschuur bouwen, waar nu de noordschuur nog staat. Ooit, als het huis af is…

Van boven naar beneden…

Het werk gaat harder dan de berichtgeving. We klussen zo hard, dat ik s’avonds te moe ben om er een blogje over te schrijven.

Het afbreken van de kapconstructie is… spannend. Je moet nadenken welke balken je in welke volgorde afzaagt. Als ze blijven hangen en op een verkeerde manier naar beneden komen kan dat tot levensgevaarlijke situaties leiden. Gelukkig hebben we al een keer zoiets gedaan; de stal achter ons huis in de van Bemmelstraat. Al was die wel een stukje kleiner. Joris heeft de steiger tot 6 m hoog opgebouwd, veel werk, maar een stuk veiliger dan vanaf een ladder. En dan maar zagen.

eerst alle panlatten door, anders blijft alles aan elkaar hangen
voor ieder stukje dak moet de steiger opnieuw opgebouwd… veel werk, maar wel zo veilig!

 

Het oude hooiluik kan voor het eerst in een halve eeuw weer open

De palen van het gebint van de oude hooischuur zijn van grenen en sterk aangetast door rot en houtworm. Het gebint wat de oude meneer begin jaren ’60 op de kop heeft getikt om de constructie te verlengen is van eiken en heel mooi. Er staat zelfs nog een timmermansmerk in. Jammer dat we het niet kunnen gebruiken in het nieuwe huis, maar het heeft niet de juiste afmetingen (en op maat maken is veel duurder dan een nieuw gebint maken). Dan moet het maar het uitgangspunt worden voor een toekomstige schuur!

 

 

Bij de afbraak van die stal in de van Bemmelstraat hebben Corrie en Maarten ons destijds goed geholpen. Dus kwamen ze dit keer ook weer een dagje. Het wordt een soort traditie. Al hopen we niet dat we over wéér 10 jaar wéér een huis aan het afbreken zijn (maar wie weet wat Corrie en Maarten nog voor plannen hebben?)

Trip Down Memory Lane: twee foto’s van juni 2008. Tja, ons huidige project is wel echt versie 2.0. Maar we hebben veel geleerd van de vorige keer. En het was net zulk mooi weer… en dat in februari!
En Maarten en Corrie hebben er nog altijd lol in!

Het grootste deel van het dak was (gelukkig) onbeschoten; je keek van onderaf direct tegen de pannen aan. Maar in de werkplaats en de zolder boven het huisje zat er dakleer (asfaltpapier) en kippengaas onder de panlatten. Dat bleek enorm lastig te verwijderen; het kippengaas hield alles stevig bij elkaar. Corrie en ik volgden de strategie om het gaas draadje voor draadje weg te knippen en zo de kap van het huisje bloot te leggen. De mannen kozen voor de rechtstreekse benadering: eerst het hele dak van de werkplaats naar beneden, en dan demonteren. Dat ging wel sneller.

De sporen van het huisje waren verbijsterend slecht. Allerlei verschillende stukjes rest- en afvalhout, vol houtworm en half vergaan. Toen het kippengaas er eenmaal af was trokken mannen zó de hele kap om.

A je to!

En toen stond de topgevel vrij… en ook dat was 10 jaar geleden geen feest. Gelukkig hadden we dit keer iets meer ruimte. Tien jaar geleden viel de schoorsteen bijna in de steeg waar kleine buurjongetjes heen en weer renden. Dat kon nu gelukkig niet gebeuren.

(En nog even een plaatje van 10 jaar geleden… vanaf een steiger werkt het een stuk plezieriger. Maar de schoorsteen van ons huidige project was wel een stuk harder dan deze topgevel!)

De voorgevel van de woonkamer bleek in spouw gebouwd! Gek genoeg loopt het binnenspouwblad naadloos door in de (buiten)muur van de ‘aangebouwde’ kamer, terwijl het buitenspouwblad aansloot bij de muur van de slaapkamertjes. Hoe dit nu weer zit met volgorde en bouwhistorie?

In ieder geval zijn er maar weinig spouwankers voorzien. Het buitenspouwblad was met een balkje zó los te wrikken!

Nog een deel van het hout weg en dan de muren! Het voelt goed om het langzaam en zorgvuldig te doen. We willen zoveel mogelijk hergebruiken.

