Sonderingen, fundering en ontwerp

Een huis moet gefundeerd worden. Bij het huidige huis is dat uiterst simpel gedaan: het gras is weggekrabd, er is een rijtje bakstenen dwars gelegd en daarop is men gaan metselen. Eigelijk kan je van een fundering nauwelijks spreken. Toch staan de muren nog recht en zitten er geen scheuren in!

Voor de bouwvergunning moeten we echter een beter beeld hebben van de bodemsterkte. Daarom zijn er op 25 september ‘sonderingen’ gedaan. Daarbij wordt vanuit een wagentje vol meetapparatuur een grondboor de grond in gedrukt. De apparatuur meet de weerstand van de bodem en daaruit valt af te leiden hoe sterk de fundering moet zijn.

Voor iedereen die zich afvraagt wat dit soort vierkante wagentjes, die je wel eens op de snelweg ziet, nou toch zijn: het zijn dus sondeerwagens.

Omdat het huidige gebouw er nog staat was het nog niet makkelijk om met de ‘sondeerwagen’ overal te komen. Meestal wordt er dan ook pas gesondeerd als de bebouwing al gesloopt is, en je precies op de plekken kunt sonderen waar het toekomstige gebouw komt. Maar van andere zelfbouwers hebben we gehoord dat het wel verstandig is om je sonderingen al vroeg in het proces uit te voeren. Anders loop je kans dat later het hele ontwerp moet worden aangepast.

Voorzichtig manoeuvreren om zo dicht mogelijk bij het huis te komen
Aan de onderkant gaat deze grondboor de grond in
en dan wordt hier de weerstand van de grond gemeten

Helaas vond het sondeerbedrijf dat de bodemweerstand op één plek onvoldoende gelijkmatig was om een strookfundering te gebruiken. (Dat is gewoon een brede strook gewapend beton). Een tegenvaller, want dat is verreweg de goedkoopste fundering. En omdat het huidige gebouw vrijwel geen fundering heeft dachten we dat een strookfundering wel voldoende zou zijn. Maar het geotechnisch rapport adviseerde palen. Dat is al snel €10.000 duurder, bovendien kan een heikraan hier helemaal niet komen.

Nu hebben we het gevoel dat de funderingseisen tegenwoordig zwaar overtrokken zijn. Natuurlijk is een goede fundering belangrijk – je wilt geen scheuren in de muren! Maar tegenwoordig funderen we steeds dieper. Als ‘vorstvrije grens’ geldt sinds kort niet meer 60 cm onder maaiveld maar 80 cm. Terwijl de winters steeds milder worden. Wanneer hebben we nou voor het laatst 60 cm (laat staan 80 cm!) vorst in de grond gehad? In de winter van 1963? Maar toen waren die eisen nog helemaal niet zo streng…

De funderingseisen hebben er natuurlijk enerzijds mee te maken dat gebouwen steeds beter geïsoleerd worden, en daarmee steeds zwaarder. Maar ik heb het donkerbruine vermoeden dat de betonlobby er ook iets mee van doen heeft. Overigens is kalkhennep een relatief licht bouwmateriaal, veel lichter dan beton of metselwerk. Dus we zien niet echt in waarom dat niet gewoon op een strookfundering zou kunnen. Helaas zal de vergunningverlener van de gemeente gewoon kijken naar het advies van het sonderingsbedrijf.

Een mogelijk alternatief zou een ‘evenwichtsfundering’ kunnen zijn. Dat is een dikke laag schuimbeton. Die is lichter dan de grond die wordt weggehaald, en moet zo dik zijn dat het gewicht van het huis + het schuimbeton gelijk is aan het gewicht van de grond die wordt weg gehaald. Bovendien heb je daarmee meteen een supergoed geïsoleerde vloer. Helaas hangt er wel een prijskaartje aan. En het wordt lastiger om een kelder te maken, wat we toch we heel graag zouden willen.

Kortom, we zijn er nog niet uit,…

Intussen puzzelen we hard aan het ontwerp van het huis zelf. Ook dat zorgt voor hoofdbrekens. Er wordt driftig heen en weer gemaild en ge-Whatsappt met de architect en ik werk plattegrond na plattegrond uit. Op millimeterpapier, want ik heb drie dagen lang geprobeerd om met het tekenprogramma Sketchup te leren werken en dat is me niet gelukt. Nog even geduld dus, voordat daar plaatjes van komen.

