Water is leven (2)

We hebben een bron!

Het landgoed zucht en steunt onder de droogte. De mooie grote kers laat zijn blaadjes vallen of het herfst is. In de houtwallen is zoveel blad afgevallen dat je er dwars doorheen de huizen van het dorp ziet (vorig jaar was het een groene muur tot eind oktober). De lijsterbessen hebben het meeste last, die zien eruit alsof ze dood zijn.

In de moestuin heb ik verschillende gewassen maar gewoon opgegeven, die zijn niet meer te redden. Het gras op het erf is eerst dood gegaan en toen stuk gelopen. Het erf is nu een zandbak. (Dat wordt weer fijn van de winter, dan zal het weer één modderpoel zijn.) Alles is bedekt met een laagje zwart stof: de humus uit onze grond.

      

En al het water moest uit de waterleiding komen. (Hoe de oude meneer het in vredesnaam deed in een droge zomer met enkel die twee regenbakken en koeien en een moestuin, daar breken we  ons werkelijk het hoofd over…)

Een vriend van me heeft een buurman die hydrotechnicus is. Op aanwijzingen van de buurman had de vriend zelf een bron geslagen in de achtertuin, met onbeperkt prachtig helder, koud water. Dat wilde ik ook wel!  De buurman wilde het zelf ook wel komen doen voor een zacht prijsje, samen met zijn zoon.

   

Vorige week donderdag kwamen ze, gewapend met grote buizen en een aanhanger vol materiaal. Maar in tegenstelling tot Bennekom, waar de vriend en de buurman wonen, bestaat hier de grond niet enkel uit zand, maar uit zand en leem. Keileem. Met keitjes erin dus. Die blijven hangen in de puls. Na een hele dag pulsen (bij 35 graden in de schaduw!), was het nog niet gelukt om een  pakket aan te boren dat voldoende doorlatend was voor een bron.

Afgelopen vrijdag een nieuwe poging, met een ander soort boor. Ze moesten tot 14 meter diep gaan, en zelfs deze boor had moeite met de  keien die hij tegenkwam. Gelukkig geen echt grote blokken. Aan het eind van de dag was het even spannend… we dachten dat hij wéér geen water gaf… maar het lukte! Nu kunnen we eigen grondwater oppompen!

Er zit wat leem in het water, en vrij veel ijzer, maar verder is het goed. Waarschijnlijk kunnen we het, als we er een ontijzeringsinstallatie achter zetten, ook gebruiken voor de wc in het nieuwe huis. Die wilden we met regenwater gaan doorspoelen. Maar dan moet er een tank worden ingegraven op het erf. En de tank en de bezorging en het graafwerk gaan bij elkaar veel meer kosten dan een ontijzeringsinstallatie. (Nog los van alle problemen met vrachtwagens die ons pad niet op kunnen, oude septic tanks die nog in de grond in het erf zitten en dergelijke.) We voeren geen water af van het perceel: al ons afvalwater komt, na zuivering door het helofytenfilter, weer terug in het perceel. Dus feitelijk gebruiken we de grond dan als opslagtank.

De nieuwe locatie is iets moeilijker bereikbaar met de trekker dan de ‘bouwput’ waar het kraanwater zit, dus het blijft een enorm karwei om de boompjes van water te voorzien. We moeten nog een waterleiding aanleggen naar een tappunt waar we goed bij kunnen. Voorlopig is het nog veel heen en weer rijden. Ik vraag me af wat er over blijft van het historische microreliëf. Eén voordeel: ik leer heel goed manoeuvreren met de trekker.

De moestuin is met de tuinslang goed bereikbaar vanaf de pomp. Eens zien of het lukt om die te laten herleven! Jammer genoeg zit er waarschijnlijk nog  teveel zand / leem in het water om de zwenksproeier erop te zetten.

 

Heet!

Wat een zomer… Afgelopen donderdag en vrijdag waren werkelijk niet te harden. In de schaduw liep de temperatuur op tot 36 graden. Wat het in de zon was wil ik niet eens weten. Dus de moestuin heeft een behoorlijke hitte-schok gehad. Erg mooi ziet het er niet meer uit.

\

    

Sowieso doet ons domein momenteel sterk denken aan Australië. In december 1997 reisde ik daar enkele weken met een soort ‘kermisgroep’ mee, naar afgelegen plaatsjes in de outback van New South Wales, waar helemaal nooit iets gebeurde behalve één keer per jaar de ‘rodeo’. Daar kwamen wij dus voor, met een prijsschiettent, een snackbar en dergelijke. Dat was één dag en avond hard werken met veel opwinding, de volgende dag opbreken en úrenlang met 80 km / uur rijden naar het volgende minuscule plaatsje in-the-middle-of-nowhere. Daar brak dan een periode aan van voornamelijk wachten; de volgende rodeo was natuurlijk ook pas weer op zaterdag. Het landschap bestond uit geelgeblakerd gras met een zinderende zon erboven en de temperatuur in de caravan die mij was toebedeeld liep op tot boven de 40 graden (de kermismensen zelf hadden luxe woonwagens met airco).  Het was een ervaring, maar niet één die ik nu per se hoefde te herhalen. En ook niet één waarvan ik had verwacht dat de verhuizing van Friesland me eraan zou herinneren.

Zaterdag kregen we zowaar een paar buien. Omdat we nog altijd niet weten hoe we het gaan oplossen met de dakpannen liggen er tijdelijk zeilen over het dak van de werkplaats.

Werkplaats

Yesss! Vandaag heeft Joris het laatste potdekselplankje op de buitenkant van de werkplaats geschroefd. Dat was héél veel werk, hij is er bijna twee weken full-time mee bezig geweest. Met de hitte trokken de planken krom (of misschien waren het toch niet zulke goede kwaliteit planken als bij de vorige werkplaats…). En het is héél veel passen en meten, steiger op, steiger af…

\

 

Nu is de buitenkant af, op de dakpannen na. Normaal gesproken doe je die éérst, zodat het dak dicht is. Maar het regende toch niet. En het is makkelijker om de aansluiting van de muren en het dak bovenaan te maken als je van onder naar boven werkt.

Bovendien zijn die pannen nog een beetje een logistiek dingetje. We  willen namelijk graag rode pannen op de schuur. Maar die liggen nu nog op de stal en op het huisje. En als we die nu er al af halen en het gaat (eindelijk) regenen, dan hebben we wel een probleempje. Want vóórdat alles over kan naar de werkplaats moet eerst de binnenkant nog afgemaakt worden.

We hebben wel de oude zwarte pannen, van de vorige schuur. Dus waarschijnlijk wordt het deels zwarte pannen en deels zeil, voorlopig.

Rob en Roos hebben alvast geholpen om één wand zwart te schilderen. Het begint er op te lijken!

Droog!

Zó staat de helft van je land onder water, en zó heb je, amper een half jaar later, een dagtaak aan het water geven van je nieuwe aanplant. Het moge duidelijk zijn dat het klimaat echt aan het veranderen is.

Momenteel is ons land helemaal geel. De boompjes zijn nog wel groen, maar ik ben dan ook de hele dag bezig met water geven. We vullen de IBC-containers met (helaas leiding-)water , zetten ze met de trekker bij de bomen en leggen dan steeds een half uur, drie kwartier een slang bij een boom. Dat betekent dat ik intussen wel iets anders kan doen, maar telkens moet ophouden om de slang te verleggen (of de hele container te verzetten of opnieuw te vullen). Maar op die manier zakt het water precies ter plaatse van de boomwortels langzaam (dus diep) de grond in, in plaats van over de uitgedroogde grond weg te lopen zodat alleen het oppervlak vochtig wordt. Dat water aan het oppervlak verdampt namelijk ook weer snel. Bovendien stimuleer je dan dat de boomwortels ook oppervlakkig groeien. Met mijn methode moeten ze wel naar beneden. En zo kunnen ze volgende droogteperioden beter weerstaan. Als ze deze overleven…

Voor het eerst in mijn moestuincarrière (en met zware gewetenswroeging) giet ik met leidingwater in de moestuin. Zeer beperkt. Dus de vroege aardappels en de uien zijn inmiddels gerooid (en het ziet er naar uit dat de bewaaraardappels dit jaar ook een heel vroege, maar heel kleine oogst gaan geven). Maar ik durf eenvoudigweg geen prei en boerenkoolplantjes uit te planten in de vrijgekomen bedden. Het kost al moeite genoeg om alles in leven te houden zonder dat ik de wortels beschadig. En dan is er ook nog een hittegolf voorspeld!

De lathyrus bloeit desondanks schitterend.

Een voordeel van het droge weer is dat Joris zich met het bouwen kan bezighouden zonder zich te bekommeren over de volgorde ‘eerst het dak, dan de muren’ of over het ’s avonds opruimen van gereedscap. Inmiddels zijn de muren aan drie kanten helemaal voorzien van isolatie en afgewerkt met potdekselplanken. Dat is veel precisiewerk, met lastige randjes en hoekjes en gaat dus langzaam. Maar het wordt móóóóóói!

 

Maar hoe droog het ook is, de nattigheid van afgelopen winter staat ons nog levendig voor de geest. Dus om herhaling van dit tafereel te voorkomen

is de loonwerker langsgekomen om de sloot bij de Grote Eik uit te diepen. Na enig graven vond ik daar namelijk, onder 25 cm prut, de bovenkant van een duiker. En nadat ik die had blootgelegd bleek dat de sloot wel een halve meter dieper was geweest. Dat is hij nu weer. Het levert een enorme berg zand en grond op, en een héél steile en hoge slootkant. Daar moeten we nog wel iets op verzinnen…

 

Eigen vee!

Eén van de redenen om buiten te gaan wonen was, dat ik zo graag geiten zou willen. En dan zelf melken. Land genoeg hier. Maar… geiten (melkgeiten althans) kunnen niet goed tegen langdurige kou en nattigheid. ’s Winters heb je een stal nodig. En die hebben we niet. Nou ja, nu nog wel. Maar zodra de werkplaats af is gaat die tegen de vlakte.

(NB: in de moderne geitenhouderij staan de dieren meestal zomer en winter op stal. Met zijn 1500-en tegelijk. “Ja”, zegt de boer dan, “maar ze wíllen ook helemaal niet naar buiten. Als je de deur open laat komen ze meteen weer binnen.” Tja. Dat zie je ook wel bij kinderen. Die hangen vaak ook het liefst binnen voor de tv. Maar of dat nou het beste voor ze is?!)

Nu heb ik vier jaar geleden een maandje als ‘stagiaire’ meegelopen op de Ouwendorperhoeve in Garderen. Adriaan en Nelleke dachten ook ooit over geiten. Maar hun schuur, hoewel een stuk beter dan wat wij hebben, was ook aan de kleine kant om een volledige geitenkudde in te huisvesten. Zij kozen daarom voor melkschapen. En dat is een succes. Nelleke maakt fantastische schapenkaas en schapenyoghurt.  (En ze verkopen héérlijk lamsvlees en varkensvlees en nog veel meer, dus als je in de buurt van Garderen woont, of er langs komt op weg naar je vakantiebestemming: ga er vooral even shoppen!)

