Landschapsbeheer

Het is heel koud. Maar nu de zon weer schijnt kunnen we weer genieten van het mooie landschap in De Hoeve. Hoewel onlangs weer bleek hoezeer dat landschap onder druk staat. En niet alleen vanuit wens tot bebouwing of intensief agrarisch gebruik. Maar gek genoeg ook vanuit het natuurbeschermingsbeleid.

Als je ‘ons’ deel van de Ratellaan afrijdt, kom je op de Jokweg. Tegenover je zag je dan een prachtige houtwal met een rij oude eiken, die tegen het zuidelijk deel van de Ratellaan aanliep. Dit plaatje is van Google Maps.

Helaas kan ik geen betere foto laten zien. Want toen ik er zondagochtend liep, zag ik opeens dit:

Zeven van de grote eiken waren gekapt. Vreemd. Gemeente Weststellingwerf heeft het landschap hoog in het vaandel staan. Zouden die zomaar toestemming geven om grote bomen te kappen? Navraag bij buren leerde, dat Landschapsbeheer Friesland er bij betrokken zou zijn. Die organisatie ken ik intussen redelijk goed.

Vorig jaar april, een week nadat we de sleutel van onze plek hier kregen, werd er contact opgenomen door Landschapsbeheer Friesland. Of ze onze houtwal mochten opnemen in een monitoringsproject voor broedvogels.  Daar was ik natuurlijk direct enthousiast over. Ze hebben een aantal opnames gemaakt bij onze houtwal, en er ook dit filmpje opgenomen.

Ook hebben we afgesproken dat Landschapsbeheer Friesland, in het kader van een Europees landschapsherstelproject, hier het één en ander aan aanplantwerkzaamheden zal doen en de poel dieper uitgraven. Kortom, tot nu toe heel plezierig contact.

Maar toen we het hadden over  het beheer van onze houtwal, hadden we toch een wat ander standpunt. In het verleden werden houtwallen met enige regelmaat ‘afgezet’ (afgezaagd). De stobben lopen dan weer uit. Dat levert een biotoop op voor veel insecten en zangvogels. In onze houtwal is dat al lang niet meer gebeurd. Maar volledig afzetten betekent ook dat het hele dorp uitkijkt op ons perceel en dat de zuidwestenwind vrij spel krijgt. Dat willen we niet. En de wildernis die er nu is ontstaan heeft ook een waarde. Bijvoorbeeld als schuilplek op voor andere soorten. We zien regelmatig reeën lopen.

Wij zullen dus zeker wel hout oogsten van onze houtwal, maar we willen die niet volledig afzetten. Hij heeft immers een belangrijke landschappelijke functie: het waarborgen van onze privacy en het breken van de wind.

Hier in de omgeving van De Hoeve zijn met de ruilverkaveling relatief veel houtwallen gespaard. Er zijn destijds zelfs bosjes aangeplant. De ruilverkaveling rond De Hoeve werd destijds dan ook veel aangehaald als een schoolvoorbeeld van een ruilverkaveling met oog voor landschappelijke waarden. In de ‘Atlas van het Landschappelijk Groen Erfgoed in Nederland‘ staat dit gebied niet voor niets aangegeven als landschap met waardevolle oude boskernen, heggen en houtwallen.

Doordat de houtwallen vervolgens niet allemaal meer even regelmatig werden gekortwiekt, zijn op sommige plekken prachtige rijen oude bomen ontstaan. Misschien wat anders dan een ‘houtwal’ volgens het (huidige) boekje van die natuurbeschermingsorganisaties, maar landschappelijk zeker even fraai. Ze vormen een mooie aansluiting op de – inmiddels volwassen – wegbeplanting, die in de jaren 1920 in het kader van werkverschaffing is aangebracht.

Ook op ons perceel staan zulke rijen eiken, die eigenlijk voormalige houtwallen zijn:

Op Google Maps is mooi te zien hoe het dorp ligt ingebed in het groen. Naarmate je het dorp nadert wordt de verkaveling kleinschaliger en zijn er meer houtwallen en meer oude bomen. Als een soort aankondiging vanuit het landschap dat je de bewoonde wereld nadert.