 

 

 

Einde van de Westschuur

Ik loop hopeloos achter met het bijhouden van het blog. Er gebeurt gewoon te veel om op te schrijven!

Aska groeit goed, maar wat is het veel werk, zo’n hondje! Zeker in combinatie met de katten. Ze willen graag met elkaar spelen,. maar af en toe wordt Aska  iets té enthousiast en grijpt ze Max met haar scherpe tandjes vast en schudt hem als een lappenpop (of een prooi) heen en weer. Dat moeten we haar natuurlijk afleren en dat valt niet mee!

Ook snapt ze op zich wel dat ze niet binnen moet poepen of plassen, maar het verschil tussen ‘binnen’ en ‘buiten’ is nog niet helemaal helder. Dat kan ik haar niet helemaal kwalijk nemen, want dat ís ook een beetje diffuus. In de ‘tas’ bijvoorbeeld, regent het gewoon naar binnen en is de vloer onverhard. Zowel Aska als de katten beschouwen het daarom als een overdekt toilet. De dag begint dus meestal met drollen scheppen in de schuur (bij het licht van de mobiele telefoon…).

De eerste helft van oktober hebben we, stukje bij beetje, de ‘westschuur’ afgebroken. Nog een hele operatie, want het dak op durfden we niet, je weet nooit hoe wrak het is. Alle dakpannen heb ik er van binnenuit afgehaald. Dat was héél veel keer de ladder op en neer. De dakpannen hebben we bewaard, hopelijk is een deel nog bruikbaar voor op de nieuwe werkplaats.

Begin september ging het asbest dak eraf. Vervolgens stortte het voorste deel van de schuur in.
september: de zijwanden weghalen
Hier kan je er al een beetje doorheen kijken!
Héél veel keer de ladder op en af. Dit was eigenlijk een klus om met zijn tweeën te doen.
Stapels dakpannen om te sorteren: welke kunnen nog hergebruikt worden?

Opvallend was, dat het pannendak aan de binnenkant ‘beschoten’ was met oude kunstmestzakken. Dat hebben we ook al op andere plekken gezien. Een prachtig staaltje van  hergebruik: de zakken zijn netjes dakpansgewijs tussen de panlatten en de dakpannen verwerkt. Dat scheelde enorm veel tocht en ook lekkage. Alleen is er in de loop der tijd heel veel bladafval en stof tussen de dakpannen en de zakken gekomen en daar zijn muizen in gaan nestelen. Het was dus een vieze bedoening om alles van binnenuit naar beneden te halen!

Close up van het ‘dakbeschot’Overigens werkte het ‘dakbeschot’ niet helemaal. Op sommige plekken waren toch lekken ontstaan, en doordat al het water via het plastic naar die plekken getransporteerd werd waren er diverse balken behoorlijk doorgerot.

Helaas werkte het dakbeschot op sommige plekken juist als een soort kanaal waarlangs het water op één plek op de constructie liep

 

Hier is goed te zien dat de ‘Grote Eik’ echt ín de westschuur stond – en langzamerhand het dak uit elkaar gedrukt had.  

De nok was ook op een interessante manier geconstrueerd: op de nokbalk lagen opgerolde kranten, die rond dakpanscherven gerold waren. Dat geheel was weer afgesmeerd met cement. Aan de hand van de kranten kon ik de schuur (of in elk geval het pannendak) dateren: de kranten waren uit de periode mei-juli 1955.

Vreemde nokconstructie, van kranten, dakpanscherven en cement.

Doorzicht!
Ook het gebint rustte (met een extra paaltje) tegen de Grote Eik aan
Op de Grote Eik is goed te zien dat hij deel uitmaakte van de schuur
De kap eraf!