En wat later in hetzelfde jaar liep ik een maand mee op Farm Camping Lazy in  Slowakije, waar Arnold en Bernadette om vergelijkbare redenen eveneens kozen voor melkschapen. Zij hebben dan wel geiten erbij, maar dat zijn Slowaakse geiten, die net wat minder kleinzerig zijn dan Nederlands vee. (Overigens geldt voor Lazy hetzelfde als voor de Ouwendorperhoeve: een aanrader! Maar spring niet meteen in de auto, in het hoogseizoen zijn ze hartstikke vol, zó leuk zijn ze. In het naseizoen kan je er altijd terecht voor een week genieten.)

Dus melkschapen leek een goed alternatief voor geiten. Maar momenteel komen er maar weinig melkschapen op de markt (om de één of andere reden is Nederlands vee momenteel erg geliefd in Rusland en wordt er heel veel opgekocht voor Rusland).Uiteindelijk wist Nelleke wat voor me te vinden: bij de houder van het Stamboek Fries Melkschaap waren dit voorjaar twee bonte ooitjes geboren.

Dat kán helemaal niet: Friese melkschapen zijn wit, en deze dames komen van twee onberispelijk witte ouderdieren, met een onberispelijk witte stamboom. Maar tóch zijn ze gevlekt. En wij vinden dat eigenlijk juist heel leuk. Blijkt dat zo’n kleine soortgroep toch nog verrassingen kan herbergen!

Welkom dus, bonte schaapjes. En uiteraard zijn deze twee dames vernoemd naar bovengenoemde boerinnen. Maar Nelleke en Bernadette vonden we te lange namen voor een schaapje – het zijn Nelly en Babette geworden. Die inmiddels al naar me binnen te roepen als ze me zien, graag komen knuffelen en uit de hand eten. Knuffelschaapjes!

 

 

Tocht en vocht

De dagen vliegen letterlijk voorbij, er is nooit tijd om alles af te maken. Ook hier in Friesland is het kurkdroog. De boer heeft het gras weer gemaaid – waarschijnlijk voor de laatste keer dit jaar. Vorig jaar kwamen er drie sneden vanaf, dit jaar verwacht hij niet meer dan twee.

Toch zijn we erg bezig met tocht en vocht uit de werkplaats te houden. Van binnen naar buiten bestaat die (nu) uit drie lagen: binnenin OSB, dan het houtskelet gevuld met vlaswol en daaromheen houtvezelplaten. Aan de binnenkant komt er nog leem tegenaan; aan de buitenkant potdekselplanken. Daarmee is het mooi damp-open en vocht-regulerend. Maar tocht het niet?

De meeste huizen tochten enorm. Vaak is dat maar goed ook, want die zijn met moderne materialen damp-dicht gebouwd.  Dan moet er dus heel veel ventilatie zijn, om waterdamp, CO2 en andere gasvormige zaken naar buiten te krijgen. Maar met (ongecontroleerde)  ventilatie gaat ook heel veel   warmte verloren. Hoeveel een huis tocht, kan je bijvoorbeeld laten zien door het vol rook te zetten, zoals hier te zien is.

Hoewel we een werkplaats bouwen en geen huis, willen we het zo goed mogelijk doen. Dus dat betekent: zoek de zwakke plekken in de luchtdichte laag op (de OSB laag). De aansluitingen met de kozijnen, de deuren en het houtskelet zijn allemaal afgeplakt met luchtdichte, dampopen tape, voor de isolatie er in ging. En nu doen we hetzelfde voor vocht, want er mag natuurlijk geen vocht in de muren gaan stagneren. Dus de aansluitingen van de houtvezel platen met de kozijnen, de deuren en het houtskelet plakken we ook allemaal netjes af met tape. Daarbij zorgvuldig van beneden naar boven en van binnen naar buiten werkend, zodat nergens plekken ontstaan waar ook maar een druppel water die tussen de planken door waait zou kunnen blijven staan.

En dat is énorm veel werk!

(Want ik schrijf het zo even snel op, maar ladders neerzetten, lijm op de houtvezelplaten aanbrengen, laten drogen,  lijm van je handen af krijgen, met tape de ladder weer op klimmen, tape onder en tussen de daksporen aanbrengen was 1 dag werk. Volgende dag: bovenkant van de houtvezelplaten insmeren en tape aan de bovenkant van de overgang dak-muur aanbrengen. Dan de kozijnen nog. En de hoeken. En…)

Vervolgens brengen we aan de onderkant ‘kantplanken’ aan: de ‘regenlaarzen’ voor de werkplaats. Die zijn niet dampopen; zij beschermen aan de buitenkant de onderkant van de muren tegen spatwater en water dat langs het potdekselwerk naar beneden loopt. En dan zijn we eindelijk zover dat Joris de potdekselplanken kan aanbrengen!

Voor de bouw is het natuurlijk heerlijk dat het zulk droog weer is. Maar al die mooie boompjes die ik afgelopen winter heb geplant staan ernstig te verdrogen. Ongelooflijk dat we een half jaar geleden nog zoveel water op het land hadden!  De regenbakken staan droog en ik kon niet meer slapen omdat mijn schouders zeer deden van het slepen met gieters. Dus hebben we twee IBC containers gekocht. Daarmee kunnen we water naar de boompjes brengen. Daar zijn we iedere avond uren mee in touw.

Leidingwater gebruiken voor irrigatie, en dan ook nog het met diesel ter plaatse brengen… eigenlijk zeer tegen mijn principes. Maar we hebben geen keuze, als we willen behouden wat ik afgelopen jaar geplant heb!

 

Vlaswol

We bouwen een goed geïsoleerde werkplaats. Als je wilt isoleren met natuurlijke materialen zie je al snel door de bomen het bos niet meer. Stro, (kalk)hennep, gerecyclede spijkerbroeken, cellulosevlokken, houtvezelplaat, schapenwol en vlaswol. Dat laatste gebruiken wij. Waarom?

We hebben ons er een beetje in verdiept. Het lastige is dat gezaghebbende websites zoals DuurzaamThuis en MilieuCentraal volkomen tegengesteld advies geven. Dus we zijn op ons eigen gezond verstand afgegaan. Glaswol is akelig spul, dat willen we sowieso niet gebruiken. Schapenwol komt meestal van ver, evenals kurk. Papier en cellulose lijkt ons op de lange duur niet vochtbestendig. Datzelfde geldt voor gerecyclede spijkerbroeken: als je een katoenen theedoek een jaar in de tuin laat liggen valt-ie uit elkaar. Vlas- en hennepvezels werden vroeger gebruikt om touwen te maken waarmee een beetje zeventiende eeuws schip de halve wereld over voer. Dus die zijn toch wat robuuster. Waarbij vlas net wat beter schijnt te isoleren en een stuk goedkoper is. En onze architect adviseerde het ook.

Het is makkelijk  te verwerken, dampopen en natuurlijk. Maar… volgens de website van Milieu Centraal scoort het minder goed dan steenwol en glaswol. Milieu Centraal beschouw ik toch altijd als een autoriteit. Toch eens achteraan gebeld. Wat blijkt: MilieuCentraal beoordeelt de producten niet zelf, maar gaat af op rapporten die een fabrikant door één of andere centrale instantie kan laten opstellen. Maar MilieuCentraal deelt daarbij ‘minpunten’ uit bij de vergelijking, als het beoordelingsrapport te oud is. Dus Isovlas BV zou een nieuw rapport moeten maken, alleen om dat te voorkomen. Vreemd.

Een wij kunnen er gewoon niet met ons verstand bij dat steenwol milieuvriendelijker zou zijn dan vlaswol. Het is een afvalproduct van de kledingindustrie, uit een hernieuwbare grondstof. Dus toch maar voor vlas gekozen. Het werkt inderdaad prettig. Wel erg jammer is de hoeveelheid verpakkingsmateriaal: de dekens zitten per twee of drie verpakt in enorme plastic zakken, die opgestapeld op een pallet arriveren met nog meer plastic er omheen. Dat zou Isovlas eigenlijk weer moeten innemen voor hergebruik of recycling, vinden wij.

[Toevoeging december 2019: De stikstof-discussie levert af en toe verrassende inzichten op. Zo las ik in dit artikel van De Groene, dat Rockwool de op één na grootste ammoniak-uitstoot heeft van alle bedrijven in Nederland! Daarmee is wat ons betreft de kous af. En dan durft Milieu Centraal nog te beweren dat de productiewijze van isolatiemateriaal nauwelijks invloed heeft op de milieubelasting van de isolatie… geen punten Milieu Centraal!]

Joris heeft de maatvoering van het houtskelet precies afgestemd op de afmetingen van de vlaswoldekens, dus de grote vlakken zijn in no time op te vullen. Vanzelfsprekend geldt dat niet voor alle kleine stukjes boven de ramen en de schuine stukjes van het dak- die kosten veel meer tijd. Daarna wordt het volledige houtskelet ingepakt met dampopen houtvezelplaten en dáárop komen potdekselplanken. Aan de binnenkant zit al OSB, daaroverheen komt dan nog een stucplaat waarop ik me straks mag uitleven met leemstuc.

Al met al een heel werk. Het gaat dan ook een stuk langzamer dan we        hadden gehoopt. We dachten vorig jaar dat we al in maart in dit stadium zouden zijn. “Anything worth having is worth waiting for”, houden we onszelf maar voor.

Opgraving aan huis

Lange dagen, veel te doen. Onkruid wieden, verder bouwen aan de werkplaats, ridderzuring uitsteken (oef!), zware balken ophalen die iemand weg wil doen  en af en toe ook wat leuks, zoals een kunsttentoonstelling met muziek bij vrienden in de tuin.

Tussen de bedrijven door timmer ik af en toe een beetje verder aan het varkenskot-cum-schapenstalletje. En al timmerend viel mij op dat er ook erg veel stenen vóór het varkenskot lagen. Zou het…?

En ja hoor. Onder een 5 cm dikke zode van gras en buitengewoon taaie brandnetelwortels komt een bestrating vandaan, van hergebruikte bakstenen, ooit netjes in verband gelegd.

Als archeoloog wil je meteen verder onderzoeken. Hoe ver zou de bestrating doorlopen? Maar ik kan telkens maar een klein stukje doen. Ik heb mijn schouders, elleboog èn onderrug overbelast bij het uitsteken van de ridderzuring.  En de gras-en-brandnetelzode is ook vreselijk taai en zwaar.    Dus dat blijft nog even een verrassing…

 

Hooistress

Het grootste deel van ons weiland is weliswaar gemaaid door de boer, maar tussen de afgelopen najaar geplante boompjes (het begin van een voedselbos) durfde de boer niet goed te komen. Dus er stond nog aardig wat gras op het land. Nu zijn er twee scholen wat dat betreft.

De ene zegt: “Maaien Moet! Als je het gras laat gaan, valt het om en gaat het vervilten en verruigen! Er komen bramen en brandnetels en ellende! Bovendien concurreert de dichte grasmat met de oppervlakkige wortels van je fruitboompjes!”

De andere zegt: “Laat De Natuur Haar Gang Gaan! Vooral niet ingrijpen! Er ontstaat vanzelf een natuurlijk successie, onder de vegetatielaag kan het bodemleven zich ontwikkelen en uiteindelijk winnen de bomen!”