Zo ook de houtwal die je zag vanaf de kruising Jokweg-Ratellaan. Tot afgelopen zaterdag. Toen zijn er dus zeven van de mooie oude eiken gekapt. En dat blijkt nu in het kader van natuurbeheer te zijn. Landschapsbeheer Friesland en het collectief voor agrarische natuurverenigingen Elan hadden hier een contract gesloten met de pachter van het perceel.  In het kader van het ‘sturen op door de provincie vastgestelde doelsoorten’ moet de pachter dan, in ruil voor subsidie, het door Landschapsbeheer Friesland en Elan vastgestelde beheer uitvoeren. In dit geval dus wat ze noemen ‘eindkap in het kader van cyclisch beheer’. Ze hebben er een brochure over.

Wat mij betreft is dit het kind met het badwater weggooien. Deze eiken hebben er zestig, misschien wel tachtig of honderd jaar over gedaan zo groot te worden. Ze hebben de ruilverkaveling overleefd. En nu worden ze in één ochtend omgezaagd, omdat de provincie, Landschapsbeheer  en de agrarische natuurvereniging momenteel een beleid hebben waarin op slechts zes ‘soorten elementen’ wordt gestuurd:

  • Houtwal en –singel
  • Elzensingel
  • Hakhoutbosje
  • Bosje
  • Bomenrij en solitaire boom
  • Poel en klein historisch water

En voor ieder element slechts één beheermethode mogelijk is. Voor houtwallen betekent dat: een ‘eindkap’ eens in de 25 jaar, een tweede kap na 14 jaar.  Zo moet het en niet anders. In mijn ogen is juist een rijkgeschakeerd landschap, met allerlei verschillende elementen, fraai en nuttig voor mens en dier.

Bovendien heeft ieder element zijn eigen verhaal. De ene houtwal werd vaker afgezet, omdat de boer een toepassing had voor het hout. De andere wat minder, omdat grotere bomen op die plek handig waren om de wind te breken, of omdat de boer vond dat zijn koeien schaduw nodig hadden op warme dagen. Op een derde houtwal heeft in het verre verleden een zekere Krelis, heel ongebruikelijk, populieren geplant, omdat Krelis’ vader klompen maakte en daarvoor populieren gebruikte. Noem maar op. Door naar de functie en geschiedenis van een element in zijn eigen context te kijken kan je maatwerk leveren en behoud je de individualiteit van het landschap en de verhalen die daarbij horen.

Zo is dus een houtwal bij het dorp in mijn ogen wat anders dan een houtwal in het buitengebied. Maar omdat er nu toevallig wordt gestuurd op enkele bepaalde doelsoorten is het blijkbaar niet mogelijk hier maatwerk in te leveren. Alsof we niets hebben geleerd van de ruilverkavelingen, die in grote delen van Nederland het landschap hebben gladgestreken en geüniformeerd.

Om nog maar niet te spreken over de waarde van (grote) bomen an sich, onder meer om CO2 vast te leggen. Die waarde werd toevallig juist vandaag weer eens belicht in dit artikel van De Correspondent. We spreken kwaad van landen die hun tropisch regenwoud kappen en gooien de paar volwassen bomen die we zelf hebben om.  En dat in een gemeente die in 2030 100% ‘klimaatneutraal’ wil zijn en in het kader van ‘natuurbeheer’. Godgeklaagd vind ik het.

(En áls je dan per se grote bomen moet kappen, gebruik het het hout dan voor een hoogwaardige toepassing, in de bouw of meubelmakerij. Daar importeren we nota bene hout uit Oost-Europa voor! Deze grote eiken worden in stukjes gezaagd en tot kachelhout verwerkt. De uitvoerder heeft -natuurlijk- geen contacten en faciliteiten om het op te slaan en te laten drogen zodat er balken en planken van gezaagd kunnen worden. Maar je zou toch zeggen dat zo’n wat grotere organisatie dat dan ook kan faciliteren? Had geïnformeerd in de buurt – misschien hadden wij wel graag ons gebint ervan laten maken.  Juist van zulke relatief dicht op elkaar staande en dus recht gegroeide bomen had dat gekund. Maar daarvoor is het nu ook al te laat.)

Voor deze houtwal is geen redding meer mogelijk. Inmiddels heeft de pachter nog meer bomen omgezaagd. Logisch, hij zit aan zijn contract vast. Maar we gaan met een aantal buren en de groencommissie van het dorp wel in gesprek hierover met Elan, Landschapsbeheer en de gemeente. Hopelijk worden dan niet op een kwade dag nog meer dorpssieraden platgelegd in het kader van een ‘verbetering’.

 

 

Snipperdagje(s)

Hoera, de zon schijnt! Tijd om iets te doen aan de enorme berg houtsnippers die al tijden ons pad verspert. Waarom?