 

Neerhalen van het gebint

Al het ongelakte hout gaat de kachel in: met het behandelde hebben we de zoveelste container gevuld. Toen de kapconstructie er eenmaal af was stond alleen het gebint nog. Dat was van duidelijk vele malen eerder gebruikt eiken. Vol met houtworm, maar nog altijd loodzwaar. Intussen was de houtcontainer vol, dus die balken liggen nog even te wachten op een nadere bestemming.

En toen was er uitzicht! Wat een ruimte en wat een prachtig gezicht, nu de ‘Grote Eik’ helemaal vrij staat. Jammer dat we er opnieuw een schuur gaan bouwen. Maar dat zal toch moeten, want we moeten een werkplaats hebben, om van daaruit straks het huis te bouwen. Aan het ontwerp van het huis zijn we ook heel hard bezig, maar dat volgt in een volgende blog.

En toen was er uitzicht! Eigenlijk zonde om er weer een schuur voor te zetten…

 

 

 

 

 

 

Aska

Op een boerderij hoort een hond. Die kan waarschuwen als er volk op het erf is en dat is wel handig hier. (Ik heb al een paar keer gehad dat er onverhoeds mensen stonden, die ik niet had opgemerkt omdat ik achter op het erf bezig was. Tot nu toe nog niet op een moment dat ik net bloot    onder de douche vandaan kwam, maar dat is natuurlijk een kwestie van tijd…) Maar wat voor hond? Ik ben eigenlijk nooit zo’n hondenliefhebber geweest. Als kind was ik er doodsbang voor en ik houd nog steeds niet van de lucht van honden.

Maar toen ik 20 jaar geleden in Australië rondreisde heb ik op een schepenfarm Australian Kelpies aan het werk gezien. Niet te grote hondjes, die buiten op het erf van de boerderij woonden en flink moesten werken voor de kost. Dat werk bestond uit het opdrijven en bij elkaar houden van de enorme kuddes schapen. Eén van mijn leukste herinneringen aan dat jaar is toen ik zelf een keer meeging met schapen ophalen (“rounding up a coupla herds”). Op een motorfiets over de heuvels crossen, met een nieuw hondje achterop. Toen we kwamen waar de schapen waren was het prachtig om te zien hoe de honden de aanwijzingen van de boer volgden. Ze wisten precies wat ze moesten doen en genoten duidelijk van het werk.

Kelpies zijn kleiner en lichter dan de ‘Australian Shepherd’ (die trouwens helemaal niet uit Australië komt!) en de ‘Australian Cattle Dog’ (die, zoals de naam al zegt, gefokt is om koeien te drijven). Daardoor kunnen ze over de ruggen van de schapen heen rennen als ze snel aan de andere kant van de kudde moeten zijn of de schapen dicht op elkaar door een geleiderail moeten worden gedreven. Wat de schapen daarvan vinden is niet bekend (maar ik heb wel een idee).

Dus toen Dorien liet weten dat hun hond puppies had met een Kelpie als vader was ik wel heel erg geïnteresseerd. De moeder is een mengelmoes, net iets groter dan een Kelpie. Maar ook een gezonde en slimme hond die goed is in schapen en geiten drijven. Bovendien zijn ‘vuilnisbak’-honden meestal gezonder dan echte rashonden.

Dus we besloten dit dit toch wel een hele goede kans was om een gezond beestje van bekende oorsprong en met waarschijnlijk goede eigenschappen aan te schaffen. En sinds afgelopen zondag woont Aska in huis. Half Kelpie, 1/8 Duitse Staander, 1/8 van nog iets bekends en 1/4 vuilnisbak.  Met een mooie black-and-tan tekening en jammer genoeg de hangende oren van de moeder (ik vind de rechtopstaande Kelpie-oren eigenlijk mooier).

Voor de poezen is het even wennen, maar ze zijn al snel vriendjes geworden. Aska en Max gaan lekker samen op avontuur en ze kunnen leuk samen spelen. Ik vind dat erg dapper van Max want Aska is wel 5 x zo zwaar als hij. Maar hij is natuurlijk een puber-kater, dus hij kan ook wel tegen een stootje. Als het spelletje te ruig wordt krijgt Aska een haal over d’r neus en ze begint al te begrijpen dat het dan afgelopen moet zijn. Ze waren al bezig om samen muizen te vangen (Aska graaft een muizenhol uit en Max zit er gespannen naast, klaar om wegrennende muizen te bespringen) dus ik voorzie een vruchtbare samenwerking.