Stevige balken ontspijker ik om straks te gebruiken bij het stutten van de bekisting als we beton gaan storten. Kleine balkjes worden tijdelijke boompalen (ze zullen maar een jaar of twee, drie meegaan, maar tegen die tijd moeten boompjes ook op eigen wortels kunnen staan).

Het overige onbehandeld hout kan de kachel in.

Dakpannen zoeken we uit: wat hergebruikt kan worden gaat netjes op pallets (die we kregen van buurman Koos!). En de rest gaat, met het overige puin, de puinbreker in. Want straks moeten de funderingstrucks het pad over (en als ik denk aan de mogelijkheid van een vastgelopen betonwagen vol uithardend beton krijg ik wel een beetje buikpijn. Dus dat pad moet stevig zijn!)

Kippengaas en ander metaal gaan naar de schroothandel. Al met al hoeft alleen het behandeld hout, het dakleer en wat overig los spul (piepschuim, pur, plastic) afgevoerd te worden. Het voelt dan ook meer als ‘demonteren’ dan als ‘slopen’. Cradle to cradle, circulaire economie enzo…

 

 

 

Het dak eraf!

We zijn weer een mijlpaal verder – de pannen zijn van het dak! Dat was best een spannende aangelegenheid. De boerderij is zo’n 7 meter hoog en het was de vraag in wat voor staat de panlatten zouden zijn. Maar gelukkig hadden de mannen van de aannemer dit vaker gedaan. Die schoven een ladder tegen het dak, timmerden een glijbaantje op maat voor de dakpannen en daar kwamen ze naar beneden!

De dakpannen léken maar uit twee soorten te bestaan: Oude Holle (of Hollandse) pannen op de ene helft van het dak, Holle Muldenpannen (?) op de andere helft. Maar uiteraard bestonden de oude pannen uit verschillende partijen. Dus er moest een treintje gevormd worden en onderaan stonden we heel hard te sorteren en de pannen op pallets te stapelen.

Onze hulptroepen (Harmen, Jenny en Joop, Arnaud en Edwin) hadden hun handen meer dan vol, maar het ging verbazend rap!

Boven de ‘smeerputschuur’ zit een beloopbare zolder, dus daar konden de pannen ook van binnenuit worden weggehaald. Hoewel de dunne zoldering angstwekkend begon te buigen onder het gewicht van de stapels pannen…

   

Eigenlijk gebeurde er niets noemenswaardigs: niemand viel naar beneden, en niemand kreeg een dakpan op zijn kop. Het meest opmerkelijke was de LP van Johnny Hoes (“Scheiden doet lijden”) die we vonden, weggestopt achter een balk. Waarom?, vraag je je af.

Vóór de lunch waren alle pannen van het dak! Jenny, Joop, Arnaud, Edwin en de mannen van de aannemer vertrokken toen weer. Joris heeft de hele middag verder getimmerd aan het dakje voor de grupstal, die nog even blijft staan. Harmen tilde bij wijze van krachttraining nog even alle pannen van de zoldering van de smeerputschuur naar beneden.

  

Nu oogt de boerderij als een oorlogsfilmdecor. En staat het hele erf vol met pallets dakpannen. En er liggen weer grote stapels afgekeurde en gebroken pannen: voer voor de puinbreker en grondstof voor het pad. Als we dat hebben opgeruimd is de volgende stap het ontmantelen van de kapconstructie. En dan de muren, en het gebint… we zijn nog niet klaar!

Puinzooi

Afgelopen week hebben we zoveel mogelijk hout uit de boerderij verwijderd. Alles wat niet constructief was kon weg. Plafonds, plinten, de schoorsteenmantel, vensterbanken, lijstjes, randjes, tussenwandjes…

Het leverde af en toe hilarische situaties op. Bijvoorbeeld toen Joris bezig was het hardboard plafond van de oude werkplaats eruit te slopen en ik hem kwam zeggen dat het kippenhok met een lekke band staat (op zich al een aparte mededeling). Net op dat moment kwam  de hoek van het plafond naar beneden, waar onder het schuine dak nog wat zooi bleek te zijn weggestouwd. Waaronder een gloednieuw autowiel, nog in de verpakking… Helaas bleek het niet op de as van de kipcaravan te passen.