Tja. Voor allebei is wat te zeggen. Mijn idee is om in elk geval de eerste jaren te maaien en het hooi af te voeren. Daardoor geef ik de bomen iets meer ruimte en verschraalt tegelijkertijd de bodem een beetje , wat meer ruimte schept voor wilde planten. Maar dan is het wel zaak tijdig te maaien, als de grasplanten hun energie nog in groei aan het stoppen zijn en mals jong blad hebben. Ben je te laat, dan gaat alle energie in het zaad zitten. Dan heb je stengelig hooi met lage voedingswaarde, en valt het graszaad tijdens het bewerken van het hooi weer terug op de bodem. Dus verschralen doe je dan ook niet echt meer.

Bovendien loopt mijn vaste ochtendrondje-met-Aska een stuk door het weiland. En van dat hoge natte gras is dan niet echt lekker om door te lopen.

Door het warme weer stond de witbol, een grassoort met zachte roze pluimen, intussen prachtig in bloei. Een schitterend gezicht in het avondlicht, vooral in contrast met het gemaaide stuk, waar inmiddels al weer jong groen gras staat. Maar wel tijd om te maaien dus. Maar hoe? Ik heb het geprobeerd met de zeis. Maar ik kan nog altijd niet goed haren. En met een zeis die niet scherp genoeg is, is het lastig maaien.

Tweede Pinksterdag heeft Hans een groot stuk met de balkmaaier gemaaid. Dat was heel fijn, en we dachten dat we in ieder geval t/m het weekend zouden hebben om het droog en binnen te krijgen. Gelukkig maar, want ik had een drukke week op kantoor en veel afspraken buiten de deur. Dinsdagavond heb ik tot 22.30 het gras met de hand gekeerd. Dat was meer werk dan ik dacht en ik kwam maar tot halverwege.

 

Woensdag meldde het KNMI opeens dat er donderdagavond al regen verwacht werd! Dus toen werd het een race tegen de klok. Want Hooi Moet Op Tijd Droog Binnen Zijn. Woensdagavond heb ik gras gekeerd tot het te donker werd om te zien wat ik deed. Intussen harkte Joris het gras wat al gekeerd was op rijen tot zijn handen vol blaren stonden.

Donderdag had ik eigenlijk twee afspraken in Utrecht. Maar ik heb er één afgezegd, was om 14.45 thuis, ben snel uit mijn kantoorkloffie en in een spijkerbroek geschoten en verder gaan harken. Steeds met één oog op Buienradar: rond 18.00 zou de loonwerker komen en rond 18.00 zou het gaan regenen…

Stipt om 18.00 kwam de loonwerker en perste het gras waar ik urenlang als een dolle over had lopen harken in welgeteld zeven minuten tot 26 balen. En het regende nog niet!

Met hulp van onze fantastische buren Marja en Rob, en met behulp van Joop de bestelbus heb ik het hooi binnen opgestapeld gekregen vóór het ging regenen.  Echt klassieke boerenstress.

“Mooi werk”, zei onze boer. “Maar, nu je hooi hebt kan je ook wel eens wat vee aanschaffen, vind je ook niet?”

😉

Varkenskot

najaar 2016

In een hoekje van ons erf staat een oud varkenskot. Toen we het aantroffen was het in elkaar gezakt, overwoekerd met bramen en, net als alles, volgepropt met zooi. De ergste zooi hebben we er al snel uit getrokken. Daaronder bleek een laag oude varkensmest te zitten. Minstens dertig jaar oud, want zo lang wonen onze buren hier en die kunnen zich niet heugen dat de oude mijnheer ooit varkens had. Uitstekende mest voor de moestuingewassen met een grote stikstofbehoefte. Vorig najaar heb ik de mest een beetje op een hoop gegooid aan de ene kant van het kotje en de andere kant gebruikt om het oude hooi, dat we in een andere schuur vonden, droog op te slaan gedurende de winter.

maart 2017
december 2017

Inmiddels ligt het hooi als mulch op de moestuin, evenals een groot deel van de mest. Toen ik de laatste mest (en zand, stof, oud hooi, muizennesten en de gebruikelijk ondefinieerbare rommel) uit het kot aan het scheppen was, stuitte ik op stenen. En wat blijkt: onder de laag mest bevindt zich een heus stenen vloertje, gemaakt van oude brokken beton en metselwerk, aangevuld met losse bakstenen en bielzen. Wel een beetje verzakt, waarschijnlijk door ondergraving door muizen.

En toen het helemaal schoon was en ik ook de laatste oude planken die er waren opgeslagen eruit had gefrunnikt en de dertig jaar oude spinnenwebgordijnen had weg geveegd en een paar van de aller-rotste planken van de voorkant had afgetrokken zag het er eigenlijk nog helemaal niet zo slecht uit.

Momenteel heb ik er even wat vers hooi in opgeslagen dat op het land was blijven liggen nadat de boer gemaaid had. Het ruikt er meteen véél lekkerder. Maar ik begin voorzichtig te denken: zou het – met enig opknapwerk – bruikbaar zijn als stalletje, zodat we al vast wat van de vurig door mij gewenste geiten of schapen kunnen aanschaffen?

Groeiseizoen

 

Het voorjaar is vol losgebroken en we hebben het (dus) heel druk. De moestuin doet het goed: we eten al volop sla en raapsteeltjes en de aardappelen, uien, tuinbonen, snijbiet, bietjes, kapucijners en sugar snaps zien er al veelbelovend uit. Courgettes, patissons en pompoenen zijn uitgeplant,  pronk- stok- en droogbonen (Friese waldbeantsjes!) komen op en zelfs de heel laat gepote dahlia’s beginnen uit te lopen.

Het systeem met de moestuinbedden die eigenlijk bestaan uit één dikke mulchlaag lijkt redelijk te werken. Ik zie wel, dat de bedden die ik vorig najaar al heb aangelegd en waarin (1) een laag karton, met daarop (2) een laag gehakseld blad en twijgen, daarover (3) een laag hooi en daar bovenop (4) een laag compost ligt, het beste werken. De variaties, waarbij ik de laag gehakseld blad heb weggelaten, of zelfs ook de laag hooi, doen het minder goed, of de kweek komt er toch doorheen. Elke dag wieden dus, hopelijk raken zelfs kweekwortels ooit uitgeput.

Aan de slootkant van de moestuin bevond zich weer een klein mysterie; om onduidelijke redenen was daar een stuk landbouwplastic ingegraven, met daaronder weer tientallen van de inmiddels bekende kunstmest- en voederzakken. Als barrière tegen de ruige begroeiing (bramen en brandnetels) uit de slootkant? Of juist om te voorkomen dat vruchtbare aarde en meststoffen naar beneden de sloot in zouden in spoelen? Hoe het ook zij, het werkte niet (meer), want de wortels van brandnetels, bramen hadden er zich een weg door gevonden en de uitlopers waren er eenvoudig overheen gegroeid. Ik ben een dag bezig geweest om plastic,onkruidwortels en allerhande andere rotzooi die er tussen terecht was gekomen te verwijderen en zoveel mogelijk  kweekwortels uit de grond te zeven.

Wat ook steeds groeit is de werkplaats. Met het mooie weer heeft Joris een aantal dagen vrij genomen om daaraan verder te kunnen werken. Toen het houtskelet stond hebben we eerst de zoldervloer er op gelegd. Daarna heeft Joris alle muren dichtgezet en ‘stijf’ gemaakt met platen formaldehydevrije OSB. Dat was wel jammer van het mooie uitzicht…

Een kleine tegenvaller waren de ramen. Toen die arriveerden, bleken we ons verkeken te hebben op het verschil tussen glas- en kozijnmaat. Hoewel de gevelopeningen best groot zijn, vinden we de ramen zelf maar klein. Reden om meteen het ontwerp voor het huis weer aan te passen en daar grotere ramen in te verlangen. Tot ongenoegen van de architect, want het betekent ook dat de energieberekeningen en detailleringen weer moeten worden aangepast. We zijn dus nog stééds niet toe aan het indienen van de vergunningaanvraag. Maar dat geeft niet, want we kunnen toch pas gaan bouwen als de werkplaats helemaal af is.

Bart en Willemien kwamen helpen met de dakconstructie van de werkplaats. Gezamenlijk hebben we de kopse gevel en (het eerste deel van) de nokbalk er op gelegd. Erg handig dat we daarbij twee paar extra handen hadden, want dat viel nog niet mee! Joris heeft de overige sporen bevestigd terwijl Bart, Willemien en ik de laatste isolatie rond de fundering aanbrachten. Nu kan de grond rond de fundering weer aangestort worden. En opeens staat er een heel gebouw!

Tussendoor groeide ook het gras hard. Het weiland werd ronduit schitterend, vol paarde- en pinksterbloemen, donkere plekken met vossenstaart en hoge pluimen veldzuring. Maar op een zeker moment moest de boer toch komen maaien. Dat werd spannend, want ik heb natuurlijk overal allemaal boompjes geplant, die nog ,maar nauwelijks boven het gras uit kwamen. Ik heb een dag lang aan alle kleine boompjes lintjes lopen bevestigen, zodat hij ze goed zou zien. En met de zeis rond de boompjes gemaaid.

Helaas waren er toch nog wel veel plekken waar de boer niet bij kon komen met de machines. Dus ja, dan moeten we ófwel heel veel gaan zeisen, ofwel toch zelf een paar schapen nemen. Want de logeerschaapjes, die keurig een aantal moeilijke stukken hebben kortgeknabbeld, gaan binnenkort weer naar huis. (Jammer, ze doen het heel goed. Tot grote verrassing van de eigenaar kon ik op een zeker moment zelfs melden dat er ééntje totaal onverwacht een lammetje geworpen had!).

Joris heeft me voor mijn verjaardag vast een schrikdraadhek-apparaat op zonne-energie gegeven.

Behalve het gras zouden ook de blaadjes aan de bomen goed moeten groeien. En daar gaat het wat minder, want we hebben een beetje last van rupsen. Zeg maar gerust: een rupsenplaag! Sommige eiken lopen gewoonweg niet uit, ze worden finaal kaalgevreten. Als je onder de bomen staat hoor je de rupsenpoep op de grond tikken alsof het regent. Aska’s drinkwater is binnen een half uur bruin van de rupsenpoep die er in valt en nog geen half uur nadat je de tuintafel hebt schoongedweild ligt hij alweer vol met zwarte korteltjes.  Hele gordijnen van rupsen zweven aan glanzende draden door de lucht. En ieder rupsje wil maar één ding: ETEN!

De grote eiken gaan het wel overleven, maar ik houd mijn hart vast voor de nieuw aangeplante (fruit)bomen. ‘Zonder rupsen geen vlinders’ houd ik mezelf voor. Maar ja, ik hoop toch eigenlijk wel dat de boompjes het gaan overleven. Komend jaar maar héél veel nestkastjes ophangen?  ‘Every cloud has a silver lining’ zeggen ze in Amerika. En dat is waar. De kippen  zijn gèk op rupsen!

 

 

Het verleden van de boerderij

Een paar jaar geleden is er een boekje gemaakt over de geschiedenis van De Hoeve. Jammer genoeg is het niet meer verkrijgbaar, maar we hebben een exemplaar geleend van iemand van de biljartclub. (Joris heeft afgelopen seizoen meegedaan met de biljartclub, om mensen te leren kennen. Hij heeft subiet de seizoenspool gewonnen en begint het Stellingwarfs al aardig te verstaan.)