In mijn moestuin had ik altijd paden van houtsnippers. Heel handig, makkelijk bij te houden, de grond wordt beschermd tegen uitdrogen, de verterende snippers geven (heel langzaam) voedingsstoffen en humus af aan de grond en dat beetje onkruid wat er in op kwam was betrekkelijk makkelijk uit te trekken. Eéns in de twee, drie jaar een nieuwe lading snippers erop en klaar is Kees. Dus dat wilde ik weer.

Uit ervaring weet ik, dat je moet zorgen dat je snippers zónder blad hebt. Als er erg veel blad, zaagsel en andere ‘prut’ tussen de houtsnippers zit, loop je in no-time over een verende composthoop. Om die reden heb ik wel eens een hele lading gezeefd. De grove snippers konden op het pad en het fijne materiaal was mooi om mee te mulchen.

Dus ik bestelde altijd pas nieuwe snippers in november of december, als het blad van de bomen was. Dan werd er een berg heerlijk ruikende, verse houtsnippers voor de voordeur gedumpt en was ik een dag bezig om dat allemaal naar achterin de tuin te kruien.

Hier moest ik op zoek naar een nieuwe leverancier. Die was makkelijk te vinden en kon  wel even 6 m3 snippers komen brengen. Ik wees waar het moest komen,

“Doe wel voorzichtig”, zei ik nog van tevoren “ons weiland is héél nat en modderig. Misschien is het nog het makkelijkst om achteruit het pad op te rijden, dan blijf je met de auto op het pad en kan je ze er makkelijk op de juiste plek uit kiepen. ”

“Geen probleem! riep de leverancier. “Ik heb dat al wel duizend keer gedaan!” Hij reed op volle kracht het weiland in om te keren en zat onmiddellijk vast in de modder.  Toen moesten de snippers dus op die plek van de aanhanger af gekieperd, want anders was hij er nooit meer uitgekomen.

Dat kostte toch al ruim anderhalf uur gezwoeg met planken en scheppen snippers en voorzichtig proberen. De chauffeur was een non-stop kletskous op hoog volume en zijn “Nou, dan heb ik het toch een keer verkeerd ingeschat” veranderde gaandeweg in “Ja, het was ook echt niet te zien dat het hier zó modderig was” tot “Je had me wel mogen waarschuwen, jullie hebben wel hele rare grond.”  Ik was erg blij toen hij eindelijk het weiland uit was en in het halfduister wegreed.

Toen hadden we dus een omgeploegd stuk nieuw microreliëf vlak voor het huis en een berg snippers op het pad. En ik zag het direct al: geen verse snippers.

“Nee, je hebt geluk dat ze er nog zijn.”riep de leverancier (hij was toen nog maar net vastgelopen en nog in een redelijk humeur). “Het is het laatste restje, in februari krijg ik weer nieuwe.”

Dus oude snippers, die al een half jaar op een hoop lagen, mèt veel blad, zaagsel en andere prut ertussen. Dat zou weer zeven worden. Ik hoopte dat het een beetje droog weer zou worden. Maar dat werd het dus niet: daarna bleef het semi-permanent regenen.  De snippers hebben zich boordevol vocht gezogen, zijn zwaar en plakken aan elkaar.

Maar nu zijn de moestuinbedden (bijna) af en kan ik het niet meer uitstellen. Van een oud kwekerskratje en een stuk kuikengaas heb ik een mooie zeef gemaakt.

Drie scheppen in de zeef, één minuut schudden, grote snippers in een kruiwagen. Tien kratjes is één kruiwagen grote snippers en een halve kruiwagen kleine snippers.

Het klinkt als niet veel, maar als je voorovergebogen over een kruiwagen staat gaan drie scheppen snippers na een poosje behoorlijk zwaar wegen.

Gekkenwerk eigenlijk. Maar schep voor schep, kratje voor kratje, kruiwagen voor kruiwagen, meter voor meter, vorderen de paden in de moestuin en wordt de berg snippers kleiner.

Op die paden heb ik dit keer trouwens, na lang twijfelen, wel anti-worteldoek onder de houtsnippers gelegd. Ik weet nu al dat ik mezelf vervloek als ik dat spul er over een paar jaar probeer uit te halen en overal plastic rafels blijven zitten. Maar  ik weet ook dat ik mezelf zal vervloeken als het kweekgras dóór de houtsnippers heen zou blijven opkomen van de zomer, wat dan vast het geval zou zijn.