Toen ik het verlaagde zachtboard plafond van het keukentje eruit haalde bleek ook daar het één en ander te zijn weggestopt. Diverse doosjes diepvrieszakjes, een verpakking plastic bekertjes, een doosje Douwe-Egberts spaarpunten en een Trommeltje. Een Schat? En ja hoor, in het trommeltje twee Beursjes. Met daarin wat oude Wilhelmina- en Julianamuntjes. Een een briefje waarop in een beverig handschrift de inhoud vermeld staat. Helaas klopte het niet helemaal, de schrijver / schrijfster van het briefje had de twee Wilhelmina-guldens voor rijksdaalders aangezien.

En dan het hardboard plafond van de woonkamer (ons voormalige kantoor). Daarboven bevond zich de open ruimte van de zolder. Maar dat was zo’n gore boel dat we ons daar nog niet echt in hadden gewaagd. Op het hardboard bleken kranten te liggen. Daar bovenop een paar planken, zodat er her en der over gelopen kon worden. Bijvoorbeeld om emmertjes neer te zetten waar het dak lekte.  Over het geheel heen waren glaswoldekens gelegd ter isolatie, met daar overheen weer stukken landbouwplastic. Af en toe was er ook nog het één en ander aan de welbekende zooi op terechtgekomen (potjes, oude kleren, buizen, lege plastic zakken…). Daarin was een dier (ratten? bunzing?) gaan nestelen. Die had daar jaren lang gewoon in een heerlijk nest van fijngeknaagde kranten, oude kleren,  plastic zakken en glaswol. De perfecte plek om dode vogels op te peuzelen (toch een bunzing dan, waarschijnlijk).

Uiteindelijk heeft Joris een gat gezaagd in het plafond, waar ik van bovenaf (op die planken) zoveel mogelijk van de smerige stoffige stinkende bende doorheen heb geharkt. In vuilniszakken gestopt en afgevoerd. Daarna kon de rest van het plafond eruit. Al met al weer een hele houtcontainer vol gekregen, ook alle niet meer bruikbare planken die al tijden op een hoop buiten lagen. Dat ruimt lekker op.

Zaterdag was het tijd voor een eerste kennismaking met de mobiele puinbreker. Op het erf ligt namelijk al sinds anderhalf jaar een gestaag groeiende hoop puin. We kunnen dat goed gebruiken om het pad te verstevigen. Als de boerderij straks wordt afgebroken hebben we nog veel meer puin. Maar zou het inderdaad rendabel zijn om het zelf te breken? Veel mensen raden ons aan om het ‘gewoon’ af te voeren. Maar dan moeten wij dus ook ‘gewoon’ weer puin aanvoeren, want het pad zal voor het bouwverkeer nog wel wat verstevigd moeten worden en met 300 m oprijlaan heb je aardig wat puin nodig.  Tijd om de proef op de som te nemen en een mobiele puinbreker te huren.

Onze buren hebben hier meer ervaring mee en vonden het leuk om te komen helpen. Het kostte eerst nog wel wat moeite en gevloek om hem aan de praat te krijgen. Hij werd zonder gebruiksaanwijzing geleverd en we zagen per ongeluk de olietank aan voor de brandstoftank. Er moest dus eerst nieuwe olie in. Maar toen ging het ook als een zonnetje! Onder luid gerommel verknaagt het ding kapotte stoeptegels, bakstenen, hele stukken muur, dakpannen, bloempotten, halve slijpstenen en brokken beton tot een prachtige grondstof voor het pad. Alleen… de grootste kuilen in het pad zitten 300 meter verderop. Heen en weer rijden met kruiwagens bleek niet effectief; mijn armen vielen er bijna af maar we konden het tempo van het grommende monster niet bijhouden. Uiteindelijk hebben we het gestort in het voormalige slaapkamertje. Daar ligt het prima en we kunnen het rustig met de trekker verplaatsen. Wat ons betreft een succes; de muren zijn geen afval, maar grondstof voor de toegangsweg.

Hulde aan Marja, Jos en Rob voor het helpen. Nu hebben we allemaal spierpijn…

Huisjes en historie

Dit weekend kwam Barbara weer helpen. We hebben de tien vogelhuisjes opgehangen, die ik netjes dubbeldik in de lijnolie had gezet. Nog een beetje zoeken naar goede plekken. We hebben genoeg grote bomen, maar die staan dan weer net niet in de buurt van de fruitbomen. En dat is de bedoeling: in de nestkastjes moeten mezen komen wonen, die de rupsen opeten die afgelopen voorjaar al mijn fruitbomen kaal vraten.Nu maar hopen dat de mezen zich niet beperken tot de rupsen in de eiken waar de vogelhuisjes in hangen… we gaan het merken!