Tot mijn vreugde stonden er twee foto’s  in van onze boerderij. Maar weinig scherp en héél klein afgedrukt. Jammer genoeg is het digitale bestand met de foto’s voor het boekje verloren gegaan. Dus ik zette een oproep in de dorpskrant of er misschien nog iemand foto’s had van onze boerderij of de omgeving.

En toen werd ik gebeld door een vrolijke mevrouw, 80 lentes jong. Ze had geen foto’s, zei ze. “want toen hadden wij geen fototoestellen en zulke dingen”, maar ze had van 1938 tot 1961 in de boerderij naast ons gewoond. En ze wist nog wel het één en ander van onze boerderij. “Maar die zal nu wel afgebroken zijn. ”

“Nee hoor”, zei ik, “Dat gaat wel gebeuren, maar zover zijn we nog niet. Komt u een keer langs om het nog een keer te zien? ”

En dat werd een heel leuke middag!  Ze vertelde allerlei verhalen. Het meeste wat ze zich kon herinneren was nog uit de periode vóór 1954, toen  de oude meneer hier woonde (de oude mijnheer van wie wij de boerderij gekocht hebben). Toen woonde de familie Hoornstra hier. “Vrolijke mensen, met veel kinderen”, wist ze te vertellen. En op de hoogte, midden op het terrein, was het huisje waar ‘tante Hildie’ woonde.

Naast de Uiterste Eik, waar een bocht in de sloot zit, heeft ook een boerderij gestaan, van Jan Veen. Die had geiten. Andries Hoornstra ging er een keer op zondag op de koffie en kreeg geitenmelk in de koffie. Maar die was blijkbaar niet goed meer (koelkasten zullen er toen ook nog wel niet geweest zijn) en Andries Hoornstra had de hele weg naar huis lopen kotsen. Ze had door dat verhaal nooit geitenmelk of -kaas willen eten. Terwijl haar moeder zei dat het onzin was, zij hadden vroeger thuis ook geiten en dat was prima melk.

Het zag er hier toen nog wel heel anders uit. Het Staatsbosbeheer-bosje was  er niet, dat was bouwland. Ze wist nog precies te vertellen welke stukken land van wie waren. Hun huis, waar nu onze buren wonen, ligt nu helemaal in het groen, maar lag toen in het open land. Er waren wel nog veel stukjes heide en meer houtwallen dan nu, al waren die wel lager. Met enige teleurstelling keek ze naar het hoge opschot van esdoorns op het kopse kantje van een oud houtwalletje. “Dat mag hier allemaal niet zijn, dit was een graskantje en daar zat ik altijd zo lekker in de zon, terwijl mijn moeder op de bouw (het bouwland, GK) aan het werk was!”

Alle boerderijen waren verbonden door smalle paadjes, vlak langs de sloot en de houtwallen, want “je was zuinig op het land!” Brede paden met ronde bochten  waar auto’s over kunnen rijden waren er niet, want niemand had een auto. De kleine keuterboertjes hier bezaten zelfs niet allemaal een paard. Dat werd geleend, als het tijd was om te ploegen of te hooien. De melkbussen werden wel met een auto opgehaald door de coöperatie. Dan zette je er een kleine bus bij, en die werd dan meteen bij de melkronde gevuld met gortepap, die in de fabriek in grote ketels gekookt werd.

Tegenover de uitgang van hun pad op de Ratellaan (toen ‘Klaeterlaene’ genoemd) liep een pad naar een andere boerderij, die ver achter in het land stond, bij de vaart. Daar woonde haar vriendinnetje, met wie ze speelde op het stukje heide wat daar nog lag “en wat mijn broer later heeft aangemaakt. Maar eigenlijk vind ik dat zonde, dat éne stukje hei had hij zo moeten laten”.

Over ons gras was ze wel te spreken. “Mooi kruderig. Mijn vader zei altijd al: dat is goed voor de beesten.”

En ook het interieur van onze boerderij riep allerlei herinneringen op. De ossenbloedrode balken in het kamertje wat er ooit is aangebouwd. “Die hadden we ook in ons oude huisje. Mijn moeder schilderde ze af en toe op, in deze kleur en dan met een geel randje erlangs. Wat een werk hè?”

Waar nu de twee slaapkamertjes zijn zat volgens haar oorspronkelijk de toegangsdeur. Waarschijnlijk in de keuken. Maar dat wist ze zich jammer genoeg niet meer precies te herinneren. Ook van de stal wist ze niets.” Daar kwam je niet zo, als meisje.”

“Ach ja, en hier zijn de bedsteden. Zo hadden wij ze ook in het oude huisje. En in het midden zat de deur van de diggelkast (servieskast, GK).”

“Maar hoe zat dat dan?”vroeg ik. Het zijn nu alleen maar twee ruimtes en die zijn amper 1,80 m lang. Daar past niet ook nog een kast tussen. Maar ze legde uit dat die kast met twee schuine wandjes van de bedstee was afgeschoten. Dus voorin was die bedstee nóg korter. Daar sliepen de jongste kinderen, met hun voeten tegen de schuine wand van de bedstee aan. De oudere lagen wat meer naar achter.

Nadat ik haar weer naar huis heb gebracht, met heel veel dank voor alle informatie, werd ik nieuwsgierig. Wat zou er nou achter het lelijke jaren ’70-fineer zitten waar de bedsteewand mee was afgetimmerd?

En voila. Een complete originele bedsteewand. Met diggelkast. De paneeldeuren waren opgevuld met zachtboard en restjes hout, de randjes waren met bruine ver bijgewerkt zodat ze niet zo opvielen langs de randen van het fineer en de deur van de diggelkast was omgekeerd (met de vlakke achterkant naar voren) vastgezet, om het aftimmeren te vergemakkelijken. Maar met enig hak- en breekwerk was alles los te krijgen. Dit oogt veel leuker dan de fineerwand!

 

 

 

 

 

 

 

 

Houtskelet

De week mooi weer was echt een cadeautje. Joris heeft twee dagen vrij genomen om er optimaal van te profiteren. En wat gaat het bouwen van de werkplaats dan opeens snel!

Toen het droog werd hebben we de fundering drie keer behandeld met een bitumenpasta. Dat is niet erg ecologisch of cradle to cradle. Maar omdat we de werkplaats verder in houtskeletbouw maken, moeten we er wel héél zeker van zijn dat er geen optrekkend vocht via de fundering naar de onderkant van je gebouw kan trekken. Afgelopen winter stond het grondwater in één hoek tot vlak onder de fundering.

Op de fundering heeft Joris een vloerregel bevestigd van Modiwood – grenenhout dat met een thermische behandeling is verduurzaamd. En daarop het houtskelet.

Eerst nog even met de trekker en de platte kar naar de houthandel om de (tot 5 m lange!)  balken op te halen. Zelf vonden we het erg grappig, maar niemand keek er van op of om.

En hop-hop-hop, in tweeëneenhalve dag staat het houtskelet voor de muren.  Nu kunnen we ook zien waar de ramen gaan komen en wat een prachtig uitzicht we gaan krijgen vanuit het kantoor! Helaas moeten we eerst weer even een poosje ander werk doen, terwijl het houtskelet in de regen staat…

 

Lente

En toen schoten de temperaturen ineens omhoog naar (hoog)zomerse waarden!  Nu bloeit de kers wel – het is één golvende, wiegende massa witte takken, gonzend van bijen en hommels. In het weiland knallen de paarden- en pinksterbloemen open en in de moestuin komen de kapucijners, peultjes en aardappelen op. Wat een paradijs!

Ik heb de kippen verplaatst naar een nieuw stukje, waar ze op het gras lopen. En meteen grote voorjaarsschoonmaak gehouden: het hele hok leeg gehaald, goed uitgezogen, van binnen schoon gemaakt met heet water en soda, nagespeeld met kokend water, alle kieren met de verfföhn droog gestoomd en alle kieren en houtwerk bestreken met een dikke laag witkalk. Hopelijk blijven we dan dit jaar verschoond van vieze bloedluis-uitbraken. De kippen lijken er wel tevreden mee.

Nadeel van de nieuwe plek is dat ze minder bosjes hebben om voor de buizerds te schuilen. Vorig jaar hebben we daar één kip aan verloren. Hopelijk houdt het feit dat wij nu dagelijks op het erf bezig zijn de  buizerds op enige afstand…

Kippenhok in ochtendmist en avondzon, romantisch onder de kersenbloesem

Er zijn kippen die het slechter hebben…

 

Het eerste jaar

Een jaar geleden kregen we de sleutels. Toen stond de kersenboom prachtig in bloei. In Japan schijnt de kersenbloesem symbool te zijn van een nieuw begin. En dat was het hier natuurlijk ook.

Door de late koude winter bloeit de kersenboom nu nog (net) niet. Maar nu de temperatuur de laatste dagen omhoog is geschoten spuit ook hier het groen overal uit de bomen en de grond. Het weiland wordt met de dag groener, iedere dag zijn er meer struiken met blaadjes, dagelijks gaan er meer paardenbloemen open en als je in het weiland even rondkijkt zie je de pinksterbloemen omhoog komen. Binnenkort kunnen we niet meer door de houtwal heen kijken.

Tijd voor de balans van het eerste jaar. Wat hebben we bereikt?

Vele kuubs schroot, hout, rommel en asbest zijn afgevoerd. Er zijn geen gebouwen met onbekende inhoud meer. De meeste (anorganische) rotzooi uit de houtwallen is opgeruimd (maar er moet nog heel veel prikkeldraad, overtollige braamstruiken en Amerikaanse vogelkers verwijderd worden).  Er zijn 38 fruitbomen, 20 grote lindebomen, 12 walnotenbomen en 265 stuks autochtoon ‘bosplantsoen’ geplant. Er is een degelijk, breed pad aangelegd. Er is een nieuwe septic tank met helofytenfilter aangelegd (de rietplantjes moeten nog een beetje gaan groeien, we hopen dat het filter dit seizoen echt op gang komt). De fundering van de werkplaats staat als een huis.  De moestuin is aangelegd: uien, rode melde, goudsbloemen en slaplantjes staan al boven de grond.

En het belangrijkste: we hebben ons de plek ‘eigen’gemaakt. We kennen het erf nu goed. We weten waar er hoge en lage, natte en droge plekken in het land zitten, en we hebben een idee waardoor die zijn ontstaan. Afgezien van de grote houtwal (daar moeten we nog een beetje meer in rondstruinen), kennen we ook de houtwallen op ons terrein, de grote bomen en de ondergroei. We kennen de directe omgeving en we weten hoe die er in het verleden heeft uitgezien.

We hebben kennis gemaakt met onze buren en de andere mensen uit het dorp. We hebben een hondje, twee katten, één bijenvolk, twee loopeenden en vijf kippen. We hebben de winter doorstaan. We hebben internet, waterleiding, afvalwaterzuivering en elektriciteit.

We hebben heel wat om blij mee te zijn!

Eén stap vooruit, twee stappen terug…

Vrijdag was het dan eindelijk zover: het beton van de werkplaats kon gestort worden. Joris moest werken, maar omdat het beton gepompt werd, in plaats van het met kruiwagens heen en weer te rijden,  moest het met drie personen wel lukken.  Om acht uur zou de aannemer komen.

Om negen uur belde ik maar eens. “Zeg, jullie zouden toch het beton komen storten?”