Ze doet hard haar best om de nieuwe omgeving en de poezen te begrijpen en kan (als ze niet afgeleid wordt) al heel goed de commando’s “kom”en “zit” volgen. En zoals het een halve Kelpie betaamt heeft ze enorm veel energie!

Moestuin

Het seizoen voor de interim-moestuin is afgelopen, de pompoenen en courgettes zijn geoogst. Nu kan ik eindelijk een begin maken met de echte moestuin.

Omdat ik verwacht dat er hier heel wat konijnen en reeën belangstelling zullen hebben voor mijn groente ben ik begonnen met een degelijk hek. Gaas van 1,20 m hoog en daarboven komt nog een draad.  Langs de onderkant ligt nu een balk. Misschien dat ik daar langs ook nog gaas moet ingraven, maar dat stel ik nog even uit.

Ik blogde al eerder over de staat van de moestuin: een stevige grasmat, vol kweek en bramen. Omspitten is geen optie. Niet alleen is dat heel zwaar werk, maar de wortels van het kweek (en de overige grassoorten) zullen eindeloos blijven uitlopen, zolang de blaadjes het licht kunnen bereiken. Dus ik neem mijn toevlucht tot een beproefde methode: de grasmat verstikken met een mulchlaag. Omdat ik daar veel vragen over krijg wat uitleg.

Met ‘mulchen’ maakte ik twintig jaar geleden voor het eerst kennis in Australië. Het betekent simpelweg het afdekken van de grond en is in de Angelsaksische landen een beproefde methode om het opkomen van onkruid en verdamping van water tegen te gaan. In Nederland is vaak nog blote aarde de norm, liefst netjes geschoffeld. Maar dat biedt weinig bescherming aan de enorme verzameling van schimmels, bacteriën, insecten, wormen, springstaarten, mijten en andere organismen die we samenvatten onder de noemer ‘het bodemleven’. En dat bodemleven wil je juist stimuleren. Regenwormen maken de grond luchtig en transporteren voedingsstoffen door de bodemlagen. Bacteriën en schimmels breken organisch en anorganisch materiaal af tot bestanddelen die als voedingsstoffen door de planten kunnen worden opgenomen en humus die deze nutriënten vasthoudt. Schimmeldraden kunnen nutriënten over vele meters transporteren. Kortom, deze nuttige hulptroepen wil je koesteren. Maar dat doe je niet door de grond om te spitten (waarbij je het bodemleven enorm verstoort) en kaal te houden (waardoor harde wind, UV-straling van de zon , vrieskou en plensregens vrij spel hebben op het oppervlak), maar door haar te bedekken. Liefst met organisch materiaal, maar zwart plastic kan soms ook nuttig zijn. Mijn tuiniermethode is de afgelopen twintig jaar dan ook steeds meer gericht op het niet keren van de bodem en het stimuleren van het bodemleven.

Ik ben begonnen met het uitzetten van de bedden. Die worden 1,20 m breed, met paden van 80 cm er tussen. Dat lijkt verspilling van ruimte, maar doordat ik niet op de bedden loop blijft de grond daarin luchtig en vruchtbaar. Daardoor kan ik de bedden straks helemaal tot de rand vol planten. De planten zullen in het groeiseizoen ook over de randen van de bedden hangen. In de winter kan ik dankzij de brede paden overal goed bij met de kruiwagen.

De bramen heb ik uitgestoken, die laten zich niet makkelijk verstikken. De grasmat dek ik af met grote stukken karton, dat ik heb gekregen van de Kluswijs in Noordwolde. Daarop komt een dikke laag (50 cm!) organisch materiaal. Liefst met een goede verhouding tussen koolstofrijk en stikstofrijk materiaal, zodat het kan verteren tot vruchtbare compost. Ik gebruik wat ik maar voorhanden heb of waar ik makkelijk aan kan komen. Op dit moment heb ik vooral gehakselde takken en bladeren en oud hooi tot mijn beschikking. Dat bevat vooral koolstof en zal dus niet erg snel composteren. Geeft niet: de voedingsstoffen zouden in de winter toch maar uitspoelen door de regen. Hoofdzaak is nu eerst dat het gras verstikt wordt.