En we hebben de grote stukken landbouwplastic die nog in de boerderij hingen als een soort van regenopvang weg gehaald. (Helaas vingen ze niet alleen regen. Ook het stof van decennia kwam mee…)  De constructie komt steeds meer bloot te liggen. Wat een ruimte nu in de boerderij!

Het interieur van de ‘tas’ (de oude hooischuur). De jakobsladder zijn we nog steeds niet kwijt.
De ‘entree’, zonder alle rare halletjes-van-oude-toneeldecors en ‘plafonds’ van landbouwplastic
Eerst die enge ‘dakramen’ eruit (stukken glas die tussen de panlatten waren geschoven)

Verder hebben Barbara en Joris en de grote deuren uit de stal gehaald. Want we hebben weer een container voor sloophout staan, en die moet na een paar weken wel weer retour anders moeten we huur gaan betalen.  We zijn dus al het hout wat al uit de boerderij gehaald kan worden eruit aan het trekken. Plafonnetjes, de keukenkastjes (die gefundeerd bleken te zijn op lege Completa-potten, oude deuren, allerhande latjes en lijstjes…

(Joris kon zich even niet inhouden en begon ook alvast de muren naar beneden te timmeren.)

We hebben onze ideeën over de bouwhistorie van de boerderij wat bijgesteld. Op oude kaarten is te zien dat er eerst twéé gebouwtjes stonden. Waarschijnlijk was het woonhuisje toen een ‘gewoon’ woudboerderijtje, zoals er hier veel staan. Een woonkamertje met bedsteden, een keukentje met een laag dak en een klein stalletje erachter. Een deel van de muren van dat stalletje is nog terug te vinden in wat wij de ‘smeerputschuur’ noemen.

Hier kijk je tegen de muur van de ‘smeerputschuur’ aan, nu de hoge staldeuren zijn weggehaald. Als je goed kijkt, zie je in de linkermuur dat het metselwerk boven het raampje van later datum is. (Rechts ook, maar dat is op deze foto moeilijk te zien.) Waarschijnlijk waren dit de muren van het oorspronkelijke stalletje achter het woudboerderijtje. Dat verklaart ook de rare lage raampjes. Je ziet hier in de streek wel meer van die boerderijtjes met hele lage stalmuurtjes.

De ingang van het huis was aan de noordwestkant van de keuken, op de plek waar wij het bed van de oude mijnheer vonden. (Dat vertelde mevrouw Elzinga me, die op de boerderij hiernaast is opgegroeid). Naast het woudboerderijtje stond een houten (hooi)schuur met twee hoge wanden. Dat is nu de ‘tasruimte’.

In de jaren 1930 of 1940 is er een kamer aan het huisje gebouwd. Je kunt nog zien dat die muur ooit een buitenmuur is geweest, er zat ook een raam in wat is dichtgemaakt.  Misschien was er in die kamer ooit ook wel een bedstee. Aan de plafondbalken zit nog het restant van een houten wand.

Bij een verbouwing (waarschijnlijk na het jaar 1954, toen de oude meneer het kocht) is het bedrijfsgedeelte flink uitgebreid. Het gebint van de hoge schuur werd in ZW-richting doorgetrokken tot in het voormalige stalletje. Hiervoor gebruikte hij een op de kop getikt tweedehands gebint. Aan de zuidoostkant van de schuur heeft hij een werkplaats gebouwd. (Een neef van hem, die hier een keer aan kwam, wist zich nog te herinneren dat de oude meneerdaar stond te metselen). Het  geheel werd overdekt door één groot (stelp)dak. Dat verklaart waarom er boven in de wanden van de tasruimte (hooi)luiken zitten, die helemaal niet open kunnen, omdat ze tegen het schuine dak aan draaien.