“Ja, om tien uur. Was dat niet doorgekomen?”

Om tien voor tien zag ik een grote betonwagen over de Ratellaan langs rijden . Door een sprintje te trekken door het weiland kon ik nog net voorkomen dat hij vast kwam te zitten in de oprit van de buren.

Maar toen hij eindelijk op het juiste adres was ging het snel. Met een gigantische pomp, die óver de bomen heen reikte, werd het beton rechtstreeks naar de werkplaats gepompt. In een kwartiertje zat de hele massa erin en kon de wagen weer wegrijden.

En toen ging het mis. Ondanks dat Joris, de beide aannemers en ikzelf   de chauffeur herhaaldelijk, mondeling èn schriftelijk hadden gewaarschuwd om NIET te keren op de rijplaten (want die zijn prima voor personenwagens, maar onvoldoende voor zware vrachtwagens) deed hij het toch. We zagen de rijplaten wegschuiven. “Goh”, dacht ik nog, wat komt daar een blubber onder vandaan.”

Maar het was geen gewone modder.

“Volgens mij is zijn brandstoftank geknapt!”riep de aannemer. We roken eraan. Geen benzine: het was de olie van de hydrauliek die inmiddels aan alle kanten uit de betonwagen spoot. Ik deed nog een poging om het spul op te dweilen, maar dat was letterlijk dweilen met de kraan open.

“Hoeveel liter olie zit er in zo’n wagen?” vroeg ik.

“Ja, toch wel een litertje of 300” zei de chauffeur. Die bleef er verder nogal rustig onder en belde het hoofdkantoor van Friesland Beton. Dat ze maar even met wat nieuw gebroken puin moesten komen om het pad schoon te maken. Over anderhalf uur zou er iemand komen.

Na twee uur belde ik maar eens.

“Goedemiddag. Er is hier vanmorgen een ongeluk gebeurd met een betonwagen waarvan de hydrauliek ontploft is.”

“Ja, daar heb ik wel iets van gehoord. Maar we sturen iemand om het op te ruimen hoor.”

“Maar kunt u zeggen wanneer die komt? Want er staan hier nu poelen olie op het land en op het pad en dat trekt nu wel mooi allemaal de grond in. Die grond wàs schoon – we hebben vorig jaar een bodemonderzoek gedaan. Maar als we straks gaan bouwen en de grond is vervuild zitten wij met de gebakken peren.”

“Nou mevrouw, poelen olie, u moet het niet groter maken dan het is. Ik heb die wagen hier gezien en zoveel olie is het niet. En ik kan ook op zo’n korte termijn niemand regelen.”

“Zal ik u even wat foto’s sturen?”

Dat hielp blijkbaar, evenals het feit dat de aannemer, op mijn verzoek, bevestigde dat het echt om een groot oppervlak ging wat vervuild was. Even later belde de voorman van de betoncentrale dat er een loonwerker aan kwam. Niet met anderhalve kuub puingranulaat, maar  met 12 kuub.

Maar toen die loonwerker halverwege de middag eindelijk arriveerde (die moest, met de trekker en de graafmachine, helemaal uit Heerenveen komen, je denkt: bel er dan ééntje bij ons in de buurt…)  verschoot hij een beetje en belde subiet de betoncentrale weer.

“Ja hoor eens, dit is veel groter dan je had aangegeven. Dat moet op de officiële wijze gesaneerd worden. Regel maar een vloeistofdichte container om die grond af te voeren.”

Goed, het eind van het liedje was dat we met ons allen tot half zes stonden te wachten tot de vloeistofdichte container er was. Alle vervuilde grond en puingranulaat is weg geschept en het pad is min of meer weer gerepareerd met een veel te grote berg puingranulaat. Jammer genoeg niet zo netjes en glad als het eerst was. Gelukkig was de grond nog vrij nat, waardoor de olie niet al te ver de grond in was getrokken.

Netto opbrengst van een heel lange dag vol wachten, telefoneren en veel ergernis: een berijdbaar, maar èrg hobbelig laatste stukje pad, grote kuilen aan weerszijden van het pad (waar het nu éindelijk weer wat groener begon te worden…) en een prachtige, spiegelglad gevlinderde betonvloer voor de werkplaats.

 

 

 

 

 

 

Zuidschuur

 

We hebben op ons land diverse schuren staan. Die hebben we allemaal een naam gegeven: de zuidschuur, de noordschuur, de westschuur en de stal. En dan was er nog de overkapping (inmiddels verwijderd) tussen de stal en de noordschuur, en het varkenskot.

Varkenskot en noordschuur

De westschuur heeft inmiddels moeten wijken; daar bouwen we nu de werkplaats. Zodra die afgebouwd is kunnen de spullen erin die nu nog in het huisje en de stal staan opgeslagen. Het huisje en de stal kunnen dan worden afgebroken zodat we daar het nieuwe huis kunnen bouwen. En als dát af is (als het ooit zover komt) kunnen we de noord- en de zuidschuur aanpakken. Die moeten in de tussentijd dus nog even blijven staan, zodat we er zaken in kunnen opslaan die enigszins tegen de elementen kunnen.

Zuidschuur, maart 2017

Maar bij de zuidschuur werd dat steeds problematischer. Die was al niet best, meer een soort kapschuur. Een gebint wat deels uit levende eiken bestaat (!), met een bekleding van oude planken, aluminium, verzinkt en glasvezel golfplaat, uitgehamerde stukken blik en heel veel asbest. In september is het deel van het dak en de ‘muren’ dat uit asbestplaten bestond er af gehaald. In de loop van de winter  heb ik de zijkanten weer dichtgezet met oude deuren en het dak aangeheeld met  stukken metaal en kunststof die vrij waren gekomen bij de afbraak van de westschuur en de overkapping. En nèt toen ik daarmee klaar was kwam de eerste ‘Siberische beer’ langs. Mijn eigen nieuwe-oude-golfplaten-dakje hield goed. Maar de noordoostenwind  dook daaronder door en scheurde de oude, bros geworden kunststof platen aan de andere kant er finaal uit.

Dat was lastig, want hoe repareer je dat? Je kunt het dak namelijk niet op, omdat het allemaal oude, wrakke brosse golfplaten zijn.  En aan de achterkant kan je er ook niet dichtbij komen, omdat daar een sloot loopt.  Een echt degelijke oplossing is zonde van het geld en de tijd – ooit moet daar een echt gebouwtje komen . Uiteindelijk besloten we er maar een zeil overheen te spannen. Dus dat was één van de klusjes voor het Paasweekend.

Stap 1 was het verwijderen van zoveel mogelijk van de dikke laag blad en takjes die zich op het dak had verzameld. Dat kostte nog veel moeite – het dak was toch wel groot en zoals gezegd kon ik er slecht bij.

Ook bij deze schuur zijn levende bomen domweg als staanders gebruikt
Het líjkt alsof de keukentrap op droge grond staat. Maar in feite staat hij in de sloot achter de schuur. De ‘droge grond’ is wat ik van het dak geveegd heb.

Daarna moest ik alle scherpe zaken op het dak verwijderen die door het zeil zouden kunnen heen prikken. Spijkers en schroeven lieten zich verwijderen of platslaan. Over de scherpe randen en hoeken  van de metalen golfplaten, waar die tegen de nokbalk getimmerd zitten, heb ik stukken oude dakgoot ondersteboven aangebracht. Door ze een beetje plat te duwen kon ik ze domweg aan de nokbalk vast schroeven en zorgden ze voor een mooie ronding, waar het zeil niet door beschadigd zou worden.  Echt heel leuk om te doen was het niet, want ik moest dat plat op mijn buik liggend op de nokbalk doen, met aan weerkanten niets dan wrakke golfplaten tussen mij en vier meter lager.

Stap 3 was het aanbrengen van een raamwerk van latten om het zeil over het ‘gat’ enigszins te ondersteunen. Anders zou het bij regenachtig weer waarschijnlijk erg gaan doorhangen.

En tenslotte hebben we met ons tweeën het zeil van binnenuit over het dak geduwd, verdeeld, uitgerold en rondom vastgezet met goedkope ‘spinnen’ van de Action.

Een echte stormvaste oplossing is dit nog niet, daar moeten we nog even over nadenken. Vastschroeven van het zeil met latten kan in elk geval niet. De planken van de schuur zijn zó rot, dat je die latten eenvoudigweg nergens aan vast kunt schroeven. Maar in ieder geval is er voorlopig weer een droog plekje gecreëerd.

Intussen heeft Joris de isolatie en wapening aangebracht voor  de vloer van de nieuwe werkplaats. Het pak isolatie (piepschuim) is dikker geworden dan we oorspronkelijk van plan waren. Maar de aannemer wilde liever dat de vloer gelijk werd met de gemetselde muurtjes, in plaats van 8 cm eronder. Hij gaat de betonvloer namelijk afvlinderen en het schijnt te kunnen gebeuren dat je dan met het zware, ronddraaiende vlinderapparaat tegen de muur tikt, er een steen uit breekt en de hele halfharde betonmassa naar buiten loopt. Dus hebben we er nóg maar eens 8 cm piepschuim onder gestopt. Er zit nu haast 30 cm piepschuim onder het beton. Mochten we ooit besluiten om vloerverwarming in de werkplaats te leggen, dan moet dat geen probleem zijn…

Beren en schapen, metselaars en moestuinbakken

“Zeg, het laatste bericht op je blog is al weer vier weken oud! Gaat het wel goed bij jullie?”

Ja hoor, het gaat best goed. Maar wat we echt nodig hebben is even een paar weken rustig, warm en zonnig lenteweer. En dat laat zo lang op zich wachten…

Volgens onze aanvankelijke (optimistische) planning zouden we de boerderij en de stal nu al aan het afbreken zijn. Maar dat kan pas als de werkplaats is gebouwd. We hebben nu eenmaal nog best veel spullen opgeslagen op de drogere plekken in het huisje en de stal en die moeten we wel weer onder een droog dak kunnen neerzetten. Maar met de werkplaats schiet het niet zo op.

Eigenlijk willen we zoveel mogelijk zelf doen. Maar recht metselen is niet echt mijn forte (ik kan wel metselen, maar mijn specialiteit zijn rustiek golvende tuinmuurtjes) . En het is toch wel heel fijn als de fundering goed in elkaar zit. Daarom zou een lokale aannemer de fundering komen metselen. Maar dat moest tot twee keer toe worden uitgesteld vanwege het weer.

Begin maart kregen we de eerste driedaagse poolstorm (‘Siberische beer’, is geloof ik de populair-meteorologische term). Er zijn toen ook de nodige stukken van daken afgewaaid. Dus zowel in de keuken, de stal als de ‘zuidschuur’ kan de regen nu ongehinderd binnenplenzen. Op zich niet zo erg (er zijn genoeg droge plekken waar onze spullen staan), maar het werkt wel ontmoedigend. En net toen de aannemer zou komen kwam de tweede Siberische beer op bezoek.

Die richtte betrekkelijk weinig nieuwe schade aan (nou ja, mijn al uitgeplante tuinbonen vonden het niet leuk), maar zorgde wel opnieuw voor uitstel van het metselwerk. Dat is afgelopen week eindelijk uitgevoerd. Voor dit Paasweekend staat het aanbrengen van de vloerisolatie op het programma en dan kan volgende week de betonvloer gestort. Daarop kunnen we dan verder bouwen in houtskeletbouw.