De planten plant ik komend voorjaar in de mulchlaag, waar ik dan wat mest bij voeg. De mest brengt het verteringsproces goed op gang. Daarbij ontwikkelt het bodemleven zich en worden de mulchlaag en het inmiddels dode gras omgezet tot nutriënten die de planten kunnen opnemen. De eerste vijf bedden zijn aangelegd: nu de rest nog.

 

 

 

 

 

 

Hulst

We willen deze winter heel veel bomen planten, maar er zullen ook enkele bomen gekapt moeten worden. De eerste is de hulstboom, die links van het huis staat (intussen: stond). Op zich een heel mooi exemplaar: gladrandig, dus zonder die akelige stekels, en met mooie bessen. Maar hij (of eigenlijk dus: zij, want alleen vrouwelijke exemplaren dragen bessen)  stond heel dicht op de Jonge Eik (alle prominente eiken op ons terrein hebben een naam) en was al aardig door de kruin heen gegroeid. Bovendien stond ze ten zuiden van het huis, dus ook ten zuiden van het nieuwe huis. En zo’n uitgegroeide hulst neemt héél veel zon weg. Zon die wij graag als passieve energie willen opvangen. Als ze nou aan de andere kant van het huis had gestaan had ik haar graag behouden, maar nu we moesten kiezen tussen de eik+zonlicht in huis en de hulst kozen we zonder twijfel voor het eerste.

Het was nog best spannend, want ze viel in de moestuin en daar ben ik al een eind op gang met het maken van bedden en een hek. Maar het is ons gelukt om de boom niet te laten vallen op het kippenhok, het hek, onszelf, de poort, de poezen, de kippen of de eenden (die natuurlijk allemaal hun best deden om erg in de weg te lopen).

De stam willen we een tweede leven gunnen ergens in ons nieuwe huis. Hulsthout schijnt super hard en vast te zijn, dus we vinden er vast een toepassing voor. De dikkere takken zal ik ook bewaren om nog  eens als timmer- of draaihout te gebruiken. En het fijne spul? Over twee maanden zou het heel geschikt zijn als kerstversiering (en volgens deze website werden in vroeger tijden aan hulsttakken ook allerlei magische eigenschappen toegedicht) maar ik weet niet of het dan nog goed is. Dus waarschijnlijk wordt dat toch ook versnipperd voor de moestuinbedden.

Orkaan doorstaan

De vorige storm viel me alleszins mee. Maar de vraag was: hoe gaat het huis zich houden bij een noordwesterstorm? En zie: ik word op mijn wenken bediend, met een noordwesterstorm, opnieuw lekker compact, een halve dag lang en overdag, zodat ik goed in de gaten kon houden hoe het ging.

Het was inderdaad een stuk heftiger dan de zuidwester. De pannen rinkelden alarmerend op het dak. Maar ze bleven wel liggen! Ook de plastic zeiltjes die een deel van ons dak vervangen zijn niet gescheurd. En voor zover ik heb kunnen zien geen serieuze schade aan bomen. Enkel één (1!) afgewaaide pan van de half afgebroken ‘westschuur’. En dat terwijl de  windvlagen het af en toe moeilijk maakten om staande te blijven. Kortom: alleszins tevreden.

Komende winter gaan we hopelijk, met hulp van Landschapsbeheer Friesland, het ‘windgat’ aan de westkant dichtplanten. Het zal wel een paar jaar duren voor de boompjes hoog genoeg zijn om voor serieuze beschutting te zorgen. Maar tot die tijd is het een geruststellend idee dat we een echte noordwesterstorm blijkbaar ook heelhuids kunnen doorstaan.

Het enige puntje van aandacht is dat Joris níet thuis was. Die moest naar een conferentie in Berlijn. En laat de storm in Berlijn nu zijn aangewakkerd tot orkaansterkte. Zodat hij vanmorgen tevergeefs op het station stond voor de terugreis: alle treinverkeer van en naar Berlijn ligt plat. We hopen maar dat de Deutsche Bahn dat op tüchtiger Weise aanpakt.