En wat doe ik met de kleine snippers en ‘prut’? Die zijn voor de fruitbomen.

Op de voedselbossen-cursus die ik een jaar geleden deed, leerde ik dat er een groot verschil is tussen het bodemleven in een bos en onder een grasland. In een bosbodem heb je een schimmelgedomineerd bodemleven. Boomwortels gaan een samenwerking aan met die schimmeldraden: mycorrhiza. De schimmeldraden functioneren als transportnetwerk, waarlangs vocht en voedingsstoffen getransporteerd worden.  Op die manier ‘eten’ de bomen in een bos niet alleen met hun eigen wortels, maar via een veel groter netwerk (tot wel 40 meter afstand!) Dat maakt ze natuurlijk veel beter in staat om schommelingen in temperatuur en aanbod van vocht en voeding te weerstaan.

Onder gras houden schimmels het niet uit. Ze kunnen niet tegen de UV-straling van het zonlicht, dat door het dunne laagje gras de bodem in dringt. Dus onder grasland krijg je een bacteriegedomineerd bodemleven. Eigenlijk is het beeld van de boomgaard met solitaire bomen in het gras dus helemaal niet logisch. Bovendien concurreert het gras met de ondiepe wortels van fruitbomen.

Daarom geef ik mijn fruitbomen een stukje instant bosbodem. Na het planten leg ik rondom de stam karton, net als in de moestuin. Het gras houdt het daaronder niet uit en sterft af door gebrek aan licht. Daaroverheen komt een laag  gehakselde bramen, blad en/of fijne houtsnippers. Er zit al aardig wat schimmel in de snippers, zag ik.

(De groen-georiënteerde lezer roept nu meteen: “Krijgen je bomen dan geen stikstoftekort?!” Ik verwacht dat dat wel meevalt.  Zolang ik de snippers maar niet dóór de grond werk. En het gehakselde materiaal van bramen en brandnetel bevat, verwacht ik, ook zelf al de nodige stikstof. Ach, vergeleken met de natuurlijke groeiomstandigheden van de wilde appel valt hier de stikstof met de regen uit de lucht.)

Volgens alle theorieën zou dit de fruitbomen goed moeten doen. Met hun voetjes in een bosbodem en hun hoofd in het zonlicht, net als op hun natuurlijke standplaats aan de rand van het bos. Ik ben benieuwd!

Winterse perikelen

Het valt natuurlijk nog alleszins mee. Maar afgelopen week hadden we toch wal speldenprikjes ‘winter’. Op zich niet eens zo erg, eigenlijk was het een verademing om af en toe zon te hebben in plaats van semi-permanente horizontale regen. We waren bijna vergeten hoe mooi het er hier dan uit ziet!

 

Maar een beetje bar was het wel. Dat je op het composttoilet zit en dat het kopje om het ‘vloeibaar’ gedeelte weg te spoelen zit vastgevroren in de emmer water. De eerste ochtend kreeg ik het (met behulp van mijn hak) nog wel los uit het ijs, maar er kwam een moment dat alles stijf bevroren was. Gelukkig duurde het niet zo lang.

(Ons composttoilet heeft een separatie-systeem. ‘Vloeibaar’ wordt middels een slang aan de voorkant weggeleid naar een oude septic tank; ‘vast’ komt in een emmer en dient afgedekt te worden met een beetje zaagsel. Dat werkt werkelijk uitstekend  – ook in de zomer hadden we géén stank en géén vliegen. Die emmer leeg ik in een speciaal compostvat: deze compost gebruiken we niet in de moestuin, maar misschien bij de fruitbomen of zo.)

De kou op het toilet deed me ook denken aan een boek van Roald Dahl, over zijn traumatische kostschool-ervaringen. Hij beschreef daarin hoe kleine jongens de wc-bril moesten voorverwarmen voor de grote jongens. Dat vond ik destijds  wonderlijk: het voelt altijd een beetje vies als je op een warme bril gaat zitten. Maar nu begrijp ik het. Als de temperatuur in de wc namelijk gelijk is aan de buitentemperatuur (en dat was in die kostscholen geloof ik ook het geval) dan is he bij vrieskou nauwelijks te gebruiken. Zodra je met je blote billen op die ijskoude bril gaat zitten trekt als reactie daarop alles samen. Van de benodigde ontspanning om te doen wat je moet doen komt dan niets meer… Nu begrijp ik dus ook waarom je ook kon kiezen voor een wc-bril van piepschuim bij het separatie-systeem. Helaas kozen wij voor goed schoon te maken, maar ’s winters dus ijskoud plastic.