Leuk is dat we sinds een paar dagen schapen in de ‘tuin’ hebben. Een dorpsgenoot heeft schapen. Maar die hadden het gras waar ze op staan helemaal op. Ons gras heeft dankzij het natte en zachte najaar vorig jaar nog lang kunnen doorgroeien. Dus daar kunnen best wat schaapjes van mee-eten. Omdat de meeste ooien nu moeten lammeren hebben we enkel een paar ‘enters'(jonge schapen van vorig jaar) te logeren. Gezellig. Ons hondje moet er even aan wennen. Maar ze heeft inmiddels door wat schrikdraadhekken zijn…

En de afgelopen weken heb ik hard doorgewerkt aan de moestuin. Met de afgedankte vlonderplanken van een andere dorpsgenoot heb ik nu in totaal 12 moestuinbakken aangelegd. En daartussen paden waarvoor ik álle 7 m3 houtsnippers heb gezeefd.

De opbouw van de ‘afdeklaag’, die het kweek en gras moet verstikken, verschilt een beetje. In alle bakken ligt karton over de grasmat. In sommige bakken ligt daarop een laag gesnipperde takken en bladeren, met daar overheen een laag hooi.  Daar bovenop stort ik compost. De bedoeling is dat de moestuinplanten, gebruik makend van zonne-energie, hun wortels door de compost heen de laag hooi-snippers-en-karton en de grond eronder in sturen. Terwijl het gras niet door het karton heen komt bij gebrek aan zonlicht, uiteindelijk afsterft en door het bodemleven wordt omgezet in humus. Een klein risico daarbij is, dat het materiaal van de de hooi- en snipperlaag teveel zuurstof aan de grond gaat onttrekken tijdens het verteren.

In de meest recent aangelegde bakken heb ik daarom compost gestort direct op het karton. Maar dat schept een ander risico: namelijk dat het kweekgras toch door het karton heen komt, zijn blaadjes en stengels in luttele dagen door de voedselrijke compostlaag heen werkt en vervolgens, met zijn wortels diep in de grond, welig gaat tieren op die vruchtbare ondergrond. We gaan het beleven…

In ieder geval zijn eindelijk mijn bestelde zaden en pootaardappelen aangekomen. Dus behalve de werkplaatsvloer voorbereiden en het kapotte dak van de ‘zuidschuur’ repareren met een zeil  zal er dit Paasweekend ook veel gezaaid worden. Hoop ik tenminste, want de griep die half Nederland in zijn greep heeft lijkt mij nu ook te pakken te hebben…

 

 

Koning Winter

Denk je dat je alles gehad hebt, krijg je op de eerste dagen van maart opeens nog een poolstorm over je heen. Alsof de natuur zich ineens realiseerde dat het al bijna lente was en dat de temperatuur tot januari nog een beetje was blijven steken in de herfst. En dat de hele winterkou dus even geconcentreerd in vijf dagen moest worden opgebruikt.

Afgelopen week was één groot gevecht. Met bevroren waterleidingen die ontdooid moesten worden met de verfföhn (anderhalf uur werk), opnieuw bevroren terwijl ik ze van warmtekabels voorzag (vijf uur werk), die toen ze ontdooid waren tóch gesprongen bleken te zijn, zodat Joris om 21.00 bij een gevoelstemperatuur van -20 op zijn buik in het water snelkoppelingen lag te repareren. Met waterleidingen, afvoeren, gasflessen  en de wasmachine die nog dagenlang bevroren bleven (zelfs mèt warmtekabels). Met eindeloos keteltjes water koken om de drinkbakjes van de kippen te ontdooien. Met de warmwaterkraan die nog openstond boven de bevroren afvoer… en de kraan ontdooide het eerst, terwijl ik elders bezig was. Met het dak van de zuidschuur, dat ik nu eindelijk had afgemaakt, maar waarvan het originele deel  niet bestand bleek tegen windkracht 7 uit het oosten. Het is niet het enige dak was sneuvelde: ook van de stal zijn weer wat stukjes afgewaaid.

En toen… draaide de wind. En hij nam in kracht af. En plotseling was het lente. Liep ik op zaterdag nog met 7 lagen wol en fleece aan door de poolwind, op zondag kon ik opeens met een T-shirt en een dunne trui volstaan (en een overall, dat dan weer wel).  Het deed me denken aan het prachtige gedicht van Lilja Rogers:

First a howling blizzard woke us

Then the rain came down to soak us

And now, before the eye can focus –

Crocus

Helaas heb ik afgelopen najaar nog geen krokusbolletjes geplant. Daar moet ik komend jaar maar in voorzien, want mijn bijen komen ook opeens weer uit hun kast en verlangen hevig naar stuifmeel van de ‘croci’.

Landschapsbeheer

Het is heel koud. Maar nu de zon weer schijnt kunnen we weer genieten van het mooie landschap in De Hoeve. Hoewel onlangs weer bleek hoezeer dat landschap onder druk staat. En niet alleen vanuit wens tot bebouwing of intensief agrarisch gebruik. Maar gek genoeg ook vanuit het natuurbeschermingsbeleid.

Als je ‘ons’ deel van de Ratellaan afrijdt, kom je op de Jokweg. Tegenover je zag je dan een prachtige houtwal met een rij oude eiken, die tegen het zuidelijk deel van de Ratellaan aanliep. Dit plaatje is van Google Maps.

Helaas kan ik geen betere foto laten zien. Want toen ik er zondagochtend liep, zag ik opeens dit:

Zeven van de grote eiken waren gekapt. Vreemd. Gemeente Weststellingwerf heeft het landschap hoog in het vaandel staan. Zouden die zomaar toestemming geven om grote bomen te kappen? Navraag bij buren leerde, dat Landschapsbeheer Friesland er bij betrokken zou zijn. Die organisatie ken ik intussen redelijk goed.

Vorig jaar april, een week nadat we de sleutel van onze plek hier kregen, werd er contact opgenomen door Landschapsbeheer Friesland. Of ze onze houtwal mochten opnemen in een monitoringsproject voor broedvogels.  Daar was ik natuurlijk direct enthousiast over. Ze hebben een aantal opnames gemaakt bij onze houtwal, en er ook dit filmpje opgenomen.

Ook hebben we afgesproken dat Landschapsbeheer Friesland, in het kader van een Europees landschapsherstelproject, hier het één en ander aan aanplantwerkzaamheden zal doen en de poel dieper uitgraven. Kortom, tot nu toe heel plezierig contact.

Maar toen we het hadden over  het beheer van onze houtwal, hadden we toch een wat ander standpunt. In het verleden werden houtwallen met enige regelmaat ‘afgezet’ (afgezaagd). De stobben lopen dan weer uit. Dat levert een biotoop op voor veel insecten en zangvogels. In onze houtwal is dat al lang niet meer gebeurd. Maar volledig afzetten betekent ook dat het hele dorp uitkijkt op ons perceel en dat de zuidwestenwind vrij spel krijgt. Dat willen we niet. En de wildernis die er nu is ontstaan heeft ook een waarde. Bijvoorbeeld als schuilplek op voor andere soorten. We zien regelmatig reeën lopen.

Wij zullen dus zeker wel hout oogsten van onze houtwal, maar we willen die niet volledig afzetten. Hij heeft immers een belangrijke landschappelijke functie: het waarborgen van onze privacy en het breken van de wind.

Hier in de omgeving van De Hoeve zijn met de ruilverkaveling relatief veel houtwallen gespaard. Er zijn destijds zelfs bosjes aangeplant. De ruilverkaveling rond De Hoeve werd destijds dan ook veel aangehaald als een schoolvoorbeeld van een ruilverkaveling met oog voor landschappelijke waarden. In de ‘Atlas van het Landschappelijk Groen Erfgoed in Nederland‘ staat dit gebied niet voor niets aangegeven als landschap met waardevolle oude boskernen, heggen en houtwallen.

Doordat de houtwallen vervolgens niet allemaal meer even regelmatig werden gekortwiekt, zijn op sommige plekken prachtige rijen oude bomen ontstaan. Misschien wat anders dan een ‘houtwal’ volgens het (huidige) boekje van die natuurbeschermingsorganisaties, maar landschappelijk zeker even fraai. Ze vormen een mooie aansluiting op de – inmiddels volwassen – wegbeplanting, die in de jaren 1920 in het kader van werkverschaffing is aangebracht.

Ook op ons perceel staan zulke rijen eiken, die eigenlijk voormalige houtwallen zijn:

Op Google Maps is mooi te zien hoe het dorp ligt ingebed in het groen. Naarmate je het dorp nadert wordt de verkaveling kleinschaliger en zijn er meer houtwallen en meer oude bomen. Als een soort aankondiging vanuit het landschap dat je de bewoonde wereld nadert.

Zo ook de houtwal die je zag vanaf de kruising Jokweg-Ratellaan. Tot afgelopen zaterdag. Toen zijn er dus zeven van de mooie oude eiken gekapt. En dat blijkt nu in het kader van natuurbeheer te zijn. Landschapsbeheer Friesland en het collectief voor agrarische natuurverenigingen Elan hadden hier een contract gesloten met de pachter van het perceel.  In het kader van het ‘sturen op door de provincie vastgestelde doelsoorten’ moet de pachter dan, in ruil voor subsidie, het door Landschapsbeheer Friesland en Elan vastgestelde beheer uitvoeren. In dit geval dus wat ze noemen ‘eindkap in het kader van cyclisch beheer’. Ze hebben er een brochure over.

Wat mij betreft is dit het kind met het badwater weggooien. Deze eiken hebben er zestig, misschien wel tachtig of honderd jaar over gedaan zo groot te worden. Ze hebben de ruilverkaveling overleefd. En nu worden ze in één ochtend omgezaagd, omdat de provincie, Landschapsbeheer  en de agrarische natuurvereniging momenteel een beleid hebben waarin op slechts zes ‘soorten elementen’ wordt gestuurd:

  • Houtwal en –singel
  • Elzensingel
  • Hakhoutbosje
  • Bosje
  • Bomenrij en solitaire boom
  • Poel en klein historisch water

En voor ieder element slechts één beheermethode mogelijk is. Voor houtwallen betekent dat: een ‘eindkap’ eens in de 25 jaar, een tweede kap na 14 jaar.  Zo moet het en niet anders. In mijn ogen is juist een rijkgeschakeerd landschap, met allerlei verschillende elementen, fraai en nuttig voor mens en dier.

Bovendien heeft ieder element zijn eigen verhaal. De ene houtwal werd vaker afgezet, omdat de boer een toepassing had voor het hout. De andere wat minder, omdat grotere bomen op die plek handig waren om de wind te breken, of omdat de boer vond dat zijn koeien schaduw nodig hadden op warme dagen. Op een derde houtwal heeft in het verre verleden een zekere Krelis, heel ongebruikelijk, populieren geplant, omdat Krelis’ vader klompen maakte en daarvoor populieren gebruikte. Noem maar op. Door naar de functie en geschiedenis van een element in zijn eigen context te kijken kan je maatwerk leveren en behoud je de individualiteit van het landschap en de verhalen die daarbij horen.