Oogst

Ik schreef al eerder over de courgette- en pompoenplanten die ik zonder al teveel omhaal op een hoop stof en hooi had gepoot, met wat oude varkensmest als krachtvoer en verder niet al teveel verzorging.De courgetteplanten leverden meer dan voldoende courgettes op (hoewel ik één plant halverwege het seizoen onbedoeld onthoofdde toen ik een vrucht wilde oogsten). De patissons deden het vooral in juli en augustus dapper,  september was echt te nat voor deze zuiderlingen.

Maar de pompoenen ‘Warty Hubbard’ en ‘Pink Banana Jumbo’ vonden het geweldig. Ik was al zeer onder de indruk van de formaten die deze snelle groeiers konden bereiken in mijn Amersfoortse achtertuin. In 2015 heb ik ze geteeld op goedbemeste leemgrond bij een bevriende kweker – toen werden het echte joekels. Maar tot mijn verbazing doen stof en hooi (en een beetje varkensmest) daar blijkbaar niet voor onder als groeimedium!

Eén zo’n joekel ligt nog te rijpen en ééntje hebben we al op. Van de rest kunnen we tot april pompoen eten. De vraag is alleen: waar bewaar ik ze? In het vorige huis had ik een onverwarmde maar vorstvrije kamer boven, zónder muizen.  Maar nu…

Kachel!

Met zoveel hout van eigen land willen we natuurlijk in het nieuwe huis geen combiketel op gas meer ophangen. Sowieso hè, wie koopt er nog een gas cv? Dat is zóóó 2016!

In het nieuwe huis komt een hyperefficiënte massakachel met rocket-batch-box technologie, waarmee je met één mandje hout je hele huis 24 uur verwarmt. (Meer over verschillende soorten kachels kan je vinden op dit blog. Evelien komt tot dezelfde conclusie als wij). En het nieuwe huis wordt natuurlijk ook supergoed geïsoleerd. Dat is leuk en aardig, maar intussen moeten we komende winter nog even door in het oude huisje. Dat bestaat uit halfsteens muurtjes met een asbestplaat er tegenaan en dubbelglasramen waar je ook aan de buitenkant van het kozijn langs naar buiten kunt kijken.

Zo stond het kacheltje in de huiskamer op de dag van de overdracht, 11 april

De oude mijnheer had een houtkacheltje. Een best wel chique kachel, trouwens: een Intrepid II van Vermont Castings. Toen ik even ging googelen bleek het de Rolls Royce onder de kachels te zijn. Helaas was dit exemplaar niet zo goed behandeld. De buurvrouw had al gezegd dat als de oude mijnheer stookte de kamer blauw stond en het zelfs bij hen (100 m verderop) stonk. Geen wonder, want de kachel zat helemaal vol met as  en halfverkoolde sap-pakken en was van binnen voorzien van een dikke laag teer, terwijl ongeveer de helft van het kachelkoord ontbrak. Toen ik de kachel had leeggehaald bleken ook de stookstenen te ontbreken en de achterkant gescheurd te zijn doordat hij te heet gestookt was. “Niets meer mee te doen”, was het vonnis van de kachel-reviseur.

En dit zat er in…
Van buiten ziet het er nog redelijk uit maar het binnenwerk is helemaal stuk gestookt

Om even een massakachel te bouwen voor één winter gaat ons te ver. Dus hebben we een nieuw kacheltje aangeschaft. Een mooi klein gietijzeren Noors kacheltje (voor de kenners: de ‘Orion’ van Nordpeis). En de oude kachelpijp (die óók was voorzien van een centimeters dikke teerlaag, en die trouwens sowieso te smal was voor hedendaagse standaarden) vervangen door een nieuwe dubbelwandige flexibele pijp. Dat was trouwens wel even een gedoe, want de oude pijp was vastgezet in 15 cm dik, keihard gewapend beton. Geweldig, om daar liggend op je rug een gat in te proberen te boren. In dit geval liet ik de afdeling ‘steen en beton’ met liefde aan Joris over 🙂

schouw met oude kachelpijp
beetje creosootaanslag…

Kachel is één, hout is twee. Onze houtvoorraad is met het huis in Amersfoort verkocht. Sloophout is er in overvloed, maar het meeste is geverfd of behandeld en dat stoken we natuurlijk niet. En heel veel zit ook zó vol met spijkers dat je het bijna als oud ijzer kan inleveren. En dat zagen we liever niet. Maar er is De Abeel.