Dit was dus oorspronkelijk de buitenmuur van de schuur – nu de wand van de tasruimte. Het is bijna niet te zien, maar rechts bovenin de foto zit een mysterieus hooiluik, dat helemaal niet open kan omdat het tegen het dak van de werkplaats aan draait.
Hier een betere foto van het oude hooiluik
En van binnenuit de ‘tas’ (de oude hooischuur dus) gezien

Bij die gelegenheid is de muur van het oude stalletje achter de woning ook verplaatst, waardoor de voormalige keukendeur  moest worden opgeheven. Dat keukentje werd toen 2 slaapkamertjes (al zijn de bedsteden misschien nog wel tot 1970 in gebruik geweest als er logees waren. Rond 1970 zijn ze in elk geval verbouwd tot kast). Voortaan kwam je dus het huisje binnen via de nieuwe deur in de stal. Toen is waarschijnlijk ook de keuken verplaatst naar de plek waar wij hem aantroffen. Ook zijn toen de buitenmuren van de stal door steen  vervangen.

De dichtgemetselde voormalige keukendeur. Nu komt die uit op de ‘smeerputschuur’, maar vroeger ging die gewoon naar buiten.

Ik vermoed dat die grote verbouwing eind jaren ’50 / begin jaren ’60 heeft plaatsgevonden. In 1955 heeft de oude meneer eerst de ‘westschuur’ gebouwd, getuige de kranten die ik daar in de nok vond. Net als wij, zal hij tijdens de verbouwingen ook plek nodig hebben gehad voor dieren en spullen. Dus misschien heeft hij ook de ‘noordschuur ‘ nog wel eerst gebouwd, als hooischuur tijdens de grote verbouwing aan het hoofdgebouw.  Dat lijkt logisch; de west- en noordschuur waren in elkaar geflanst van planken, stukken golfplaat, oude ramen en asbest, terwijl de stelp grotendeels redelijk netjes gemetseld is.

Wij zitten met hetzelfde probleem: waar laat je alles, als je het hoofdgebouw  neerhaalt? Omdat ons nieuwe huis een paar meter meer naar het zuidoosten komt, kunnen we een klein stukje van de oude stal ( de ‘grupstal’) tijdelijk laten staan tussen de noordschuur en het nieuwe huis. Een deel van het dak laten we zitten, een liggende balk  wordt de nieuwe nokbalk en Joris heeft van oude balken en planken nieuwe sporen gemaakt, zodat we van binnenuit een nieuw dakje kunnen maken. Het zal niet geweldig zijn, maar het is weer een paar m2 waar we bouwmaterialen enigszins droog kunnen opslaan. Nu staan de schapen er nog, dus ik moet ook nodig het oude varkensstalletje aftimmeren, zodat die daar in kunnen. Wat een geschuif met functies is het toch, zo’n bouwproject.

Joris maakt van binnenuit een dakje over de ‘grupstal’, zodat die nog even kan blijven staan

Koud – en toch warm

De asbestmannen hebben het complete dak van de kamertjes verwijderd. Nu is het huisje echt geen huis meer.

 

En gistermiddag ging het sneeuwen. Dat levert mooie plaatjes op maar het maakt het buitenwerk lastiger. Gelukkig is het in de werkplaats lekker warm en daar bouw ik alvast een heleboel huisjes.  (Nou ja, bouwen, het is meer monteren van prefab). Voor mezen, die hopelijk komend voorjaar de rupsen onder controle gaan houden. Ik wil niet dat wéér alle nieuwe aanplant wordt kaalgevreten!

 

De vloer van ons tijdelijke onderkomen is wel heel koud. Maar precies op het goede moment arriveerde er een nieuw paar warme sokken uit Noorwegen! Ik begin zo langzamerhand een hele collectie op te bouwen want ik heb me zelf ook maar eens aan de schone kunst van het sokkenbreien gewaagd. Die van mij zien er nog niet zo netjes uit als die van mijn nicht Berber, maar oefening baart kunst (hoop ik).

De lange bedsokken links blijven de topstukken van de collectie. Die heeft de oma van een Finse uitwisselingssudent 20 jaar geleden voor me gebreid. Ze zijn te mooi om te verslijten, dus ik draag ze alleen in bed – heerlijk!

En toen ik op een Facebook-pagina voor oud-leden van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (voor de ingewijden: ouwe sokken dus) iets postte over de koude vloer bood een volslagen onbekende spontaan aan om slofjes voor me te vilten! Daar krijg je het vanzelf al warm van…

De kippen weigeren om naar buiten te komen

Asbest- derde ronde

We hebben de afgelopen dagen hard gewerkt aan het leeghalen van het huisje. De smerige lagen tapijt en zeil zijn eruit gehaald (daaronder lagen kranten uit 1962 op de vloer – een leuk doorkijkje naar het verleden. We hebben ze niet bewaard, want we gaan er vanuit dat de Leeuwarder Krant wel ergens digital gearchiveerd zal zijn).