Verder valt het, dankzij het kacheltje, redelijk uit te houden. Alleen het hout gaat nogal hard. We hebben massa’s gekloofd en gezaagd hout, maar dat is van dit seizoen en dus nog niet droog. En we hebben ook massa’s droog en onbehandeld hout, maar dat zit nu nog in de boerderij verwerkt. Hopelijk redden we het net. En anders worden de balken en planken van de oude mijnheer die we hadden bewaard voor ruw timmerwerk alsnog brandhout.

En het is wennen aan de koude vloer. Voor het woongedeelte hebben we nu een warm wollen kleed gekocht.   En overdag draag ik met wol gevoerde laarzen. En bij voorkeur  wollen sokken. Ik had een hele voorraad, ooit met liefde gebreid door de oma van een aangetrouwd familielid. Helaas slijt ik nogal snel door de hielen heen. En sokken stoppen (of breien) valt niet  onder mijn talenten. Gelukkig stuurde mijn nicht uit Noorwegen me nog een paar toe als kerstcadeau.

Kortom, alles gaat goed, maar het moge duidelijk wezen dat wij reikhalzend naar de eerste lentedagen uitkijken.

Wagenpark

Hmmm, we wilden toch ecologischer gaan wonen en leven? Maar inmiddels hebben we in plaats van één, al drie gemotoriseerde voertuigen.

Tja, we kwamen er wel achter dat een trekker héél erg handig gaat zijn. Want als we straks gaan bouwen moeten hier natuurlijk heel veel bouwmaterialen bezorgd worden. En die komen meestal met een vrachtwagen. Maar vrachtwagens langer dan 10 meter kunnen helemaal niet bij ons huis komen.  Ze kunnen de bocht de Ratellaan op niet eens maken, vanwege de grote bomen die daar staan.

Tot nu toe moesten we dan telkens een beroep doen op onze boer met zijn shovel. Met de boedel hebben we een platte kar geërfd (één van de weinige zaken die ons echt handig leken). Dat is een handige manier om de bouwmaterialen het laatste stukje vanaf de openbare weg te vervoeren. Moet je dus wel een trekker hebben.

Verder kan je met een trekker… trekken. Aan grote zaken (sinds we met veel moeite de zware hulststam verplaatst hebben zijn mijn rechterschouder en pols geblesseerd). Je kunt er grond mee verplaatsen (er zit een voorlader op, nu nog effe een grondbakkie op de kop tikken). Of houtsnippers. Of puin. Je kunt er mee maaien (als we een maaimachine zouden hebben, maar die hebben we dan weer weggegeven, het exemplaar dat we vonden leek me dè manier om van je vingertoppen af te komen). Of hooi schudden (de hooischudder hebben we gehouden!)  En je kunt er, heel belangrijk, de postbode mee lostrekken als die weer eens vast komt te zitten.

Kortom, weer een gemotoriseerd voertuig aan het wagenpark toegevoegd.Met dank aan een dorpsgenoot die in trekkers bemiddelt (en ze ook opknapt en repareert!) Een Renault 551.  Met een motor van 55 pk.

“Tjonge'”zei ik “Betekent dat dat we nu ongeveer 55 paarden gekocht hebben?” Maar naar het schijnt is 1 pk niet echt het equivalent van een stevig Fries boerenpaard. Meer het equivalent van een verkouden shetlandpony. Op een slechte dag op de manege. Als het regent. En met een kleuter op zijn rug.  Evenzogoed, 55 pk is een behoorlijke hoeveelheid til-en-trek-hulp.

Nu nog leren om er mee om te gaan.

Welstand, beton en het weerbericht

Goed nieuws wat betreft het ontwerp voor onze nieuwe woning: in het vooroverleg was de gemeente overwegend positief. Behalve de gemeente (die vooral kijkt of het in het bestemmingsplan past) gaf ook de welstandscommissie een ‘voorlopig advies’. Meer dan voorlopig kan natuurlijk nog niet wat we hebben alleen nog maar een schetsontwerp. Ik wilde graag mee, want voor mijn werk heb ik het wel eens over de rol van de welstandscommissie. Interessant om het dan nu eens van binnenuit mee te maken!