In het Staatsbosbeheer-bosje stond langs onze ‘oprit’ een abeel (soort populier) waar ooit de kruin was uitgewaaid en die nu op halfzeven hing. We vonden dat een risico, want als hij ooit zou omwaaien zouden wij ons land niet meer op of af kunnen. Dus Staatsberenbos gebeld. Niets meer van gehoord, tot op een ochtend er opeens een joekel van een hoogwerker stond. In no time hadden de mannen de hele kruin eruitgezaagd. “Mogen wij het dikkere hout?” vroeg ik. Dat mocht.

 

Dus Joris heeft een weekend staan zagen. Nu moet ik nog kloven en opstapelen. Van hout word je drie keer warm zeggen ze.

De katten zijn het in elk geval al helemaal eens met de aanschaf van de kachel.

 

 

 

Het Pad

Het is een poosje stil gewest op het blog. Niet dat er niets te doen was.

Afgelopen week stond – onder andere – in het teken van Het Pad. En het gebrek daaraan. Want nadat op 8 september (de natste vrijdag van de eeuw, of zoiets) het pad door de asbestmannen aan gort was gereden kon ik dus echt niet meer het terrein op of af met de bus. Want die stond bij het erf. Achter 300 meter bagger-pad. En het weiland was ook veel te nat en te zacht om door te rijden.

Joris was die dag natuurlijk naar zijn werk. Dus zijn auto stond bij de Ratellaan. Tien dagen moest hij, als hij ’s ochtends naar zijn werk vertrok (om 06.00) eerst in het stikkedonker (en de regen) over 250 m kletsnat weiland (waar het gras alweer kniehoog begon te worden) lopen. En dan de laarzen verwisselen voor droge schoenen…

’s Avonds in het donker met de fiets thuiskomen was trouwens ook een belevenis. Ik heb – heel ouderwets- een fietslamp op een dynamo. Gaat prima zolang je kunt doorrijden. Maar als je moet afremmen vanwege baggerpad, gaat je licht ook uit. En voor de goede orde: het is hier Serieus Donker. Geen straatlantaarn te bekennen. Ook geen lichtvervuiling dus, nog nooit zulke mooie sterrenhemels gezien. Maar intussen weet je niet wáár de voet in landt die je uitsteekt om je evenwicht te bewaren op die remmende fiets.

De kliko buiten zetten was trouwens ook een feest. En ga zo maar door.

We hadden nu dus besloten dat de loonwerker het hele pad maar moest verharden. En daarbij meteen de loop van het pad iets verleggen. Het pad liep namelijk wat eigenaardig: als je vanaf de Ratellaan kwam liep het eerste stukje links van (onze) houtwal, dan maakte het een slingertje, en dan ging het rechts van de houtwal verder. Waarom niet direct op eigen grond?

Dat wordt duidelijk als je de oude kaarten bekijkt (www.topotijdreis.nl). Oorspronkelijk lag er ook een boerderijtje op het perceel ten zuiden van het onze (‘De Bult’). Dus het pad liep eerst langs die boerderij (met een aftakkinkje), er liep een schelpenpaadje naar het boerderijtje op ‘De Hoogte’ en vandaar liep het pad verder naar onze boerderij. (De boerderijtjes op ‘De Bult’ en ‘De Hoogte’ zijn met de ruilverkaveling verdwenen, net als heel veel andere boerderijtjes.)

Maar in de huidige situatie was het niet logisch. En niet handig. Want het groot materieel dat wij over de vloer krijgen moet noodgedwongen wat afstand houden van de houtwal, al is het maar vanwege de hoogte. En daardoor schoven de bandensporen steeds verder het malse weiland van de buurman in. Vonden we geen goed idee.