Zo is dus een houtwal bij het dorp in mijn ogen wat anders dan een houtwal in het buitengebied. Maar omdat er nu toevallig wordt gestuurd op enkele bepaalde doelsoorten is het blijkbaar niet mogelijk hier maatwerk in te leveren. Alsof we niets hebben geleerd van de ruilverkavelingen, die in grote delen van Nederland het landschap hebben gladgestreken en geüniformeerd.

Om nog maar niet te spreken over de waarde van (grote) bomen an sich, onder meer om CO2 vast te leggen. Die waarde werd toevallig juist vandaag weer eens belicht in dit artikel van De Correspondent. We spreken kwaad van landen die hun tropisch regenwoud kappen en gooien de paar volwassen bomen die we zelf hebben om.  En dat in een gemeente die in 2030 100% ‘klimaatneutraal’ wil zijn en in het kader van ‘natuurbeheer’. Godgeklaagd vind ik het.

(En áls je dan per se grote bomen moet kappen, gebruik het het hout dan voor een hoogwaardige toepassing, in de bouw of meubelmakerij. Daar importeren we nota bene hout uit Oost-Europa voor! Deze grote eiken worden in stukjes gezaagd en tot kachelhout verwerkt. De uitvoerder heeft -natuurlijk- geen contacten en faciliteiten om het op te slaan en te laten drogen zodat er balken en planken van gezaagd kunnen worden. Maar je zou toch zeggen dat zo’n wat grotere organisatie dat dan ook kan faciliteren? Had geïnformeerd in de buurt – misschien hadden wij wel graag ons gebint ervan laten maken.  Juist van zulke relatief dicht op elkaar staande en dus recht gegroeide bomen had dat gekund. Maar daarvoor is het nu ook al te laat.)

Voor deze houtwal is geen redding meer mogelijk. Inmiddels heeft de pachter nog meer bomen omgezaagd. Logisch, hij zit aan zijn contract vast. Maar we gaan met een aantal buren en de groencommissie van het dorp wel in gesprek hierover met Elan, Landschapsbeheer en de gemeente. Hopelijk worden dan niet op een kwade dag nog meer dorpssieraden platgelegd in het kader van een ‘verbetering’.

 

 

Snipperdagje(s)

Hoera, de zon schijnt! Tijd om iets te doen aan de enorme berg houtsnippers die al tijden ons pad verspert. Waarom?

In mijn moestuin had ik altijd paden van houtsnippers. Heel handig, makkelijk bij te houden, de grond wordt beschermd tegen uitdrogen, de verterende snippers geven (heel langzaam) voedingsstoffen en humus af aan de grond en dat beetje onkruid wat er in op kwam was betrekkelijk makkelijk uit te trekken. Eéns in de twee, drie jaar een nieuwe lading snippers erop en klaar is Kees. Dus dat wilde ik weer.

Uit ervaring weet ik, dat je moet zorgen dat je snippers zónder blad hebt. Als er erg veel blad, zaagsel en andere ‘prut’ tussen de houtsnippers zit, loop je in no-time over een verende composthoop. Om die reden heb ik wel eens een hele lading gezeefd. De grove snippers konden op het pad en het fijne materiaal was mooi om mee te mulchen.

Dus ik bestelde altijd pas nieuwe snippers in november of december, als het blad van de bomen was. Dan werd er een berg heerlijk ruikende, verse houtsnippers voor de voordeur gedumpt en was ik een dag bezig om dat allemaal naar achterin de tuin te kruien.

Hier moest ik op zoek naar een nieuwe leverancier. Die was makkelijk te vinden en kon  wel even 6 m3 snippers komen brengen. Ik wees waar het moest komen,

“Doe wel voorzichtig”, zei ik nog van tevoren “ons weiland is héél nat en modderig. Misschien is het nog het makkelijkst om achteruit het pad op te rijden, dan blijf je met de auto op het pad en kan je ze er makkelijk op de juiste plek uit kiepen. ”

“Geen probleem! riep de leverancier. “Ik heb dat al wel duizend keer gedaan!” Hij reed op volle kracht het weiland in om te keren en zat onmiddellijk vast in de modder.  Toen moesten de snippers dus op die plek van de aanhanger af gekieperd, want anders was hij er nooit meer uitgekomen.

Dat kostte toch al ruim anderhalf uur gezwoeg met planken en scheppen snippers en voorzichtig proberen. De chauffeur was een non-stop kletskous op hoog volume en zijn “Nou, dan heb ik het toch een keer verkeerd ingeschat” veranderde gaandeweg in “Ja, het was ook echt niet te zien dat het hier zó modderig was” tot “Je had me wel mogen waarschuwen, jullie hebben wel hele rare grond.”  Ik was erg blij toen hij eindelijk het weiland uit was en in het halfduister wegreed.

Toen hadden we dus een omgeploegd stuk nieuw microreliëf vlak voor het huis en een berg snippers op het pad. En ik zag het direct al: geen verse snippers.

“Nee, je hebt geluk dat ze er nog zijn.”riep de leverancier (hij was toen nog maar net vastgelopen en nog in een redelijk humeur). “Het is het laatste restje, in februari krijg ik weer nieuwe.”

Dus oude snippers, die al een half jaar op een hoop lagen, mèt veel blad, zaagsel en andere prut ertussen. Dat zou weer zeven worden. Ik hoopte dat het een beetje droog weer zou worden. Maar dat werd het dus niet: daarna bleef het semi-permanent regenen.  De snippers hebben zich boordevol vocht gezogen, zijn zwaar en plakken aan elkaar.

Maar nu zijn de moestuinbedden (bijna) af en kan ik het niet meer uitstellen. Van een oud kwekerskratje en een stuk kuikengaas heb ik een mooie zeef gemaakt.

Drie scheppen in de zeef, één minuut schudden, grote snippers in een kruiwagen. Tien kratjes is één kruiwagen grote snippers en een halve kruiwagen kleine snippers.

Het klinkt als niet veel, maar als je voorovergebogen over een kruiwagen staat gaan drie scheppen snippers na een poosje behoorlijk zwaar wegen.

Gekkenwerk eigenlijk. Maar schep voor schep, kratje voor kratje, kruiwagen voor kruiwagen, meter voor meter, vorderen de paden in de moestuin en wordt de berg snippers kleiner.

Op die paden heb ik dit keer trouwens, na lang twijfelen, wel anti-worteldoek onder de houtsnippers gelegd. Ik weet nu al dat ik mezelf vervloek als ik dat spul er over een paar jaar probeer uit te halen en overal plastic rafels blijven zitten. Maar  ik weet ook dat ik mezelf zal vervloeken als het kweekgras dóór de houtsnippers heen zou blijven opkomen van de zomer, wat dan vast het geval zou zijn.

En wat doe ik met de kleine snippers en ‘prut’? Die zijn voor de fruitbomen.

Op de voedselbossen-cursus die ik een jaar geleden deed, leerde ik dat er een groot verschil is tussen het bodemleven in een bos en onder een grasland. In een bosbodem heb je een schimmelgedomineerd bodemleven. Boomwortels gaan een samenwerking aan met die schimmeldraden: mycorrhiza. De schimmeldraden functioneren als transportnetwerk, waarlangs vocht en voedingsstoffen getransporteerd worden.  Op die manier ‘eten’ de bomen in een bos niet alleen met hun eigen wortels, maar via een veel groter netwerk (tot wel 40 meter afstand!) Dat maakt ze natuurlijk veel beter in staat om schommelingen in temperatuur en aanbod van vocht en voeding te weerstaan.

Onder gras houden schimmels het niet uit. Ze kunnen niet tegen de UV-straling van het zonlicht, dat door het dunne laagje gras de bodem in dringt. Dus onder grasland krijg je een bacteriegedomineerd bodemleven. Eigenlijk is het beeld van de boomgaard met solitaire bomen in het gras dus helemaal niet logisch. Bovendien concurreert het gras met de ondiepe wortels van fruitbomen.

Daarom geef ik mijn fruitbomen een stukje instant bosbodem. Na het planten leg ik rondom de stam karton, net als in de moestuin. Het gras houdt het daaronder niet uit en sterft af door gebrek aan licht. Daaroverheen komt een laag  gehakselde bramen, blad en/of fijne houtsnippers. Er zit al aardig wat schimmel in de snippers, zag ik.

(De groen-georiënteerde lezer roept nu meteen: “Krijgen je bomen dan geen stikstoftekort?!” Ik verwacht dat dat wel meevalt.  Zolang ik de snippers maar niet dóór de grond werk. En het gehakselde materiaal van bramen en brandnetel bevat, verwacht ik, ook zelf al de nodige stikstof. Ach, vergeleken met de natuurlijke groeiomstandigheden van de wilde appel valt hier de stikstof met de regen uit de lucht.)

Volgens alle theorieën zou dit de fruitbomen goed moeten doen. Met hun voetjes in een bosbodem en hun hoofd in het zonlicht, net als op hun natuurlijke standplaats aan de rand van het bos. Ik ben benieuwd!

Winterse perikelen

Het valt natuurlijk nog alleszins mee. Maar afgelopen week hadden we toch wal speldenprikjes ‘winter’. Op zich niet eens zo erg, eigenlijk was het een verademing om af en toe zon te hebben in plaats van semi-permanente horizontale regen. We waren bijna vergeten hoe mooi het er hier dan uit ziet!

 

Maar een beetje bar was het wel. Dat je op het composttoilet zit en dat het kopje om het ‘vloeibaar’ gedeelte weg te spoelen zit vastgevroren in de emmer water. De eerste ochtend kreeg ik het (met behulp van mijn hak) nog wel los uit het ijs, maar er kwam een moment dat alles stijf bevroren was. Gelukkig duurde het niet zo lang.

(Ons composttoilet heeft een separatie-systeem. ‘Vloeibaar’ wordt middels een slang aan de voorkant weggeleid naar een oude septic tank; ‘vast’ komt in een emmer en dient afgedekt te worden met een beetje zaagsel. Dat werkt werkelijk uitstekend  – ook in de zomer hadden we géén stank en géén vliegen. Die emmer leeg ik in een speciaal compostvat: deze compost gebruiken we niet in de moestuin, maar misschien bij de fruitbomen of zo.)

De kou op het toilet deed me ook denken aan een boek van Roald Dahl, over zijn traumatische kostschool-ervaringen. Hij beschreef daarin hoe kleine jongens de wc-bril moesten voorverwarmen voor de grote jongens. Dat vond ik destijds  wonderlijk: het voelt altijd een beetje vies als je op een warme bril gaat zitten. Maar nu begrijp ik het. Als de temperatuur in de wc namelijk gelijk is aan de buitentemperatuur (en dat was in die kostscholen geloof ik ook het geval) dan is he bij vrieskou nauwelijks te gebruiken. Zodra je met je blote billen op die ijskoude bril gaat zitten trekt als reactie daarop alles samen. Van de benodigde ontspanning om te doen wat je moet doen komt dan niets meer… Nu begrijp ik dus ook waarom je ook kon kiezen voor een wc-bril van piepschuim bij het separatie-systeem. Helaas kozen wij voor goed schoon te maken, maar ’s winters dus ijskoud plastic.

Verder valt het, dankzij het kacheltje, redelijk uit te houden. Alleen het hout gaat nogal hard. We hebben massa’s gekloofd en gezaagd hout, maar dat is van dit seizoen en dus nog niet droog. En we hebben ook massa’s droog en onbehandeld hout, maar dat zit nu nog in de boerderij verwerkt. Hopelijk redden we het net. En anders worden de balken en planken van de oude mijnheer die we hadden bewaard voor ruw timmerwerk alsnog brandhout.