Daarna was de beurt aan het tussenwandje-met-inbouwkast tussen de twee kleine slaapkamertjes. Dat leek als één van de weinige onderdelen geen zelfbouw – het zat verbazend degelijk vast. Al het overige inbouwmeubilair, zoals de keukenkastjes en de hoekkast in de ‘eetkamer’, waren duidelijk  zelf gemaakt van op de kop getikte onderdelen.

De voorzetraampjes (afkomstig uit het ouderlijk huis van onze buurvrouw, volgens haar zeggen) die tegen de slaapkamerraampjes gespijkerd waren gingen eruit (wat de ventilatie en het uitzicht aanmerkelijk verbeterde).

En toen konden de saneerders aan de slag voor de derde ronde asbestsanering: de betimmering aan de binnenkant van de twee slaapkamertjes en de aangebouwde ‘eetkamer'(waar wij onze kantine hadden). Dit is een (dure!) ‘binnensanering’, dus moest met alle heisa worden uitgevoerd: De hele kamertjes afgeplakt tot een soort tent, waar 14 pascal onderdruk op kwam te staan en waar de als maanmannetjes uitgedoste saneerders eerst moesten douchen vóór ze weer in de buitenlucht mochten komen. Daarna stond de pomp nog de hele nacht te loeien en de volgende dag kwam er een onafhankelijk bureau luchtmonsters nemen (wat ook twee uur duurde) en meten, vóór het geheel werd vrijgegeven en de hele santenkraam weer kon worden afgebroken.

(Nu wil ik de gevaren van asbest niet bagatelliseren, maar als je er dan bij bedenkt dat de oude mijnheer continu overal stukkies asbest tegenaan timmerde en zaagde en overal stukkies asbest had rondslingeren en dat hij op zijn 96e lichamelijk nog kerngezond is, zij het dan in hoge mate dement, dan vraag je je toch af of het wellicht niet een heel klein pietsje doorgeslagen is allemaal…)

Dit is de douche, door het raam heen gefotografeerd

Nu de asbest weg is, is goed te zien dat het huisje echt niets voorstelt. De originele woonkamer heeft nog muren van 1 steen dik – de muren van  de aanbouw waar de 2 slaapkamertjes in zaten  (oorspronkelijk waarschijnlijk de keuken) en de later eraan gebouwde ‘eetkamer’/ kantine  zijn maar een halve steen dik. Langs de kunststof kozijnen met dubbel glas  (duidelijk zelf geplaatst) kan je zó naar buiten kijken.

Door de nattigheid van de asbestmannetjes-douche komt het behang op de muren van de woonkamer er zó af. Er zitten kranten onder, zelfs nog uit 1989! Ik herinner me dat mijn moeder me omstreeks die tijd vertelde dat er ‘vroeger’ kranten onder het behang geplakt werden. Voor de oude man was ‘vroeger’ in 1989 duidelijk nog niet afgelopen.

De kranten uit eerdere jaren geven weer leuke inkijkjes in het verleden.

Er moet nog één plaat asbest gesaneerd worden voor we echt kunnen gaan afbreken: die zit als dakbeschot onder de pannen van de kleine kamertjes. Dat is een ‘buitensanering’, die weer om andere heisa vraagt:  tot 5 m rondom moet alles opgeruimd en schoongemaakt, het gras kort gestrimd en aangeharkt worden, opdat een visuele inspectie goed mogelijk is.

Nou moesten we toch opruimen, want er heeft zich zo langzamerhand van alles rond het huisje opgehoopt wat toch weg moet vóór we kunnen gaan slopen. Het verwijderen van de pannen was eng, we kunnen niet op die plaat gaan zitten. Joris heeft ze zo ver weg gehaald als hij vanaf de steiger kon reiken./ Hopelijk nemen de asbestmannetjes er genoegen mee.

De oude man had een ingenieuze constructie gebruikt bij de dakafwerking (windveer): Hij had oude kunststof goten (van weer andere buren) over de verrotte windveren heen gelegd en verzwaard met ijzeren pijpen. Bijzonder…