Dus ik heb een dagje Rijkswaterstaat gespeeld en bedacht hoe de nieuwe loop van het pad moest komen. Daarvoor was ook wat snoeiwerk van de houtwal nodig, trouwens, want die was aan de binnenkant helemaal lekker uitgegroeid.

 

Daarna was het wachten op beter weer en op tijd in de agenda van de loonwerker. In de tussentijd heb ik de gesnoeide takken verhakseld tot mooi mulchmateriaal om straks de moestuinbedden mee aan te leggen.

Op 19 september kon de loonwerker beginnen. Ze hebben er twee dagen over gedaan, maar nu is er weer een pad! Wat heet pad, het voelt als een snelweg! Wat een luxe om met droge voeten naar de brievenbus te kunnen! (Hoewel ze het dit keer minder netjes hebben gedaan dan de eerste keer, het ligt nog wat hobbelig en er ligt nu wel een èrg brede strook zwarte grond langs. Maar de voorman heeft me bezworen dat er nog iemand komt om het netjes af te werken…)

Storm!

Gisteren was de eerste echte storm sinds we hier zitten. Spannend, want ik vroeg me al weken af hoe ons provisorisch gerepareerde dak het zou houden bij harde wind. Op sommige plekken bestaat het dak namelijk uit niet meer dan een plastic zeiltje. En op heel veel andere plekken hoeft er maar één dakpan scheef te waaien of een zeiltje om te slaan om enorm veel regen naar binnen te laten lopen. Erg fijn dus dat er een overzichtelijke storm kwam: één dag en met de hardste wind ook nog overdag. Kon ik mooi in de gaten houden wat er gebeurde.

Dat gaf bovendien ook de kans om lekker over het terrein te lopen en er daar achter te komen waar het het hardste waait. Gek genoeg lijkt zo’n storm (en de regen) altijd erger als je binnen zit dan wanneer je er daadwerkelijk in loopt. En zelf vind ik het dan op het platteland ook nog minder erg dan in de stad.

(Kleine kanttekening: het was minder aangenaam om erachter te komen dat van de twee paar oude laarzen die hier staan één rechter en één linkerlaars lek bleek te zijn. Oké, het was nog vervelender als er twéé rechter- of linkerlaarzen lek waren geweest. Dan had ik moeten hinkelen. Nu liep ik wat onevenwichtig door het veld met één halfhoge laars maat 41 met een dunne sok en één hoge laars maat 43 met twee paar dikke sokken erin. Op het lijstje ‘kopen’: nieuwe laarzen.)

Het is meteen te merken dat onze houtwallen (en de houtwallen verderop) héél veel wind breken. En de Grote Eik beschermt het erf tegen de hardste windstoten. Ze maken veel lawaai, maar als je erachter staat merk je eigenlijk relatief weinig van de wind. Nou ja, het waaide natuurlijk wel hard, maar niet dat je van de voet geblazen wordt of zo. De wind is hier duidelijk minder dan aan de kust van Noord-Holland (waar ik opgroeide). En je hebt niet van die vervelende wervelingen en ‘windtunnels’ die tussen de bebouwing in de stad kunnen ontstaan.

Natuurlijk: alles wapperde en klapperde wel. En op een zeker moment schoot één stuk plastic (dat na de asbestsanering de waterkerende functie voor een stukje stal heeft overgenomen) los. Gelukkig was ik er toen bij, dus kon ik het snel weer vastzetten met ducttape en nietjes.

De fantastische daglicht doorlatende oplossing bij de hoge deuren in de wagenschuur: plastic met ducttape en een oud douchegordijn met badeendjes 🙂

So far, so good! Enige kanttekening is nog wel dat dit een zuidwesterstorm was. Van een storm die uit het westen tot noordwesten komt zullen we meer last hebben. Aan die kant ontbreekt onze eigen houtwal en is het landschap ook een stuk ijler. En noordwesterstormen houden meestal langer aan dan één dag. Dus we duimen nog even door voor een paar rustige (en zachte) winters, tot de bouw klaar is.

Ik duim trouwens ook voor droog weer. Vooralsnog wordt er alleen maar regen en nog meer regen voorspeld. Dat betekent dat het nog wel even zal duren voor de loonwerker ons pad kan komen repareren.