En het is wennen aan de koude vloer. Voor het woongedeelte hebben we nu een warm wollen kleed gekocht.   En overdag draag ik met wol gevoerde laarzen. En bij voorkeur  wollen sokken. Ik had een hele voorraad, ooit met liefde gebreid door de oma van een aangetrouwd familielid. Helaas slijt ik nogal snel door de hielen heen. En sokken stoppen (of breien) valt niet  onder mijn talenten. Gelukkig stuurde mijn nicht uit Noorwegen me nog een paar toe als kerstcadeau.

Kortom, alles gaat goed, maar het moge duidelijk wezen dat wij reikhalzend naar de eerste lentedagen uitkijken.

Wagenpark

Hmmm, we wilden toch ecologischer gaan wonen en leven? Maar inmiddels hebben we in plaats van één, al drie gemotoriseerde voertuigen.

Tja, we kwamen er wel achter dat een trekker héél erg handig gaat zijn. Want als we straks gaan bouwen moeten hier natuurlijk heel veel bouwmaterialen bezorgd worden. En die komen meestal met een vrachtwagen. Maar vrachtwagens langer dan 10 meter kunnen helemaal niet bij ons huis komen.  Ze kunnen de bocht de Ratellaan op niet eens maken, vanwege de grote bomen die daar staan.

Tot nu toe moesten we dan telkens een beroep doen op onze boer met zijn shovel. Met de boedel hebben we een platte kar geërfd (één van de weinige zaken die ons echt handig leken). Dat is een handige manier om de bouwmaterialen het laatste stukje vanaf de openbare weg te vervoeren. Moet je dus wel een trekker hebben.

Verder kan je met een trekker… trekken. Aan grote zaken (sinds we met veel moeite de zware hulststam verplaatst hebben zijn mijn rechterschouder en pols geblesseerd). Je kunt er grond mee verplaatsen (er zit een voorlader op, nu nog effe een grondbakkie op de kop tikken). Of houtsnippers. Of puin. Je kunt er mee maaien (als we een maaimachine zouden hebben, maar die hebben we dan weer weggegeven, het exemplaar dat we vonden leek me dè manier om van je vingertoppen af te komen). Of hooi schudden (de hooischudder hebben we gehouden!)  En je kunt er, heel belangrijk, de postbode mee lostrekken als die weer eens vast komt te zitten.

Kortom, weer een gemotoriseerd voertuig aan het wagenpark toegevoegd.Met dank aan een dorpsgenoot die in trekkers bemiddelt (en ze ook opknapt en repareert!) Een Renault 551.  Met een motor van 55 pk.

“Tjonge'”zei ik “Betekent dat dat we nu ongeveer 55 paarden gekocht hebben?” Maar naar het schijnt is 1 pk niet echt het equivalent van een stevig Fries boerenpaard. Meer het equivalent van een verkouden shetlandpony. Op een slechte dag op de manege. Als het regent. En met een kleuter op zijn rug.  Evenzogoed, 55 pk is een behoorlijke hoeveelheid til-en-trek-hulp.

Nu nog leren om er mee om te gaan.

Welstand, beton en het weerbericht

Goed nieuws wat betreft het ontwerp voor onze nieuwe woning: in het vooroverleg was de gemeente overwegend positief. Behalve de gemeente (die vooral kijkt of het in het bestemmingsplan past) gaf ook de welstandscommissie een ‘voorlopig advies’. Meer dan voorlopig kan natuurlijk nog niet wat we hebben alleen nog maar een schetsontwerp. Ik wilde graag mee, want voor mijn werk heb ik het wel eens over de rol van de welstandscommissie. Interessant om het dan nu eens van binnenuit mee te maken!

De commissie bestond uit twee heren (uiteraard…) en een ambtelijk secretaris (een gemeente-ambtenaar dus). Van tevoren hadden de architect en ik de welstandsnota (uit 2003) natuurlijk goed bestudeerd. We verwachtten weinig problemen. Wij doen júist ons best om een huis te maken wat lijkt op de traditionele boerderijen uit de streek, maar dan veel energiezuiniger en gemaakt met natuurlijke materialen. Dat past prachtig binnen de ambities over de identiteit van de streek, klimaatbestendigheid en een circulaire economie, zoals de gemeente die in de nieuwe Omgevingsvisie heeft verwoord.

Eigenlijk is het enige punt in ons ontwerp wat niet strookt met de welstandsnota, dat ons hele huis bekleed wordt met zwart potdekselwerk. Traditioneel werd vaak wel potdekselwerk voor het stalgedeelte van een boerderij gebruikt, maar werd het voorhuis opgetrokken uit duurdere (dus chiquere) baksteen. Wij willen zo min mogelijk baksteen gebruiken. Voor het onderste deel van de muur (waar vocht uit de grond kan optrekken) ontkom je er niet aan (het zogeheten ‘trasraam’), maar daarboven wordt het kalkhennep. En dat moet worden afgewerkt met een beschermlaag die water keert, maar waterdamp ongehinderd doorlaat. Dampopen bouwen dus. Potdekselwerk is daar bijzonder geschikt voor en geeft dit nieuwe bouwmateriaal een heel traditionele ‘look’.

Zou je er een wand van baksteen en cement omheen zetten, dan gaat dat element van damp-openheid verloren. Dan gaat het vocht wat ontstaat door koken, douchen en ademen zich ophopen op de grens van baksteen en kalkhennep, wat voor schimmelvorming en ellende kan zorgen. Om dat te voorkomen moet je dus een krachtig mechanisch ventilatiesysteem installeren. Waarmee weer warmte verloren gaat. Dan kom je uit bij een balansventilatiesysteem met warmtewisselaar…. duur, kwetsbaar, het kost elektriciteit en het is veel elektronisch geregel. Dat wilden we nu juist niet.

Maar ja, in de welstandsnota staat dat het woongedeelte “in steenachtig materiaal” wordt opgetrokken. En één commissielid vond dat toch wel heel belangrijk. Het andere commissielid vond dat grote onzin en stelde voor  de gemeente te adviseren om de welstandsnota op dit punt aan te passen. Na enig heen en weer discussiëren kwam het advies er op uit dat ‘wellicht  op andere wijze kan worden voorzien in het door de gebiedscriteria beoogde bebouwingsbeeld’. Met andere woorden: de suggestie van een ‘voor’gevel kan misschien toch ook wel op een andere manier gemaakt worden. Door meer glas, meer detaillering van de goten en misschien en dakkapelletje op de kopse gevel. Prima. Daarmee kan de architect weer verder.

Ik ben ook druk bezig met installateurs en constructeurs, want in deze fase van het ontwerp moeten die ook een rol spelen. Jammer is dat de hele bouwwereld het razend druk heeft. Alleen al offertes opvragen is een klus van wéken…

Maar goed, intussen zijn er klussen genoeg om ons mee bezig te houden. Vorige week is in de mooie bekisting die we hadden gemaakt het beton gestort. (Helaas heb ik daar geen foto’s van. Zelf was ik een weekje er tussenuit: helpen met de lammertijd op een bevriende geitenboerderij. En Joris was te druk bezig met kruiwagens beton en koffie en stroopwafels voor de hulpploegen om foto’s te maken.) Dat ligt nu uit te harden en te wachten tot we het onderste deel van de fundering kunnen metselen. Dat duurt nog even, want er is vorst voorspeld, tot ons grote ongenoegen.

Al onze (water)systemen hangen van kunst en vliegwerk aan elkaar en zijn dus niet echt vorstbestendig. Natuurlijk is de klimaatverandering geen goede zaak, maar de tot nu toe zachte winter kwam ons niet slecht uit.  In afwachting van de voorspelde dagen echt winterweer rennen we koortsachtig rond om ‘hittelint’ rond gasflessen te bevestigen, kwetsbare planten naar binnen te halen, wassen te draaien zolang het nog kan, hout te kloven en verlengsnoeren uit te rollen voor het ‘kippendrinkbakjes-ontdooiertje’.

Van bomen planten zal weinig komen de komende week. Gelukkig zijn er altijd nog wel andere klussen…

Fundering

Ondertussen hebben we de afgelopen weekends vlijtig doorgegraven aan de fundering voor de nieuwe werkplaats. Die willen we heel comfortabel en goed geïsoleerd maken (zodat Joris’ dure gereedschap niet meer roest en zijn mooie timmerhout niet kromtrekt). We mikken op de isolatiestandaard voor woningen uit het huidige bouwbesluit. Volgens onze architect hoorde daar ook een geïsoleerde fundering bij. Dat bleek gemakkelijk gezegd, maar een crime om uit te voeren.

(En je ontkomt ook nog eens niet aan ‘moderne’ materialen: piepschuim en pur. Terwijl we juist milieuvriendelijk wilden bouwen…. Maar ja, onder het maaiveld wordt het echt wel lastig om met natuurlijke materialen te werken in een steenloze omgeving zoals Nederland.)

Waar je bij een ‘gewone ‘strookfundering gewoon  een sleuf graaft van ongeveer de juiste breedte, er folie in legt, aan de bovenkant nog wat bekisting erlangs en het beton vangt alle kleine afwijkingen in hoogte en breedte wel op, moest dat nu heel precies. De bodem moest volkomen vlak en recht zijn, als er maar een hobbeltje van een centimeter in zit breken de piepschuimplaten al en krijg je een ‘koudelek’. En dat het maaiveld over de lengte van de schuur ongeveer een halve meter afloopt en dat er allemaal boomwortels zaten  maakte het ook al niet makkelijker.

Op 1 januari kwamen Bart en Willemien helpen met graven
Zorgvuldig waterpas gestelde bekisting

Het kostte ons een weekend om de sleuven te graven en de ‘vloer’platen er in te leggen, een weekend om de bekisting zuiver waterpas te stellen en de  opstaande platen er in te zetten en nog een weekend om de dubbele betonwapening netjes aan te brengen. Maar toen was de aannemer ook zeer tevreden. 26 januari komt hij het beton storten en daarna de rest van de fundering opmetselen. Daarboven gaan we dan zelf weer verder met de houtbouw.

Het op maat maken van de opstaande delen van de isolatie
Met een speciale piepschuimsnijder gaat het redelijk makkelijk (zolang het niet waait!)

En dan het betonijzer

Joris als betonvlechter

 

En de bovenste laag (dubbele wapening!)
Goedgekeurd

Dat betonstorten is ook wel een dingetje: een gewone betonwagen kan niet op de locatie komen. Hopelijk lukt het met een kleine , waarbij het laatste stukje moet worden overbrugd met kruiwagens. Zelf beton draaien is helaas geen optie, daardoor is het project net te groot. De kans dat je het dan niet binnen de gestelde tijd voor elkaar krijgt is aanzienlijk. Dus vandaar dat we daar toch maar even de aannemer voor inschakelen. Hoe dat straks moet met het huis is weer een verhaal apart…

Nu ligt onze mooie funderingssleuf dus tot 26 januari te wachten. Omdat het weer is gaan regenen, sneeuwen en donderdag ook weer storm is voorspeld heb ik ‘m maar preventief afgedekt.