De commissie bestond uit twee heren (uiteraard…) en een ambtelijk secretaris (een gemeente-ambtenaar dus). Van tevoren hadden de architect en ik de welstandsnota (uit 2003) natuurlijk goed bestudeerd. We verwachtten weinig problemen. Wij doen júist ons best om een huis te maken wat lijkt op de traditionele boerderijen uit de streek, maar dan veel energiezuiniger en gemaakt met natuurlijke materialen. Dat past prachtig binnen de ambities over de identiteit van de streek, klimaatbestendigheid en een circulaire economie, zoals de gemeente die in de nieuwe Omgevingsvisie heeft verwoord.

Eigenlijk is het enige punt in ons ontwerp wat niet strookt met de welstandsnota, dat ons hele huis bekleed wordt met zwart potdekselwerk. Traditioneel werd vaak wel potdekselwerk voor het stalgedeelte van een boerderij gebruikt, maar werd het voorhuis opgetrokken uit duurdere (dus chiquere) baksteen. Wij willen zo min mogelijk baksteen gebruiken. Voor het onderste deel van de muur (waar vocht uit de grond kan optrekken) ontkom je er niet aan (het zogeheten ‘trasraam’), maar daarboven wordt het kalkhennep. En dat moet worden afgewerkt met een beschermlaag die water keert, maar waterdamp ongehinderd doorlaat. Dampopen bouwen dus. Potdekselwerk is daar bijzonder geschikt voor en geeft dit nieuwe bouwmateriaal een heel traditionele ‘look’.

Zou je er een wand van baksteen en cement omheen zetten, dan gaat dat element van damp-openheid verloren. Dan gaat het vocht wat ontstaat door koken, douchen en ademen zich ophopen op de grens van baksteen en kalkhennep, wat voor schimmelvorming en ellende kan zorgen. Om dat te voorkomen moet je dus een krachtig mechanisch ventilatiesysteem installeren. Waarmee weer warmte verloren gaat. Dan kom je uit bij een balansventilatiesysteem met warmtewisselaar…. duur, kwetsbaar, het kost elektriciteit en het is veel elektronisch geregel. Dat wilden we nu juist niet.

Maar ja, in de welstandsnota staat dat het woongedeelte “in steenachtig materiaal” wordt opgetrokken. En één commissielid vond dat toch wel heel belangrijk. Het andere commissielid vond dat grote onzin en stelde voor  de gemeente te adviseren om de welstandsnota op dit punt aan te passen. Na enig heen en weer discussiëren kwam het advies er op uit dat ‘wellicht  op andere wijze kan worden voorzien in het door de gebiedscriteria beoogde bebouwingsbeeld’. Met andere woorden: de suggestie van een ‘voor’gevel kan misschien toch ook wel op een andere manier gemaakt worden. Door meer glas, meer detaillering van de goten en misschien en dakkapelletje op de kopse gevel. Prima. Daarmee kan de architect weer verder.

Ik ben ook druk bezig met installateurs en constructeurs, want in deze fase van het ontwerp moeten die ook een rol spelen. Jammer is dat de hele bouwwereld het razend druk heeft. Alleen al offertes opvragen is een klus van wéken…

Maar goed, intussen zijn er klussen genoeg om ons mee bezig te houden. Vorige week is in de mooie bekisting die we hadden gemaakt het beton gestort. (Helaas heb ik daar geen foto’s van. Zelf was ik een weekje er tussenuit: helpen met de lammertijd op een bevriende geitenboerderij. En Joris was te druk bezig met kruiwagens beton en koffie en stroopwafels voor de hulpploegen om foto’s te maken.) Dat ligt nu uit te harden en te wachten tot we het onderste deel van de fundering kunnen metselen. Dat duurt nog even, want er is vorst voorspeld, tot ons grote ongenoegen.

Al onze (water)systemen hangen van kunst en vliegwerk aan elkaar en zijn dus niet echt vorstbestendig. Natuurlijk is de klimaatverandering geen goede zaak, maar de tot nu toe zachte winter kwam ons niet slecht uit.  In afwachting van de voorspelde dagen echt winterweer rennen we koortsachtig rond om ‘hittelint’ rond gasflessen te bevestigen, kwetsbare planten naar binnen te halen, wassen te draaien zolang het nog kan, hout te kloven en verlengsnoeren uit te rollen voor het ‘kippendrinkbakjes-ontdooiertje’.

Van bomen planten zal weinig komen de komende week. Gelukkig zijn er altijd nog wel andere klussen…